Pleidooi voor geklooi

Ik zat vroeger graag met mijn billen op de rugleuning van de bank die voor het grote raam in de woonkamer stond. Met mijn voeten op de vensterbank keek ik naar buiten. Ik zat niks te doen. Mijn moeder had er een handje van om te roepen: ga eens iets dóen. Ik snapte waarschijnlijk niet goed wat ze daarmee bedoelde. Ik deed toch iets? Ik keek naar buiten. Ik dacht na. Ik luisterde muziek. Ik deed van alles en ging daar graag nog even mee door.

Mijn vijftienjarige dochter lijkt vergroeid te zijn met haar telefoon. Ze kijkt filmpjes, doet spelletjes, maakt foto’s, deelt alles en communiceert daarover met haar vrienden en totaal onbekenden. Ze zou er een dagtaak aan kunnen hebben.

Ik hoor mijzelf regelmatig tegen haar zeggen: dóe eens even niks!

Ik maak me zorgen over de prikkels waaraan zij voortdurend wordt blootgesteld. Iedere minuut van haar wakkere bestaan is er iets dat iets van haar koppie vergt en iemand die daar iets van kan vinden. Dat baart me zorgen.

Niets doen. Of iets doen dat geen donder uitmaakt is het heerlijkste dat er is. Maar niet alleen vind ik het bijzonder fijn, het is ook broodnodig. In het niets doen, het klooien, lamballen, fröbelen, kom ik niet alleen tot rust: ik laad op, ik denk na, ik leg verbanden, ik herinner en stel me voor. Niets doen is spelen.

Dat onze kleine kínderen spelen, vinden we heel normaal. Zolang de kinderen op de lagere school zitten, stimuleren we het spelen, liefst buiten, liefst met anderen. Ga naar buiten en speel!

Spelen is spelen zolang het vrij is, zonder doelstelling, meetlat of eindbestemming. Door verwondering en ontdekking ervaren wat er allemaal mogelijk is, binnen en buiten jezelf. Alles misschien of even bijzonder weinig, dat kan ook. Klooien dus. Gewoon vrij baan tot om zes uur het eten op tafel staat.

Op het moment dat je een eis aan het spelen gaat stellen, verander je het effect. Dan komen prestige en concurrentie om de hoek kijken en dat beïnvloedt het spel. Dat is precies de reden dat ik het spelen dat mijn dochter op haar telefoon doet, geen spelen vind. Het wordt namelijk meteen gedeeld, er kijken anderen mee, er is een norm en een standaard en dat zijn allemaal belemmerende factoren voor het spelen.

Mocht het eindresultaat van het spelen het delen waard zijn, is dat een leuke bijkomstigheid, maar het spel wordt anders wanneer het delen tot doel wordt verheven.

Ik knutsel graag. Het is iets wat ik iedereen zou aanraden. De knutselkist bestaat uit bijzonder weinig dat te koop is in de knutselwinkel. Hij zit vol met steentjes, schelpjes, takjes, botjes, kleurtjes, dingetjes. Allemaal zaken die ik uit de zakken pluk voor de wasmachine aangaat. Als ik de kist op tafel zet, verdwijnt alle pretentie, alle maatstaven, alle angst. We gaan een beetje klooien. We vergeten de tijd. Mijn dochter vergeet haar telefoon. Er is even niets aan het hoofd behalve dat wat er op dat moment is, en al die ruimte om te ontdekken. Ik klooi inmiddels lang genoeg om erop te kunnen vertrouwen dat er uiteindelijk iets uitkomt. Na het klooien schiet me de oplossing voor een plan te binnen, het plot voor een nieuw verhaal, het onderwerp voor een nieuwe blog. Mijn dochter heeft deze ervaring nog niet. Toch is ze prima tot klooien in staat. Ze leert klooien of misschien leer ik haar het niet te verleren, het klooien. Ze vergeet daarbij haar telefoon en dat vind ik voorlopig meer dan voldoende.

Al dat soort dingen

Ik fietste over de dijk, mijn hond naast me. Het was zomaar een dag. Ik fietste zomaar ergens heen. De lucht was niet uitgesproken blauw. Het was niet beláchelijk mooi. Dat kán het soms wel zijn op de dijk aan de Waal; be-la-che-lijk mooi. Zó mooi dat ik iedereen die ik lief heb het liefst tegelijkertijd wil bellen om te zeggen: kom snel kijken, het is zó mooi! Maar zo was het dus niet. Het was een gewone dag en ik fietste gewoon.

Uit het niets dacht ik aan de ellende die de afgelopen jaren door mijn leven was gedenderd. Ik kan niet goed inschatten of ik een grotere of kleinere dosis ellende in mijn leven krijg dan menig andere Westerse vrouw. Ik denk dat je dat ook beter niet kunt proberen te vergelijken. Maar de dosis ellende waar ik mijzelf in heb geworpen, heeft bij tijd en wijle toch wel gevoeld als flink. Een flinke dosis. Daar dacht ik aan en ik zag die flinke dosis in brokjes voorbij komen. En ik realiseerde me dat ik er gewoon nog ben, dat ik wel eens heb gedacht; ik red het niet, maar dat bleek dus onzin, want ik redde het wel.

Ik heb wel eens gedacht: ik trék dit niet meer. Dat bleek ook onzin, ik trok het wel, of na een tijdje trok ik het gewoon weer. Ik dacht ook wel eens: dit lukt dus nooit. Dat was ook al niet waar, of misschien even maar daarna toch niet. Ik dacht: dit doe ik dus nooit meer. Dat bleek al helemáál onzin, want voor ik het wist, stortte ik me er gewoon weer in. En met dat laatste ben ik bijzonder blij.

Stel je zou alles wat eens verkeerd is afgelopen nooit meer doen? Keer ranzig gegeten in een restaurant? Nooit meer buiten de deur eten! Een keer in koud water gesprongen en heel erg geschrokken? Nooit meer zwemmen! Een keer een liefdesrelatie gehad die geen standhield? Nooit meer aan beginnen!

Of wel natuurlijk. Of je doet alles gewoon nog een keer om te zien hoe het dit keer uitpakt.

Het blijkt een goede methode te zijn: iets wat eerder niet is gelukt nog een keer doen omdat je het nu anders kunt aanpakken. Ja en ik hoor jullie heus wel nu met z’n 2650-en roepen: ja jaaaa Koren, makkelijk lullen maar we hebben er geen vertrouwen meer in!

En kijk, dat is dus ook nergens voor nodig, heb ik ontdekt. Fuck vertrouwen, doe het gewoon nog een keer, dan komt dat vertrouwen vanzelf wel weer.

Nouja, ik fietste dus over die dijk en bedacht me dat allemaal. Dat dat toch zo fucking fijn is, dat alles gewoon doorgaat en dat je het allemaal nóg een keer kunt doen. Al dat soort dingen.

Flexibel als een paling

Vroeger, lang geleden toen ons jaartal nog met 18 begon, vonden we het leuk om een levende paling aan een touwtje boven het water te laten bungelen. We gingen dan met een bootje onder de brug door om het gladde beest van het touw te trekken, wat meestal niet lukte waardoor het lekker lang duurde. Toen we langzaamaan begonnen in te zien dat dit volksgebruik ook wel dierenmishandeling was, werd het verboden, maar niet zonder slag of stoot. Massaal kwamen we in opstand om deze traditie, waar we zoveel plezier aan beleefden, te beschermen. De Palingoproer die ontstond heeft niet geholpen; tegenwoordig voelt niemand meer de behoefte om een levend dier vanaf een brug uit elkaar te trekken. Gelukkig maar.

Als mensen geven we goede dingen graag aan elkaar door. We willen ons verbinden en een duidelijke identiteit hebben. Om dat te versterken eigenen we ons gebruiken, religies, geloven, eigenschappen toe die dat onderstrepen. Lekker duidelijk. Tenminste zo lang de omstandigheden hetzelfde blijven. Zodra die veranderen, gaan we hard vechten om die duidelijke kaders in stand te houden. Want ojee, wat als het anders moet?

Het doorgeven van gebruiken en tradities heeft zeker een verbindend effect. Wij gingen vroeger thuis jaarlijks naar de nachtmis van de katholieke kerk op kerstavond. Bij thuiskomst was er iets lekkers, mochten we lang opblijven en lag er voor iedereen een pakje onder de boom, dat steevast een boek bleek te zijn. Ik koester die herinnering. Ik weet nog goed hoe ik me voorbereidde op die avond waarvan ik precies wist wat me te wachten stond. Hoewel ik door het jaar heen alleen maar met goede zin naar de kerk ging als ik in mijn eentje het onze vader mocht voorzingen, was dit een goede uitzondering. Ik deed mijn mooiste jurk aan, wachtte op de complimenten van mijn vader als ik beneden kwam. We zaten met zijn vijven naast elkaar op de harde houten banken van de grote koude kerk, om beurten het kleine broertje dropjes toestoppend zodat hij zich gedeisd hield en ik voelde ons een gelukkig gezin. Een gevoel waar ik overigens door de rest van het jaar heen aardig naar op zoek was. Maar we werden groter, verlieten om beurten het ouderlijk nest en ook de ouders zelf verlieten elkaar. Nu gaat niemand meer naar de nachtmis, niemand van ons gaat zelfs meer naar de kerk. Er is van alles veranderd en dat is prima. Meer dan prima.

Ik vind tradities en gebruiken mooi. Ze definiëren ons. Maar nog mooier vind ik de kracht van de mens om mee te bewegen met de veranderingen die we meemaken, die we nota bene vaak zelf in gang zetten. Onze wereld is voortdurend in verandering, zoals wijzelf voortdurend veranderen: in aantal, in formaat, in leeftijd, in intelligentie, in beschikking over kennis. Tradities en gebruiken schieten hun doel voorbij als er koste wat kost aan wordt vastgehouden. Zo zorgt zwarte piet al jaren voor veel verdriet. En er is niemand die vraagt om het feest af te schaffen. Er wordt alleen gevraagd om een beetje bij te stellen, om eens opnieuw te kijken naar wat er gebeurd en wat het teweeg brengt. Om respect te hebben en om aan te passen.

Deze week werd er in het kabinet vergaderd over een vuurwerkverbod. Ook aan vuurwerkavonden heb ik mooie herinneringen. De spanning van het moment. Hoe we allemaal wachten op die ene pijl, de duurste, hoe de buren toch altijd meer hadden.

Toen ik zelf eenmaal kinderen had, kocht ik nooit vuurwerk omdat ik het altijd zonde van het geld vond. Voor dat geld kocht ik liever een dikke vette biologische scharrelkip zodat er uitgebreid gegeten zou worden. Een gebruik dat ik het komende jaar misschien eens moet gaan loslaten. Ook hoeven we niet meer te wachten op twaalf uur, want drie weken voor oudjaarsnacht begint het al. Dit jaar ging het tot vroeg in de ochtend door. De traditie van een paar knallen op het nachtelijk uur, een paar pijlen de lucht in, is in de afgelopen twintig jaar veranderd in een drie weken durende oorlogszone waarbij slachtoffers vallen. Dat is nooit de bedoeling geweest. Ook nu wordt er gevraagd om bijstelling. Om de situatie opnieuw te beschouwen en te herzien en je af te vragen; klopt het nog wel wat we hier aan het doen zijn?

Als je daartoe niet bereid bent, te overzien en te heroverwegen. Als je niet bereid bent om, ondanks het feit dat iets je lief is, onder ogen te zien dat de schade op andere fronten te groot is. Als je hoe dan ook de vis wil proberen kapot te trekken vanaf je bootje op het water omdat het zoveel plezier en hilariteit oplevert. Dan ben je geen mensenmens. Dan ben je niet op zoek naar verbinding. Dan ben je een starre lul of een stijve trut en dan wordt het tijd dat je je dat eens realiseert, om je heen kijkt en heroverweegt.

We zitten op een prachtige wereld, met prachtige mensen. Het worden er zelfs iedere minuut meer. Heroverwegen en bijstellen is géén teken van zwakte. Het betekent níet dat je je eigen identiteit loslaat. Het betekent dat je eigen identiteit, die van je volk en van je soort niet afhangt van tradities en gebruiken. Het betekent dat we niet worden gedefinieerd door dat waaraan we vasthouden maar door dat wat we bereid zijn los te laten. Wat overblijft is liefde en respect en daar kunnen we heus nog een hoop lol aan beleven. Beloofd.

Ik ben hier nu

Sinds ik een aantal weken geleden in een opwelling op een doordeweekse dag naar de Ikea reed en daar naast een aantal bijzonder handige opbergmapjes,-klepjes en dozen een spiegel genaamd Trensum kocht, vraagt Ikea mij met regelmaat hoe hij bevalt: Goeiemorgen Heidi, hoe bevalt je Trensum spiegel? lees ik als ik mijn mail open.

De Trensum is een spiegel op een pootje. De ene kant van de spiegel toont mijn gezicht in normale grootte, de andere kant van de spiegel toont mijn gezicht 2,5 keer uitvergroot. Dat leek mij handig voor als ik een enkel verdwaald haartje uit mijn wenkbrauw zou willen trekken bijvoorbeeld.

De spiegel staat op mijn bureau, op het hoekje. Aan datzelfde bureau ga ik ’s morgens zitten, voor ik mijn laptop openklap en aan het werk ga, om mascara op te doen. Ik smeer eerst mijn gezicht in met crème die belooft de boel een beetje op zijn plek te houden. Maar de crème liegt, zoveel is mij duidelijk sinds de Trensum op mijn bureau staat. De boel blijft helemaal niet op zijn plek. De boel begint langzaamaan te verzakken. Ook zitten er zwarte puntjes in mijn wang die ik nooit eerder heb gezien, is er zéker geen sprake van een énkel verdwaald wenkbrauwhaartje en lopen er wegen in- en uit mijn gezicht zonder duidelijke bestemming.

Goeiemorgen Heidi, hoe bevalt je Trensum spiegel?

Het is de eerste maandag na de kerstvakantie. In de afgelopen twee weken nam ik vrij van werk. Ik gaf geen les, schreef nauwelijks meer dan een boodschappenlijstje. Behoorlijk lange boodschappenlijstjes dat wel. Ik bracht de dagen door met mijn liefdes. Kokend, etend, drinkend, wandelend, vrijend, lachend, hangend, lezend. Ik deed precies één keer mijn yogaoefeningen in twee weken tijd. Ik at vaker vlees en vis met vetrandjes, kaasjes, nootjes, oliebollen en chocolade dan in het afgelopen half jaar bij elkaar en sliep lang en breeduit.

Vanmorgen stonden de straten vol met vuilnis. Kliko’s met open deksels en dozen oud vuurwerk op straat. De lucht is grauw. Kinderen fietsten weer naar school met Disneytasjes op hun ruggen. Het verkeer stond vast bij de rotonde. Mijn agenda is goed gevuld. Ik moet aan de bak. Er is een nieuw jaar van start gegaan. Eentje die ik heb mogen inluiden met mijn liefde, mijn kinderen, mijn vrienden en familie. Ik ben hier nu. Dat denk ik vaak. Ik ben hier nu. Omdat ik me altijd realiseer dat er een moment zal komen dat ik er niet meer ben, en ik geen idee heb wanneer dat moment zal aanbreken. Maar nu ben ik hier. Goeiemorgen Heidi, hoe bevalt je Trensum spiegel? Mijn spiegel bevalt me prima. Ik smeer tegen beter weten nieuwe crème rond mijn ogen en kijk hoe de vetlaag intrekt. Ik trek met mijn wijsvingers het vel van mijn wangen even richting mijn oren en kijk weer naar mijn eigen gezicht van tien jaar geleden, hoe het ooit zo lijnloos was. En dan meld ik me af voor de nieuwsbrief van Ikea. Ik ben hier nu. Met lijntjes en haartjes en huid die langzaamaan van zijn plek verschuift maar wat kan mij dat schelen. Ik ben hier nu.

Vasthouden voor je loslaat

Vanaf mijn werkplek kijk ik naar de grote eik achter mijn huis. Hij is bruin. Ik kijk er dwars doorheen. De boom heeft een pluimvorm, lang en smal. Bij een eik denk ik eerder aan een dikke bol van loof maar deze is dus slank en hoog. Afgelopen zomer keken de Liefde en ik vaak naar hem vanaf de veranda, waar we zaten met een goeie fles. Toen was ie nog groen en vol en zat de lucht er niet áchter maar er alleen maar ómheen.

De eik houdt zijn blad vast, al is het dor en bruin. Hij laat het pas los als straks, in het voorjaar, de nieuwe sappige blaadjes staan te persen aan de knoppen. Dat bevreemdt me ieder jaar. Ik denk: laat toch los! Even een poosje niks aan je lijf is toch ook wel lekker? Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

Ik ben al een paar dagen sacherijnig. Drie om precies te zijn. Drie hele dagen. Tussendoor klaart het wel weer een beetje op, maar er hoeft maar weinig te gebeuren of ik heb de pest in. Zo had ik de pest al in over het plassen dat ik twee keer moest doen in de nacht, over de wekker die te vroeg ging, over de hond die heel hard zat te blaffen, over de grijze lucht, over het winterlaagje spek dat inééns over mijn dijen ligt, over de nieuwe rimpel in mijn wang, over het gedicht dat na drie miljoen keer herschrijven nog steeds niet goed genoeg is om de Turing mee te winnen en over mijn liefde die vanavond niet naar me toekomt omdat hij vet belangrijk werk te doen heeft. Allemaal zaken waar ik heus wel begrip voor heb maar toch tamelijk sikkeneurig van word.

Vanmiddag werd mij iets duidelijk. Vorig jaar zo vlak voor de Kerst had ik dit ook, en ik durf te wedden dat jaar daarvoor ook. Ik heb de eindejaarsblues, of de pré-eindejaarsblues. Het oude jaar is eigenlijk al gedaan maar hangt nog wat bruin en dor om me heen. Ik kan het pas echt loslaten wanneer het nieuwe zich knallend en gierend meldt. Tot die tijd zit ik ermee. Ik moet het overzien en beoordelen.

Het was een mooi jaar. Het was het jaar waarin de Liefde en ik verkering kregen. Het jaar waarin ik schrijver werd, of het dan eindelijk zo begon te noemen. Het jaar waarin ik geen enkel dienstverband meer had. Het was een jaar waarin ik bijzondere ontmoetingen had. Het was een jaar vol overwinningen, omhelzingen en koude duiken. Ik wens mijzelf een nieuw jaar. Ik wens jullie allemaal een nieuw jaar. Een nieuw jaar met alles, maar dan toch een beetje meer mooi dan lelijk, een beetje meer goed dan slecht, een beetje meer lachen dan huilen en vooral heel veel liefde. Dikke vette liefde!

Biecht

Ik heb me teruggetrokken in Drenthe om te werken aan een nieuwe bundel. In de gerenoveerde boerderij aan de bosrand heb ik mijn intrek genomen in de bovenste kamer. De vloer is bezaaid met printjes, werk van de afgelopen tijd. Ik moet zoeken naar de gemene deler, het thema. Op bed ligt een stapel boeken van de bieb. