Ready Set Go!

Als ik kinderen poëzieles geef, begin ik altijd met de vraag wat poëzie is. Rijmen hoort uiteraard standaard bij de eerste antwoorden. ‘Is dat alles?’ vraag ik. ‘Neeeee’, roepen ze dan. ‘Ook verhaaltjes vertellen.’

‘Is dát alles?’

‘Neeeeee.’

Er zit er altijd wel eentje tussen die afwijkt van de standaardantwoorden. ‘Eigenlijk is alles poëzie’, zei pas een jongetje van een jaar of acht. Of; ‘poëzie is gewoon een beetje mooi vertellen wat je wilt zeggen.’

Als de kring stil wordt en niemand nog meer kan bedenken wat we dan eigenlijk de komende weken gaan doen in mijn lessen, vertel ik wat ík denk dat poëzie is. Meestal komt het hierop neer; ‘bij bijna alles in mijn leven moet ik me wel aan regeltjes houden. Andere mensen hebben al voor mij bedacht hoe ik me moet gedragen, wat ik moet vinden en hoe ik moet praten. Het leuke aan poëzie is dat je alle regeltjes overboord mag gooien. Poëzie is vertellen wat je het allerliefste wilt vertellen op de manier die jij de beste manier vindt.

Hun interesse groeit als ze in de gaten krijgen dat we van de regels gaan afwijken en dat is begrijpelijk. Nog happiger worden ze als ze horen dat ze hun eigen taal mogen gebruiken, dat een woord als kut in een gedicht kàn horen. Dat je de punt mag weglaten als je daar zin in hebt, en dat het van belang is in het gedicht te zeggen wat je wilt zeggen, ook al is het niet zo netjes. De meeste zaken van belang zijn immers niet zo netjes.

In een wereld waarin wij met zo veel mensen iedere minuut van de dag bewust of onbewust communiceren is een filter van belang. Als ik geen selectie maak tussen wat ik aan informatie tot mij neem en wat ik buiten mij laat, word ik gek. Of overspannen, wat bijna hetzelfde is. Voor mij zit de knop van de filter regelmatig vast, waardoor hij zich niet meer laat indrukken. Mijn zintuigen staan echter altijd áán. Op dit moment zit ik in de trein dit stukje te tikken. Ondertussen volg ik het gesprek van het gezin een eindje verderop. Ik ruik de koffie van de dame achter me, van wie me allang is opgevallen dat haar mascara is uitgelopen en dat haar veter los zit. Misschien heeft ze gehuild. Buiten loopt een jongen iets te zoeken op het perron. Ik denk dat hij zijn oortjes heeft verloren. Ik ruik een croissant, zie de kus van lippenstift die mijn dochter voor vertrek op mijn hand drukte, denk aan haar en aan hoe ik haar missen ga de komende tien dagen en wie nog meer. Nog iemand en nog iemand én twee honden en ik hoop dat mijn oudste niet vergeet haar medicatie te geven.

Dit is hoe mijn hoofd werkt en niet alleen het mijne. De meesten van ons moeten gedurende de dag moeite doen om de balans in de bovenkamer te houden. (Ik kreeg gisteren een kaart in de bus met de tekst: gardening, yoga and meditation and still I want to SMACK somebody!)

De dichter filtert uit al deze informatie één punt dat zij voldoende de moeite waard vindt om met de wereld te delen. Ze denkt erover, zoekt naar de juist toon, de juiste woorden, voldoende reden en zet alles in om het over te brengen. Een goed gedicht kan meer vertellen dan een roman. En hoe mooi is het als we tussen alles wat we al weten, alles wat we zéker wéten, alles waar we een uitgesproken mening over hebben, alles wat al vaststaat, afgetimmerd is, in tienfout ondertekend om nooit meer te verscheuren, ineens ontdekken dat het ook best eens anders zou kunnen zijn? Omdat een dichter in een heel klein stukje tekst ineens liet zien, dat de wereld 7.522.999.101 verschillende kanten heeft.

