Tinder

Na een aantal dagen opgesloten te hebben gezeten in mijn schrijfhok om de eerste versie van mijn afstudeerwerk voor de Schrijversvakschool afgerond te krijgen, installeerde ik gisteravond Tinder op mijn telefoon. De schaamte overviel me direct, dus toen werd het pas echt interessant.

Ik schonk mezelf een groot glas witte wijn in en nestelde me op de bank. Ik had Tinder tot nog toe gemeden. Ok toegegeven, ooit een keer eerder geïnstalleerd, daar een vette date uitgehaald die meteen uitliep op een romance, die liefde bleek en eindig en verwijderbaar. Dat was al weer lang geleden. Ik beschouw mijzelf niet als iemand die op zoek is naar een nieuwe liefde in haar leven, dus waarom dan toch Heidi? Waarom?

Het instellen van mijn profiel op zich vond ik al een akelige bezigheid. Nu moest ik ineens bewust gaan nadenken wat ik dan zocht, als ik dan toch iets zocht. En hoe wilde ik mijzelf tentoonspreiden, nog vreselijker. Een mooie foto geeft me altijd de zenuwen omdat ik dan hoogstwaarschijnlijk ontzettend teleurstel in het echte leven. Maar er is geen goede reden te bedenken om een stomme foto van jezelf de wereld in te sturen. Als dat klusje is geklaard, krijg ik vanzelf te zien wie er allemaal beschikbaar is. De schaamte groeit me tot over de oren. Dat ik al die mannen zomaar zit te bekijken en ze één voor één het beeld uitveeg, geeft me een akelig gevoel. Ik ben me er ook nogal van bewust dat ikzelf dus ook zo in beeld ben. Alsof ik naakt door de stad loop met een bord boven mijn blote billen: wie wil mij?

Uiteraard kom ik vrij snel mijn ex tegen. De man die ik zo lang mijn liefje noemde, met wie ik een leven heb gedeeld, die biedt zich hier dus ook aan. Ik weet dat het voyeurisme voor veel mensen een aantrekkelijke bezigheid is, maar ik voel me er uiterst ongemakkelijk bij. Heb bijna de neiging om alle bekenden die ik tegenkom op te bellen om sorry te zeggen: sorry lieve die en die dat ik je tegenkom, zullen we voor altijd doen alsof we elkaar niet hebben gezien?

Want nu weet ik dus iets van een ander wat ik eerder niet wist, namelijk dat diegene op zoek is naar iemand. Ik weet het nu van de man die in het filmhuis werkt, van een vaste klant in de winkel, van mijn ex man, van de directeur van een bouwbedrijf, van die gast die ik zo vaak zie fietsen. En wilde ik dat nou persé weten? Nee niet persé, of dan in elk geval niet doordat ze nu allemaal een bord om hebben hangen waarop beschikbaar staat. En erger nog, al die mannen denken nu ook van mij dat ik beschikbaar ben. Maar ik wil helemaal niet beschikbaar zijn! Alsof iemand ons nu zo bij elkaar zou kunnen zetten; zo dat ook weer geregeld. Ik krijg er jeuk van.

Aan het einde van de avond krijg ik een bericht van Tinder dat meer dan 99 mannen me leuk vinden, als ik nu upgrade kan ik meteen zien wie het allemaal zijn. Dan kan ik mijzelf een hoop tijd besparen en direct uitzoeken wie ik het liefst heb voor Pasen. Ik verwijder de app, maar niet voor ik die ene gast even mijn nummer heb gegeven. Dan ga ik nog even de tuin in om naar de sterren te kijken. De lente hangt in de lucht. Dat zal het wel zijn.

Ziek

Mijn therapeut zei een keer tegen me dat ik trekken van Borderline vertoon. Meteen daarop hield hij zijn vingertje waarschuwend in de lucht en zei: Ho ho Heidi, trékken, zei ik he, ik zei dus níet dat je Bordeline hèbt. Waar hij op doelde waren mijn snelle ups en downs: even is alles kut, dan zie ik de zon schijnen en hopsakee, ik zie het leven weer zitten.

Jammer genoeg werkt het omgekeerd soms ook zo.

Nu heel Nederland van de griep is genezen, ben ik aan de beurt. Ik lig in bed en staar naar het plafond. Soms lees ik in Rijnevelds debuutroman ‘De avond is ongemak’ en voel mij daarna mogelijkerwijs nog beroerder. Ik had de recensies natuurlijk al gelezen, want daar was geen ontkomen aan, de één nog jubelender dan de andere. Rijneveld trad een aantal jaar geleden het literaire veld binnen, werd stante pede van de Schrijversvakschool gestuurd omdat ze al klaar leek te zijn voor ze was begonnen, smeet een bundel de wereld in met haar vierentwintig jonge jaren en won daarmee alle haalbare literaire prijzen. Onlangs verscheen dus haar debuutroman die zo veel aandacht kreeg, dat ik er een beetje chagrijnig van werd. Ik was níet jaloers, want jaloezie is niet voor mij. Dacht ik dus, totdat ik begon aan de eerste pagina en mijzelf betrapte op de vernietigende gedachte; ik hoop dat het een kutboek is. Jaloers dus, ook dat nog. Juist nu ik helemaal volwassen ben en zen met mezelf en wat al niet meer van dat.

Tussen de hoofpijnen, de koortsaanvallen en de totale misère door verslind ik het boek, want het is dus prachtig, echt verdomde mooi.

Als ik niet lees, slaap of kots dan zit ik in bed met mijn telefoon te klungelen. Woordje leggen op Wordfeud (met mijn moeder), op Facebook ontdekken wie er allemaal succesvoller is dan ik (iedereen). Belangrijke zaken kopen op Marktplaats (schoenen). En zien wie mij appt en wie niet en waarom dan wel niet. Ziek laat ik mij van mijn meest pathetische kant zien. Ik constateer het zelf ook voortdurend en vraag mijzelf dan ook met enige regelmaat daarmee op te houden. Het is een aaneenschakeling van niet meer weten hoe te liggen, naar de wc strompelen, mijn teen stoten aan het verdomde badkamerdrempeltje, thee zetten, in bed kruipen, de doorligwonden ontwijken, mijn telefoon pakken, mezelf vervloeken, een slok thee nemen, mijn bek verbranden, vloeken, naar de badkamer strompelen voor een slokje koud water, over het verdomde badkamerdrempeltje struikelen, vloeken, terug naar bed gaan, mijn telefoon oppakken, mijzelf vervloeken, de telefoon naar het andere eind van de kamer smijten, omdraaien, de doorligwonden vermijden, en in slaap vallen.

Als ik wakker word, begint de ellende gewoon weer opnieuw.

Vanmiddag drong de constatering van mijn therapeut nog eens tot mij door. Ik dacht daarbij ook aan vriend R. met wie ik een fijne winterlange telefoonrelatie heb gehad en die een keer tussen neus en lippen door zei; als ik loop te zeuren, moet jij alleen maar lachen en dan ben je zo uit de put. Daar moest ik over nadenken nadat we hadden opgehangen en hij had gelijk. Het Bordeline-effect dus, hop erin (de put), maar ook hop eruit. Jammer genoeg maakte hij kort daarna een einde aan ons met de legendarische woorden: ik houd niet van gezeur. Ik bedenk me nu pas dat hij daarmee alleen zijn eigen gezeur kan hebben bedoeld. Ik ben zelf persoonlijk ook niet zo dol op gezeur, van een ander kan ik het wel verdragen maar dat van mijzelf komt me al snel de neus uit. Het werd dus wel tijd voor het Bordeline-effect.

Met dat voornemen hees ik mijzelf vanmiddag uit bed. Hondlief sprong een gat in de mand toen ze zag dat we er heus op uit gingen. Ik was vastberaden op zoek te gaan naar iets positiefs, iets lachwekkend, iets waardoor ik hop- uit de put zou komen. De lucht was grijs, daar moest ik het niet van hebben. Ik stalde mijn fiets bij de Waal, en klom over het hek de weilanden in. Hondlief rende er meteen vandoor. Ik probeerde te roepen maar bleef hangen in een hoestbui. Hond weg. Ik liep moedig door, ondanks de blubber waar ik tot mijn knieën in wegzakte. Halverwege begon het te regenen. Ik schuilde onder een boom, waar direct de bliksem in sloeg. Een grote tak viel naast me neer, dat was mazzel – dat moet ik toegeven, maar ik kon er toch niet om lachen. Een beetje aangedaan liep ik terug naar de fiets, die ik met lege achterband aantrof.

Thuis had ik net de pakketbezorger met mijn nieuwe schoenen gemist. Voor ik teleurgesteld mijn bed in kroop stootte ik nog even snoeihard mijn teen aan het badkamerdrempeltje. Ik kon het niet opbrengen de teen te verbinden en kroop bloedend mijn bed in.

Na twee uur werd ik wakker. De koorts was gezakt, de hond lag lief tegen me aan. Ik las verder in dat prachtige boek en liet de tijd verstrijken. Vanuit de hoek van mijn slaapkamer bromde mijn telefoon. De favoriete man in mijn leven appte dat hij thuis kwam eten, er zaten hartjes bij, wat ook kan betekenen dat de stufi al op is maar daar dacht ik nu mooi niet aan. Kort daarop kwam mijn dochter zingend het huis binnen, of ze haar haren even mocht verven, blauw dit keer. Ze zette de muziek aan en trok in één beweging mijn gordijnen open. Een bak zonlicht viel op mijn bed, gratis en voor niks. Mijn hoofdpijn was gezakt en iemand had een kopje thee naast me neergezet. Ik kon wel eens even een nieuw stukkie schrijven. De lucht was geklaard. Hop.

Het Boekenbal

Vriend F. kwam een paar weken geleden bij me op bezoek met broodjes en zijn dochter. We aten tussen de boeken in de winkel. Het was rustig. Misschien heb ik iets leuks voor je, zei hij tussen twee happen spinaziebrood van de Turk door. Ik houd van leuks en ook van misschien. Misschien biedt perspectieven. Ik houd van perspectieven. Ik humde met volle mond en plaatste daar een vraagteken achter. Misschien kunnen we naar het Boekenbal, zei hij.

De eerste keer dat ik op het Boekenbal was, moet in 1995 zijn geweest. Twintig jaar schoon aan de haak. Een spijkerrokje en kistjes. Een pakje halfzware Drum in mijn kontzak. Chic hing nog niet in mijn kast. Ik kon naar binnen omdat mijn vriendin met de vormgeversopleiding de aankleding van het feestje had verzorgd. Van het Boekenbal had ik tot die avond nog nooit gehoord maar ik las wel alles wat los en vast zat en schreef haar, diezelfde vriendin, eindeloze brieven als ik op reis was. Reden genoeg om mij mee te nemen naar het bal.

Een beetje kouwe kak vond ik het, maar er werd goed gedraaid en er was gratis bubbels en bier. We dansten de avond door. Een knul met een flinke bos krullen zat achter me aan, maar ik had een vriendje die thuis op me wachtte en was altijd al een trouwe hond, dus liet ik hem links liggen. Ergens in de wandelgangen raakten we toch in gesprek. Wat lees je? vroeg hij. Ik hing een beetje verveeld op de trap, wilde roken of dansen maar bleef toch ondertussen ook wel hangen bij die gast met die enorme bos krullen. Blauwe maandagen, zei ik. Ik was ongeveer halverwege en vond het een lekker boek. Ja daaag, zei de krullenbol en lachte me uit. De lol ontging me. Waar ben je dan? En hoewel ik niet begreep waarom hij wilde weten waar in het boek ik gebleven was, vertelde ik hem precies wat er net was gebeurd, wat ik er mooi aan vond, wat ik niet snapte en hoe ik dacht dat het zou verder gaan. Tot mijn stomme verbazing zei hij de volgende bladzijde uit zijn hoofd op en ik dacht alleen maar dat het toevallig was dat we nou net hetzelfde boek aan het lezen waren. Toen gingen we maar snel dansen en bier halen voor het allemaal alweer voorbij zou zijn. Ik had veel haast in die tijd.

Bij de garderobe was het leeg. De meeste dingen die je kwijt kunt raken, was ik ook kwijt geraakt. Mijn vriendin, mijn garderobekaartje en een sok. De krullenbol pakte mijn hand vast, fluisterde in mijn oor dat er een taxi klaarstond, dat die jas morgen wel zou komen. Maar ik schudde verlegen mijn hoofd, dacht aan mijn vriendje thuis op mijn studentenkamer en mijn vriendin ergens in de buurt en zwaaide de krullenbol uit om aan de eerste te blijven denken en de tweede te vinden.

We sliepen in Osdorp. Ik weet niet meer hoe we er zijn gekomen, wel dat deze vrienden de eersten waren die samenwoonden en dat ze een douchecabine op het aanrecht hadden, maar dat terzijde. Mijn vriendin en ik lagen op de bank met doorlopen make-up en pijnlijke voeten, te fluisteren over de nacht. Voor we het licht uitdeden las ik nog een bladzijde om tot rust te komen. Bij het wegleggen van het boek keek ik recht in de ogen van de krullenbol die ik de hele avond Arnold had genoemd.

Ieder jaar komt het Boekenbal wel even ter sprake, in de winkel, op school, met collega-schrijvers. Wie mag al gaan en wie nog niet? Op een dag ga ik, maar alleen met een uitnodiging op naam in mijn hand, liefst in een gouden wikkel. Tot die tijd moet ik nog even doorwerken.

Op woensdag voor het bal appte F. me. Ik zat op de hei te werken aan mijn nieuwe roman. De vorige is ongepubliceerd in een lade verdwenen. We moeten nu beslissen. Jij mag het zeggen. Gaan we of gaan we niet? Ik dacht aan dat bal, waar ik niets in te brengen zou hebben. Waar ik alleen maar zou kunnen denken aan het boek dat ik aan het schrijven ben en dat nog niet af is, nog niet goed genoeg. Nèh, appte ik terug, lama zitten. Kom je logeren met de kinderen? Ik kook, jij brengt wijn.

 

 

Alleen

Ik heb mij verschanst in een huisje in het bos om aan een nieuw verhaal te werken. Ik doe dit een aantal keer per jaar en weet inmiddels dat ik de eerste vierentwintig uur vooral met mijzelf en de eenzaamheid die in mij huist, in gevecht moet. Die strijd heb ik inmiddels volbracht. De weergoden zijn mij goedgezind. Bij somber weer wil die eerste gevechtsfase zich nog wel eens uitbreiden naar achtenveertig uur en dat is niet alleen pijnlijk maar ook jammer aangezien mijn schrijftijd kostbaar en zeldzaam is.

Voorafgaand aan mijn intrek in de boshut bezocht ik een oude liefde, eentje die ik verwoed had gepoogd in comateuze toestand te krijgen maar die zich niet liet omleggen. Toen ik binnen kwam stonden de kok en zijn maat driftig de keuken te dweilen, wat grappig was omdat het water aan het andere eind van de keuken uit twee leidingen tegelijkertijd spoot. Er moest een mannetje worden gebeld die kwam, een toverspreuk uitsprak over de leidingen en haar missende dopjes, en toen werd het droog. We aten, dronken en rookten ons met dikke sigaren prettig door de avond heen, lieten elkaar nieuw werk uit eigen koker horen, zien en proeven en de oude liefde en ikzelf schoven met het grootste gemak weer wat dichter naar elkaar. ’s Nachts reed ik naar huis in de wetenschap dat ik mijn gevechtsfase dan wel met een avond kon hebben uitgesteld maar dat die zich nu evengoed zou aandienen, waar mogelijk een stukje steviger nog na het weerzien van de liefde.

In het leven van alledag heb ik het druk genoeg om mij vooral bezig te houden met het leven zelf en alles wat daarbij komt kijken. Werk, kinderen, de klok die tikt, mijn agenda die me voorschrijft waar ik wanneer moet zijn en mijn lijf die aangeeft wanneer het genoeg is. Mijn dagen rijgen zich aan elkaar gevuld met succeservaringen, dieptepunten, sleur, extase, eten en slapen. Tussendoor sleep ik mijn hond langs de oevers van de Waal om geestelijk te kunnen bijbenen wat er zich werkelijk allemaal heeft afgespeeld. Niet zelden samen met een dierbare vriend of vriendin zet ik een flinke boom op langs die kale oevers om alles nog zo’n beetje te kunnen blijven begrijpen. Zo kom ik mijn tijd door.

Wanneer ik mij terugtrek in een boshut is er ineens niets meer. Geen klok, geen verplichtingen, geen werk, geen dierbaren. Ikzelf ben alom aanwezig in het alleen zijn. Alle zaken die ik in mijn dagelijkse leven wel heb áángestipt, die ik wel heb uítgepluisd en begrépen, waar ik beslissingen op heb gebaseerd en waarmee ik koers heb bepaald, lijken pas dán in te zinken tot in alle puntjes van mijn ledematen. Hoewel ik mijzelf in mijn leven intens rijk bedeeld vind met de mensen die ik heb, hier in de boshut weet ik mij alleen. En dat is niet erg, maar ook niet altijd fijn. Want in alles wat ik doe, ben ik daar zelf bij. Ikzelf en alles wat ik in mij draag; het grote verlangen naar eerlijk en liefdevol contact met de ander, de angst die dat dan weer in de weg staat. En alleen hier in de boshut, ontkom ik er niet meer aan en kan ik slechts aankijken die spoken, recht in de bek, en proberen op te ruimen.

En ja, je zou er zat van kunnen worden want soms lijkt het dweilen met de kraan open. Alles wat we bij ons dragen; wat we onszelf hebben aangedaan of hebben laten aandoen. Mijn littekens maken met grote regelmaat dat ik mij gedraag als een angstige idioot en niet als de in-balans-zijnde-vrouw die ik óók ben. Maar dan ineens komt er een mannetje, in de vorm van inzicht, groei, berusting, liefde en acceptatie, die een toverspreuk uitspreekt over mijn leidingen en al haar missende dopjes, de zon laat schijnen en mij weer zin geeft in een nieuwe dag.

 

Loslaten II

Ik had een schoonmoeder die iedere keer als ze mijn kinderen zag, riep: Ooh neee, wat zijn ze al groot! Groot worden klonk uit haar mond altijd als iets wat je niet wilde en waarvan je zeker niet wilde dat je kinderen het ooit werden. De behoefte mijn kinderen klein te houden was mij echter totaal onbekend. Ik ervoer het als een prettig afgestemd proces, dat groeien van mijn kinderen. Ze hadden dan ook allebei een perfecte timing; juist als ik wel klaar was met dat gesleep, gingen ze lopen, als ik genoeg had van het blokken bouwen, gingen ze naar school, als ik es alleen op de bank wilde zitten, gingen ze op stap. Prima geregeld, leek me. Mijn schoonmoeder was niet de enige met de behoefte de kinderen wat langer klein te houden. Menig ouder keek aan het begin van het nieuwe schooljaar met weemoed naar de juf van het vorige jaar, díe waar het kind dus nu níet meer naartoe ging. och het gaat zó snel, en ja dat is ook waar. Het was niet dat ik dat niet in de gaten had, dat het allemaal zo snel ging, het verschil was alleen dat ik dacht: heerlijk hè, hopsakee en dóór!

Afgelopen zaterdag verhuisden we zoon naar een studentenkamer in een andere stad. Vader van zoon stond om half tien op de stoep. Ik had voor de gelegenheid leuke verhuismuziekjes verzameld, die we draaiden zonder rekening met de buren te houden. We aten chocolade donuts. Het was een gezellige boel. We bedachten dat het eigenlijk de eerste gezellige boel met ons drieën was sinds vader zestien jaar geleden vertrok. Dat vonden we grappig.

De hele dag bleef dat gevoel dat ik zo goed kende (heerlijk-hopsakee-en-door) hangen. We waren er immers allebei zo lekker klaar voor, de zoon en ik. We hadden zin in deze nieuwe fase, de zoon en ik, en het leek alleen maar fantastisch dat de klus zo goed geklaard was, de zoon. Alles páste ook gewoon in een keer. Het paste door de deur, het paste in de bus en het paste in het nieuwe huis. Hopsakee-en-door.

Aan het einde van de middag zwaaide ik mijn jongen uit. Hij stond in zijn nieuwe deuropening, zijn hand losjes tegen zijn nieuwe deurpost. Er scheen een waterig zonnetje op zijn snoet. Ik wist niet zeker of het een man was, daar in die deuropening, of een jongen nog.

Thuis ging ik even in de jongenskamer liggen. De lege jongenskamer waar alleen spullen waren achtergebleven die de jongen niet meer beliefde. Het was stil in huis. Ik dacht aan de column de ik onlangs schreef over loslaten en wist dat het er nu dan toch echt van moest komen.

Loslaten kan alleen als je ooit hebt vastgehouden. Ik heb mijn jongen vastgehouden. Vaak en veel. Ik heb hem gebaard, gezoogd, gevoed, geknuffeld, gekust, gedragen, omarmd, opgevangen, aangehaald. Hij heeft mij ook omarmd, geknuffeld, gekust, opgevangen en aangehaald. En meer. Wat al niet meer? En nu is zijn kamer leeg. Ik weet dat hij vlakbij woont en dat we elkaar gemakkelijk kunnen opzoeken. Dat hij voor altijd mijn jongen is en ik voor altijd zijn moeder, maar hij woont niet meer onder mijn dak en dat maakt toch dat ik voor het eerst wil dat het even nog niet zo is.  Want ik mis hem in mijn huis.

Ik mis het geluid van de douche die te lang blijft lopen en het gestamp dat volgde op het feit dat ik in de keuken de warme kraan even pesterig opendraaide. Ik mis de etensresten op het aanrechtblad, de pisdruppels op de wc-bril, de doorweekte douchemat. Ik mis de muziek uit de boxen, uit de tv, uit de koptelefoon. Ik mis zelfs de Simsons, Comedy Central en fucking Modern Family. Ik mis dat; mam, heb je wel eens gehoord van de fundamentele theorie en zal ik hem even uitleggen, om elf uur ’s avonds. Ik mis dat; aah zet jij ff een bakkie, moes? Kun je wat geld missen? Zal ik ff koken vanavond? Zullen we stiekem een peukje doen? Kan ik je fiets lenen? Kunnen we niet eens normáál eten?

Loslaten kan alleen als je ooit hebt vastgehouden. Maar het kan ook tegelijk.

Hopsakee en door.

Of ik een vibrator heb,

vraagt A. me. We zijn vrouwen van veertig, de één er net boven – de ander er net onder, en zijn een avond op stap. Dat vergt geregel; gesleep met kinderen, overleg met mannen, en oppas en dus komt het niet zo vaak voor. Nu wel, vanavond wel. We gaan dansen.

Voor de muziek dansbaar is, drinken we bier uit flesjes in de lobby. Omdat ik kort tevoren een afspraak had met een man wiens naam ze nog niet kennen, willen de meisjes weten of ik met hem naar bed ga. En als niet, waarom niet en wanneer dan wel. Daarna volgt de titel-vraag, bij wijze van grapje. Vrouwen zijn niet veel anders dan mannen met een biertje op in de kroeg, althans mijn vrouwen niet. Ik beantwoord de vraag en stel hem terug. De kring wordt ineens een stuk stiller. Misschien was het niet de bedoeling dat ik werkelijk antwoord gaf op de vraag. Ik blijk de enige te zijn met een vibrator in mijn nachtkastje.

Het is gemakkelijk te veronderstellen dat dit komt omdat ik de enige vrijgezelle vrouw ben in het gezelschap. Dit zou echter impliceren dat de vibrator een vervanger is van de afwezige bedpartner en dat slaat natuurlijk nergens op. Een bedpartner heeft namelijk, naast een geslacht, ook een lichaam een geest en een ziel. Van het geheel komen warmte, duizend en één onuitgesproken woorden en (met een beetje mazzel) een dosis liefde vrij. Zaken waar mijn vibrator nog steeds niet toe in staat is gebleken. Het veronderstelt nog iets anders, namelijk dat er bij het aanwezig zijn van een bedpartner ook werkelijk sprake is van een seksuele relatie. Dat laatste blijkt ook al niet te kloppen. Ze lachen erom maar de een na de ander geeft toe dat het seksleven, sinds de komst van de kinderen, sinds de berg was alleen nog maar lijkt te groeien, sinds de verbouwing is gestart, sinds de promotie van A, B t/m Z, sinds sinds sinds, eigenlijk op een laag pitje staat, als er überhaupt nog een pitje brandt. Ik blijk, als enige vrijgezelle vrouw in het gezelschap de meeste seks te hebben, met mijzelf weliswaar maar toch; het verbaast me.

Waarom eigenlijk niet, vraag ik. Waarom zou je het bevredigen van je seksuele behoeften to-taal in de handen van een ander leggen? Is dat niet vreemd? Ben je niet, bij alles, in eerste instantie zélf verantwoordelijk voor je welbevinden?

Precies! Omdat dus gedacht wordt dat de vibrator een vervanger is van de bedpartner. Je bedpartner zou wel eens beledigd kunnen zijn als je ineens in de weer gaat met een stuk plastic. Of; omdat je eigenlijk tevreden zou moeten zijn met je bedpartner, aangezien je zo van hem/haar houdt of; omdat het in eigen handen nemen (haha) van het welbevinden van je lijf gewoonweg níet bij je is opgekomen. Dat kan ook.

Een aantal maanden geleden las ik een stuk in de krant over zelfbevrediging. (Ik heb gezocht maar kan het online nergens meer terug vinden, ik meen dat het stond in het Volkskrantmagazine, excuses dus voor het achterwege laten van de bron.) De journalist raadde iedere vrouw een vibrator aan. Niet alleen omdat het nogal van belang is voor je welbevinden om in contact te blijven met je eigen lichaam, omdat het niet nodig is je volledig afhankelijk te maken voor het bevredigen van je seksuele behoeftes van je bedpartner maar vooral omdat het in ieders voordeel is als je je eigen lijf heel goed kent. Zelfbevrediging is nu eenmaal de enige weg daarnaartoe. En hoe wil je in godsmaan goede seks hebben met je partner als je je eigen lijf maar zo half om half kent? Je bedpartner zal je uiteindelijk dankbaar zijn, schreef ze, en dat geloof ik ook.

Wat misschien begon als een grappig bedoelde opmerking werd een interessant gesprek. Uit de andere zaal begon de stampende muziek zich langzaam maar zeker aan ons op te dringen. Er moest gedanst worden. Bij de toiletten viel me op hoe mooi we zijn, wij veertigers. Jonge meiden staan hun make up strak bij te werken voor de spiegel, hun truitjes recht te trekken. Wij zijn de enigen zonder pan cake, merkt F. op, en dat klopt, onze huid begint dan al aardig wat verouderingstrekken te vertonen, we hebben haar in elk geval niet bedekt onder een laag poeder. Dat doet toch goed.

We gaan dansen. De dj’s zijn twee heren die ook hun beste tijd al hebben gehad. Ze draaien de plaatjes wel maar wisselen iedere keer vlak voor het hoogtepunt van beat, waardoor de hele opbouw weer van voren af aan kan beginnen. Na twee uurtjes gaan we naar huis, schaterend, in onze broek pissend van het lachen. In de parkeergarage maken we nog even een dansje bij de fietsen. Sommige dingen kun je nu eenmaal beter (ook) even zelf doen, zo nu en dan.

 

Loslaten

Ik was bijzonder verdrietig. Echt níet normaal verdrietig en ik wist niet goed waarom. Ja natuurlijk wist ik wel dat er een man was die alle registers van mijn hart had opengetrokken, er even naar had gekeken en toen was weggelopen, maar moest ik dáár zo verdrietig over zijn? Ik had nauwelijks de kans gekregen deze man te leren kennen, ik was niet verliefd op hem en verlangde er al maanden naar vooral een beetje stil naast hem op een bank te zitten, mijn hoofd op zijn schouder te laten rusten en mijn bek te houden. Kortom, onvoldoende reden om zo verdrietig te zijn, leek me, maar ik was het toch.

Het was kort voor kerstmis. Buiten regende het alleen maar, er kwam nul licht in mijn hoofd en ik werd met de minuut verdrietiger. Allereerst begon ik even flink te roken, dat doe ik meestal als ik mij kut voel en dat helpt. Ik voel mij direct nog een heel stuk pathetischer als ik onder het afdak van mijn kleine tuintje sta te blauwbekken terwijl binnen de verwarming loeit en de kaarsen branden, wat maakt dat ik er lekker aan kan toegeven, aan al dat verdriet. Ik ging er ook bij drinken, dat doe ik toch al wel, maar nu nog iets meer. Niet zoveel dat je je ogen uit je kop moet schamen, maar wel genoeg om er nu, nu er weer licht schijnt in mijn harses, even een maandje vanaf te blijven om te zien of dat nog lukt. (Het lukt, daarover een andere keer meer.) Hoe dan ook, als je verdrietig bent, moet je huilen en dat deed ik dus ook maar. Bijzonder vaak, bij voorkeur als er geen kinderen in mijn buurt waren zodat we toch nog gewoon konden monopolyen, het was immers kerstvakantie dus iedereen was de godganse dag thuis. Wat maakte dat ik ook vaak moest huilen om het feit dat ik zo weinig ruimte kreeg om te huilen. Het werd er allemaal niet beter op.

Als het even niet zo lekker met je gaat en je zegt dat. (Hoe gaat het? Nou kut eigenlijk) is een vaak gehoord antwoord- nadat je even kort uit de doeken hebt gedaan wat er gaande is- je moet het loslaten. Of nog erger; nu is het tijd om het los te laten. Of: tja, je kunt het beter loslaten. Loslaten is volgens mij een term die ergens, een decennium of wat geleden, is ontsnapt uit een tbs-kliniek en die iedereen die ooit een Happinez heeft gelezen of iemand kent die hem leest, zich nu heeft toegeëigend. Loslaten is wat we met ons allen moeten doen. Stress? Loslaten! Verdriet? Loslaten! Ik kan een bal loslaten, het behang op mijn slaapkamer is goed in loslaten, de foto’s in mijn albums kunnen na twintig jaar aardig loslaten, maar ik bak er niks van want ik weet niet hoe dat moet! Ja sure, ik snap heus waar op wordt gedoeld maar het is ónzin. Loslaten is niet iets wat je kunt forceren, dat is een contradictio in terminis, en dus kun je het niet dóen. Je kunt alleen maar achteraf beschouwen dat het je is gelukt, dat je hebt losgelaten, of gewoon verwerkt en dat lukt dus alleen maar als je er eerst aan toegeeft. Dus zou ik zeggen, laten we in het vervolg, als iemand in de shit zit, niet meer zeggen; laat het maar los, maar laten we zeggen, leef het maar uit. Jank maar, wees maar verdrietig, des te sneller blijk je het te hebben losgelaten (barf).

Ik kwam bij mijn therapeut, dezelfde die ik direct na de ontmoeting met de man had ingeschakeld voor een tweewekelijkse dosis zelfreflectie. Bij binnenkomst zag hij al hoe laat het was. Ik beet op mijn onderlip en meed zijn blik. Ik schaamde me een beetje; daar was ik dan weer en precies dat wat ikzelf drie maanden daarvoor al had voorspeld, was gebeurd, wat alleen maar kon betekenen dat ik het zelf had veroorzaakt. Dus ging ik zitten en staarde naar de vloer. Er was niet zo veel meer nodig, ik had het zelf al begrepen. Als je gaat zeggen dat ik het moet loslaten, trek ik je over de tafel, zei ik, in een poging mijzelf iets stoerder voor te doen dan ik in werkelijkheid was. Hij lachte alleen en zei; Loslaten? Nee zeg, ik zou niet weten hoe dat moet.

 

Tussen bureaus

Op 8332 kilometer links van mij zit een man aan zijn bureau. Hij is een beetje verkouden. Nadat hij zijn neus ophaalt, veegt hij zijn mouw erlangs. Ondertussen speelt hij met een plastic Godzilla-poppetje. Hij laat hem heen en weer lopen tussen zijn ongebruikte, opgevouwen zakdoek en de rode knop. Hij vraagt zich af wat het poppetje wil doen vandaag.

Op 6812 kilometer rechts van mij zit een man aan zijn bureau. Hij heeft een kater die hij probeert te sussen met een glas champagne. Soms brengt hij zijn neus tot tegen het glas van de fles en staart in de bubbels. Door de fles heen lijkt de rode knop erachter immens. Hij vraagt zich af of de fles precies op de knop zal landen, als hij hem zachtjes omver duwt.

Ik zit aan mijn bureau nogal pathetisch te huilen. Omdat het al dagen regent, er geen zonlicht door mijn grauwe hoofd naar binnen kan, ik ongesteld moet worden, ik de nieuwe pot bosbessenjam niet open krijg, ik vergeten ben beschuit te halen en ik waarschijnlijk wel nooit meer een goed gedicht zal kunnen schrijven.

Wie is de baas?

Ik heb een hond. Ik ben haar baas. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Als ik zit zeg, gaat zij zitten. Zij wacht, haar blik op mij gericht, op haar eten en hapt pas toe als ik het commando geef: een knip met mijn vingers.

Als iemand anders dat probeert komt ze niet in beweging. Ik ben haar baas, haar énige baas.

Ik heb ook kinderen, twee stuks. Vroeger was het eenvoudig te geloven dat ik ook van hen de baas was. Ze lieten zich gewillig luiers en kleertjes aantrekken, die ik voor ze had uitgekozen, aten wat ik ze voorschotelde en gingen slapen nadat ik ze had ingestopt. Die periode duurde niet zo heel lang. Al snel ontwikkelden ze een eigen mening en gingen we, als vanzelf herhaaldelijk in overleg waarbij ik toch nog heel lang het beslissende laatste woord had. Inmiddels is de oudste achttien. Hij maakt plannen om op zichzelf te gaan wonen. Hij vraagt me nog wel regelmatig om advies maar van gezag is zeker geen sprake meer. Ik voel me daar prettig bij en hij, zoveel is zeker, ook.

Ik ben opgevoed door lieve maar conservatieve ouders. Ouders die CDA stemden, bij tijd en wijle heel fanatiek naar de kerk gingen (vooral als het niet zo lekker ging) die vonden dat een man de rekening behoorde te betalen en een vrouw er voor de kinderen moest zijn, dat je niet moest gaan studeren als dat niet nodig was, dat je normaal moest doen tegen iedereen en extra normaal tegen iedereen die wat te vertellen had. Dat laatste noemden we dan respect.

Dat respect voor de bazen van de wereld werd me dus met de paplepel ingegoten. Ik had dus respect voor mijn eerste baas, de eigenaar van de friettent op de hoek, en voor al mijn bazen daarna, ook de bazen van het dorp, de wethouders en de burgervader die ik alleen eens per jaar zag, naast Sinterklaas, ook een baas trouwens. Mijn respect was eigenlijk geen respect maar bewondering. Ik had bij voorbaat bewondering voor iedereen die iets te vertellen had.

Hoe ouder ik werd hoe vaker ik de bazen van het land stom begon te vinden. Ik was niet alleen niet meer voortdurend onder de indruk, ik was het zelfs regelmatig niet eens met wat ik hoorde op het journaal of las in de krant en tenslotte kwam het tot het punt dat ik de bazen van het land ronduit stompzinnig vond. Het duurde even voor ik in de gaten kreeg dat niet zij stompzinnig waren, maar ik zelf een stukje slimmer dan ik had gedacht. Ik bleek gewoon in staat mee te doen in de grote mensen wereld. Wat een geruststelling.

Baas is eigenlijk een stom woord. Ik denk dat we binnen nu en vijf jaar een #geenbaasmeer actie kunnen verwachten van mensen die vinden dat dat woord niet meer kan. Want kun je van iemand de báás zijn? Van een domein, een gemeente, een land, een wereld? En wie bepaald dat dan, wie is dan de baas van de baas en diens baas en diens baas en wat als de laatste baas ontslag neemt? Of is het eigenlijk ook wel fijn, als we het zelf niet meer weten, dat er een baas is? Als er moeilijke beslissingen genomen moeten worden bijvoorbeeld, dat we met z’n allen kunnen zeggen, ja dat weet ik niet hoor, vraag dat maar aan de baas, die gaat erover. Tja, ook weer waar.

Ik heb een hond. Ik ben haar baas. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Als ik zit zeg, gaat zij zitten. Zij wacht, haar blik op mij gericht, op haar eten en hapt pas toe als ik het commando geef: een knip met mijn vingers. Dat komt omdat de hond zonder mij de zak brokken niet open krijgt. Zij is niet zo stóm dat ze een baas nodig heeft, maar slim genoeg om te weten dat ze het beste maar kan luisteren omdat ze anders niet te vreten heeft. Ik noem me overigens nooit haar baas. Ik noem de hond bij haar naam, Lucy, snap dat ze mij evenveel geeft, zo niet meer, als ik haar. We vertrouwen elkaar en gaan samen door het leven en doen daarbij allebei waarin we goed zijn. Ik scheur de zak brokken open en zij kruipt bij mij op de bank. Ik vlij me tegen haar aan en zij legt haar kop op mijn schoot.

Er zijn bazen in de wereld die baas zijn omdat zij het nodig hebben de baas te zijn, harder dan dat de ander het nodig heeft een baas te hebben, of déze baas te hebben. Daar zijn er best veel van momenteel. Ze zijn vergeten wat de bedoeling is van het baas zijn, namelijk het grotere belang dienen. Deze bazen beangstigen me.

Er zijn ook bazen in de wereld die baas zijn omdat de wereld ze nodig heeft en zij het aandurven die wereld (of een klein stukje daarvan) te vertegenwoordigen. Dat zijn doorgaans de goeie.

Ik geloof graag dat die bazen in de meerderheid zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Laat je raken

 

Soms heb ik een flink stuk hout nodig om even open te barsten. Zo gaf de grote eik waar ik tegenaan liep twee jaar geleden, het startschot van mijn burn-out. Deze week liet ik een houten plank op mijn hoofd vallen en kon ik eindelijk huilen. Nou ben ik een redelijk goede huiler, moet ik bescheiden toegeven. Ik laat mij graag en goed raken, zoveel wist ik al. Maar soms gebeurt er iets waar je toch alleen maar van kunt stilvallen.

De plank lag bovenop een boekenkast op me te wachten en twijfelde geen milliseconde toen ik een klein tikje tegen de kast gaf. Hij kwam met het stalen hoekje op mijn slaap terecht. Auw.

Ja inderdaad, het deed verdomde pijn en even zag ik sterretjes maar de tranen die voluit kwamen op de fiets naar huis hadden niets meer te maken met de bonzende koppijn. De tranen gingen heel ergens anders over. Ik wist zelf direct waar ze vandaan kwamen en was blij dat ze eruit kwamen. Ik was weer eens geraakt, niet alleen door de plank.

Een paar dagen later liep ik (de koppijn was inmiddels gezakt) in het Bonnefantenmuseum in Maastricht waar een expositie gaande is van Kahlil Joseph, een jonge, Amerikaanse filmmaker. De dame bij de infobalie gaf met een kritische blik te kennen dat zij het een bevreemdende tentoonstelling vond. Bevreemd te worden lijkt me nu precies de juiste reden om naar een museum te gaan. Dat wat ik begrijp, hoef ik niet meer zo nodig te onderzoeken.

De expositie New Suns krijgt volop de ruimte in het Bonnefanten. Dromerige films worden in de één na de andere zaal getoond, waarbij de ruimte, het licht (en vaker nog het donker) en muziek onderdeel is van de voorstelling. Dromerig ja, van prettig en opzwepend tot vaker nog verontrustend en (inderdaad) bevreemdend. Het is een trip als je in staat bent het begrijpen los te laten, wat volgens mij een voorwaarde is voor prettig museumbezoek. Liep ik het eerste moment nog onbevangen en vrolijk de ruimte binnen, na een paar minuten al merkte ik op dat ik mijn nagels hard in mijn handen drukte van spanning. In een volgende zaal liepen de koude rillingen over mijn rug, in de volgende slikte ik een restje verdriet weg, in de laatste deed ik een dutje in een stapel fatboys. New Suns is zeer de moeite waard, wil ik maar zeggen.

Maar wat me erna aan het denken zette, was het besef dat ik in staat ben mij te laten raken. Dat lijkt voor de hand liggend maar dat is het niet. Op mijn leeftijd (42) is niemand nog onbeschadigd. De meeste mensen die ik ken zeulen een aardige bagage met zich mee, al dan niet voor een groot deel verwerkt. Niet iedereen blíjft in staat zich te laten raken. Sommigen verharden, verzuren, bouwen muren of kruipen weg als je te dichtbij komt. Zo is het nu eenmaal. Om het feit dat ik me laat raken vervloekte ik mijzelf vorige week nog even. Maar toen ik het museum uitliep wist ik weer dat ik niet anders zou willen. Dat ik liever mijn kop stoot zo nu en dan, dan nooit meer tranen.