Vandaag stappen vierentwintig dichters in een grote rode bus. Ze zullen de komende tien dagen tien steden aandoen. In iedere stad zullen ze laten horen wat gehoord moet worden. Ze zijn gratis en voor niks te beluisteren. Het volledige tourschema staat op www.poeziebus.nl.

Puzzel

Er raasde onrust in mijn lijf de afgelopen dagen. Ik wist niet goed of ik stil moest staan of door moest rennen en besloot in de tussentijd alle onkruid uit mijn tuin te trekken. Toen ik lekker op dreef was, ging ik door met het onkruid wieden in de rest van mijn leven. Dat maakte de aarde los en op losse aarde, sta je niet stevig, dat snapt iedereen. Het zal de reden geweest zijn dat ik vanmorgen door mijn rug ging. Niet hard, niet knak of knoep, maar geleidelijk. In de loop van de ochtend ging ik krommer lopen. Toen mijn neus de grond raakte, had ik zelf ook in de gaten dat het tijd was de pauzeknop in te drukken.

Mijn rug, mijn ledenmaten, mijn hoofd, mijn handen en voeten besloten naar de sauna te gaan in de hoop dat we elkaar daar zouden treffen. We aaiden honden en kinderen gedag en reden aan het einde van de middag weg. Tijdens het half uur durende autoritje keek iedereen al voorzichtig weer elkaars richting uit. Er was muziek waarmee ik hard kon meezingen en toen ik flink had gehuild gedurende de hele lange baan naar Ede, herkende ik weer de mens in mij.

Het was druk op de parkeerplaats voor de sauna. Binnen hadden de blote bezoekers zich godzijdank zo over de ruimtes verdeeld dat er nooit meer dan drie mensen tegelijk in mijn nabije omgeving verkeerden. Ik zweette en dronk water, zweette en dronk water net zo lang tot ik vrij zeker was dat alle gif uit mijn lijf was en ik een biertje kon bestellen. Ik at een daghap in de tuin met mijn zonnebril op en keek ondertussen vrij ongegeneerd naar alle piemels en borsten die voorbij kwamen en die ik geen van allen wenste aan te raken.

Adem in door de neus en uit door de mond, zorg dat je uitademing anderhalf keer langer is dan je inademing. Buik helemaal vullen, doorademen en longen helemaal vullen, doorademen en keel vullen en dan uit. Langzaam uit. Ik houd mijn ogen gesloten, voel heus soms blikken op mij hangen maar negeer alles dat er niet toe doet en groei langzaam weer aan elkaar.

Er zit leven in mij. Pijn, vreugde en liefde. Ik ben dat allemaal. Beter is alles heel. Alles is beter heel. Heel is alles beter. Blijf heel.

Vaker gaat het goed

De stad ademt nog zeik van de nacht. Mannen houden zich met één hand vast aan het paaltje waaraan het bord bevestigd (wildplassen verboden) en pissen om het verst. Ik geef een duwtje in het voorbijgaan en gok op mijn theorie. Oogcontact en schaterlachen.

Het land is de verkiezingen al vergeten. Demissionair blijkt het verenigd of dan toch tenminste aardig relaxed. Het is de tijd niet je druk te maken. Een hogedrukgebied ligt op de loer, altijd. We kunnen de griep wel krijgen of de takketering.

De lucht is zo precies blauw dat het het vliegverkeer stagneert. Alleen de ballonvaarder durft te doorkruisen. In het park propt hij net iets te veel toeristen in zijn mandje. Hij spaart voor een huisje in Zuid Frankrijk.

Ik ben er. Afscheidsbrieven zijn verscheurd of nooit geschreven. In mijn tuin komt gewoon de pompoen weer op. Vaker gaat het goed.

Iedereen lekker beperkt

Om te bewerkstelligen dat het stel de gevolgen van zijn ADD uiterst serieus zou gaan nemen, noemde de psychologe die hen in dit traject begeleidde, het beestje maar bij zijn naam: ‘X heeft een beperking en het wordt tijd dat jullie daarmee leren leven’. Een intensief traject werd ingezet met als doel: leren omgaan met de beperking (ADD) van X.

Het lijkt wel of ik steeds vaker soortgelijke gesprekken opvang. Mensen die zich afvragen hoe om te gaan met de beperking/ aandoening van kind/partner. Daarnaast rijst de vraag waar al die beperkingen toch ineens vandaan komen. Scholen met hun handen in het haar, omdat het verdomd lastig blijkt te zijn rekening te moeten houden met dertig kinderen van wie er twee dyslectisch, drie ADD-ers en één (Hoezee) met ADHD. Met enige regelmaat vliegt de juf door het lokaal.

Sommige ouders stappen zonder problemen over op de pillen. Met een beetje Ritalin erin heeft iedereen het zo weer naar zijn zin! Het kind is in no-time weer helemaal zichzelf (lees; zo lekker rustig in huis). Anderen zoeken het meer in de alternatieve hoek, yoga, lindebloesemkorreltjes en mindfulness. Alles om weer normaal te worden. Weer anderen stappen over op een macro-biotisch biologisch dynamisch dieet. Ze begrijpen níet dat de rest van de wereld niet ziet dat al die rotzooi in ons eten ervoor zorgt dat er steeds meer mensen met beperkingen rondlopen. Het is me wat.

Volgens van Dale, die ik graag raadpleeg als het werken van de wereld mij dreigt te ontgaan, is de betekenis van ‘normaal’ overeenkomstig de regel, gewoon. Hm, maar welke normále persoon heeft dan die regel bedacht, vraag ik me af. Als ik verder zoek vind ik het volgende: zoals het vaakst voorkomt, zoals de meeste mensen doen. Precies. Dát is normaal. Gewoon, doe maar lekker normaal, doe maar lekker zoals de meeste mensen doen, want dan snappen we het allemaal en kunnen we regeltjes maken die voor iedereen dienen op te gaan.

Ik voel mij mijn leven lang al niet normaal. Als kind en opgroeiende puber heb ik heus mijn best gedaan om zo normaal mogelijk te worden, maar het lukte slechts zelden. Ik had last van onbedwingbare behoeftes om te dansen, te zingen en gedichten op de muren te schilderen. Ik moest regelmatig stoppen met opleidingen, banen en relaties omdat ik het niet meer hield en voelde me eigenlijk alleen maar goed als ik totaal vrij was, als ik ruim baan kreeg. Met geen mogelijkheid in een hokje te proppen bleek ik. Toen ik niet zo gek lang geleden aan de anti depressieva zat, omdat ik niet zelfstandig uit mijn burn-out bleek te kunnen klimmen, werd het voor het eerst stil in mijn hoofd. Zaaaaaalig stil. Totaaaal stil. Ik voelde niet meer de behoefte om het leven voortdurend in me op te nemen, om het te analyseren en in een verhaal te proppen. Ik kon volledig genoegen nemen met een avond op de bank met de tv aan. Ook nóg een avond, en nog een. Tot ik mij realiseerde dat ik niet meer schreef en, erger nog, dat ik het niet eens míste. Ik vroeg me af wat mij eigenlijk mij maakte en ik werd doodsbang van de gedachte dat ik precies dát nou juist weg had geslikt met een dagelijkse pil. Mij.

Als we alles afzetten tegen de norm van de meerderheid, vallen er veel mensen buiten de boot. Het is een goede manier om de mensheid beter te begrijpen maar het doet ook tekort. Als we op deze manier tegen de mensheid aankijken groeit het geloof dat er één type mens is, namelijk een mens met een gemiddeld intelligentieniveau, een goed functionerend lichaam, een gezonde emotionele balans, een normaal uithoudingsvermogen, een normaal concentratievermogen. Ken u deze mens?

Het is mooi dat we zoveel weten, wat we kunnen afzetten tegen het gemiddelde, zodat we aan de bel kunnen hangen als iets dreigt mis te gaan. Maar het is toch niet absoluut? Normaal betekent toch niet ineens; meest wenselijk, of ideaal? Wordt het niet tijd dat we ons realiseren dat we met 7.515.753.839 mensen op aarde zijn, van wie er geen 2 gelijk?

 

 

 

Schaamte en vooroordeel

Het niet hebben van vooroordelen is best lastig. We hebben ze immers niet voor niets. Mensen categoriseren geeft overzicht. Het stelt gerust enigszins te snappen wie we tegenover ons hebben. Ik betrap mijzelf er met enige regelmaat op; ik dacht dat iemand dan ook wel zus en zo zou zijn, aangezien hij al had laten zien van dit en dat te houden en bovendien ja, met díe ogen, díe blik had ik meteen al in de gaten dat het dan wel zo ongeveer die kant uit zou gaan. Je snapt het. Ik zit er regelmatig naast. Wat zeg ik, ik zit er bijna altijd naast. Hoe fijn!

In de winkel gebeurt het soms sneller dan ik met mijn ogen heb geknipperd. Op basis van uiterlijk, een oogopslag, een tas heb ik al geconcludeerd dat iemand komt vragen naar bv. chicklit, wat we niet verkopen. Ik maak me klaar om antwoord te gaan geven op de te verwachte vraag (Waar heb je Jill Mansell?) en dan rolt er uit zo’n mond: hebben jullie alléén De Idioot van Dostojevski op voorraad? Kortsluiting.

Schaamte overvalt me altijd direct. Ik voel me dom. Zó dom, omdat ik pas op dát moment in de gaten heb dat ik het al dacht te weten. Maar de schaamte wordt altijd direct opgevolgd door opluchting omdat eigenlijk niets fijner is dan de realisatie dat de medemens je blijft verrassen. Dat we dus met z’n allen níet zo zijn zoals we denken te denken, maar altijd weer anders. Iedereen is altijd weer anders en jij, de ander, weet daar eigenlijk geen zak van af. Hoezee.

Dat Brusselmans dus helemaal los gaat over Anouk is dus op geen enkele manier een belediging voor Anouk. Op geen enkele. En ik hoop dat ze in staat is dat te zien. Brusselmans gebruikt een betaalde plek, namelijk een column in de Nieuwe Revu, om alles wat hij denkt te weten over Anouk neer te kwakken op de meest beledigende wijze die hij heeft kunnen bedenken. Over haar afkomst, over haar ouders, over haar partnerkeuze en de keuze voor haar kinderen. En al die stappen in haar leven vult hij in op de meest clichéachtige wijze die je maar kúnt bedenken. Ongeveer zo; achterbuurtvolk is trash, wegloopkinderen hebben het verdiend, verschillende vaders voor je kinderen is achterlijk. En dat is werkelijk zo’n beperkte levensvisie dat het eigenlijk hilarisch is.

Als het niet intens jammer zou zijn geweest. Want natuurlijk gaat het nog verder dan dat. Het al hebben van vooroordelen ervaar ikzelf als uitermate beperkt. Ze uitspreken is beledigend en onnodig. Maar je positie als kunstenaar inzetten om ze publiekelijk tentoon te spreiden, omdat het kán, dat maakt de wereld een lelijkere plek. En dat is eigenlijk heel erg verdrietig.

 

Doodgaan is niet altijd even leuk

Er zat een jonge merel in de tuin vanmorgen. Ik kon nog net op tijd mijn honden, die graag voetballen met alles wat weerloos is, binnen houden.

Hij zat tegen een muurtje aan en had zichzelf, de grond en het muurtje onder gescheten, wat ik knap vond en ook zielig. Er waren kennelijk al wat bange minuten verstreken voor ik de achterdeur had opengegooid. Ik moest meteen denken aan mijn vorige jonge- merel-in-de-tuin-ervaring, een jaar of drie geleden. Toen had ik, in een tamelijk ondoordacht moment vol moedergevoelens, direct een doosje paraat waar ik hem meelevend in tilde. Na twee minuten stond ik ook nog met een enorme spa regenwormen uit de kleigrond te scheppen. Het jong beliefde geen regenwormen en ook voor Brinta haalde hij zijn neus op. Zelfs als ik het er met een eigengemaakt trechtertje probeerde in te gieten. Inwendig groeide de paniek, bij mij welteverstaan. Ik bleef op om hem nogal opzichtig met rust te laten, toe te dekken, zachte woordjes toe te fluisteren, water te voeren. Niks hielp. De volgende ochtend belde ik de dierenambulance. De vriendelijke medewerkster slaakte een diepe zucht nadat ze mijn verhaal had aangehoord. Ik had hem niet moeten oppakken, jonge merels worden nu eenmaal uit het nest gedonderd als pa en ma er genoeg van hebben. Hij moest het zelf doen. Of me niet was opgevallen dat pa en ma nog in de buurt waren? Ik keek over mijn koffiekop heen naar buiten waar op de linker schutting een bruine merel, en op de rechter een zwarte zat. Schaamte. Ik besloot hem terug te zetten op het schuurdak, een veilige plek tegen poezen, zo leek me. Minder veilig tegen vallen echter. Na een uur lag het jong, gewond nu, op de grond te krijsen. Pa en ma keken me verwijtend aan. Nog meer schaamte. De rest durf ik hier niet te vertellen. Maar het ging er bloedig en piepend aan toe en eindigde met een kruisje in de tuin en ik die stiekem en zenuwachtig een sigaret rookte.

Daar dacht ik dus aan toen ik vanmorgen het jong zag zitten. Ik haalde het dus niet in mijn hoofd het beest op te pakken maar wenste pa-merel op de schutting veel succes en fietste naar mijn werk. (Ja. Zoon geappt: houd de honden binnen!) Toen ik thuiskwam lag het jong in de GFT-bak. Niemand hoefde te huilen.

Ik vraag me af waar het mis is gegaan. Hebben de ouders hun kind te vroeg uit het nest gelazerd? Was het kind gewoon de zwakke schakel van het gezin die niet op eigen benen bleek te kunnen staan, niet nu en niet ooit? Of, en ik pleit voor deze optie, was het gewoon een kwestie van vette pech, namelijk verkeerd terecht gekomen omdat er juist op het moment van springen (de landing bedóeld op het zachte gras) een aardig zuiderwindje aansterkte die net onder de vleugels greep waardoor de linker brak en het arme jong met zijn volle gewicht op zijn rechter terecht kwam en daarmee gedoemd was een langzame en toch wel behoorlijk vernederde dood tegemoet te treden. En is het dan in zo’n geval beter om te worden opgeraapt door een idioot die alles uit de kast trekt om je te redden, inclusief kusjes op je snaveltje óf kun je beter met rust gelaten worden en sterven terwijl je je pa en ma vanaf de schutting ziet toekijken? Precies ja, dat bedoel ik. Ik kan weer slapen vannacht. Welterusten.

De macht van de (gepubliceerde) mening

Als boekverkoper lees ik wekelijks de boekrecensies in de kranten. Op verzoek van klanten in de winkel, zoek ik nog wel eens een online-recensie op. Ik kijk vrijwel nooit naar DWDD met uitzondering van de maandelijkse boekenaflevering. Immers, de mening van Matthijs télt. Boek van de maand bij DWDD betekent vrijwel hetzelfde als bestseller. In elk geval dan toch de gehele week na de uitzending, meestal langer. Vier of vijf sterren / bollen betekent dat de vraag in de winkel naar het boek vanaf die dag zal toenemen. Maar wat betekent een recensie nou eigenlijk en is het eigenlijk niet veel meer dan een (vaak slordig en ongefundeerde) mening van de recensent?

Vriend en medisch-militair historicus Leo van Bergen kwam een aantal weken geleden weken zuchtend bij me op de thee. Hij had van ‘Medisch Contact’ het verzoek gekregen een recensie te schrijven over het nieuwe boek van Ad van Liempt en Margot van Kooten ‘Hier om te helpen’ (Balans) maar mocht slechts 300 woorden besteden aan zijn stukje.

Hier om te helpen’ gaat over 150 jaar geschiedenis van het Nederlandse Rode Kruis, een onderwerp waarin Van Bergen (als een van de weinigen) nogal thuis is. Van Liempt en Van Kooten hebben zijn werk gelezen, althans dat beweren ze. Het staat in elk geval genoemd in de literatuurlijst en hij wordt eenmaal aangehaald in het boek. ‘Maar er klopt geen zak van’, ergert Leo zich. Feiten zijn verkeerd geïnterpreteerd, sommige domweg foutief, en er wordt behoorlijk selectief door de 150 jaar geschiedenis van het Rode Kruis heen gebanjerd waardoor het eindresultaat op zijn zachtst gezegd ‘onzorgvuldig’ is te noemen.

Hetzelfde boek krijgt op zaterdag 10 juni jl. van wetenschapsjournalist-met-een-hekel-aan-slappe-meningen (zo zegt hij zelf op zijn website) Marcel Hulspas in De Volkskrant 5 sterren. Als ik de mening van Van Bergen niet zou kennen, zou de lovende recensie van Hulspas me direct naar de boekhandel doen rennen. Maar wie is Hulspas nou helemaal in dit verhaal? Een wetenschapsjournalist die zelf o.a. schrijft over het Midden Oosten en alle vraagstukken daaromtrent. Geen medisch of militair historicus in elk geval. Vandaar ook dat hij inhoudelijk niet kán beoordelen of de feiten juist zijn of niet en dat is als recensent zijn taak ook niet. Hij is er terecht vanuit gegaan dat de auteurs en de uitgeverij hun werk inhoudelijk goed hebben gedaan. Hij beoordeelt het eindresultaat op de indruk die het boek achterlaat op een leek, namelijk historisch, accuraat, wel onderzocht en volledig.

Ik vraag mij wel vaker af of de recensent het besproken boek wel werkelijk helemaal heeft gelezen, en ik krijg regelmatig de indruk dat het lastig gevonden wordt om een negatieve recensie te schrijven over een auteur die al geboekt is voor alle literaire podia van het lopende seizoen. En dan heb ik het nog niet gehad over de keuze van het boek, zoals u weet gaat de grote meerderheid van de recensies over boeken die zijn uitgegeven rondom de gouden grachtengordel. Wat u bijna het idee zou kunnen geven dat dat de enige uitgeverijen zijn die goede boeken maken.

Het is een mening, niet meer en niet minder dan dat. Een mening van iemand van wie je kunt aannemen veel te lezen. Zo veel misschien wel dat de kans groot is dat hij/zij een andere kijk heeft op de beleving van goede literatuur dan u en ik. Deze mening kunt u mee laten wegen in de keuze voor een boek. Een andere mening die u kunt overwegen aan te horen voordat u tot aanschaf van een nieuw boek overgaat, is die van iemand die u kent en die van dezelfde boeken houdt als uzelf. En dan hebben we nog de boekverkoper, die alles leest en die geen hekel heeft aan slappe meningen. Omdat ze begrijpt dat je alleen een sterke mening moet hebben over onderwerpen waar je verdomd veel vanaf weet.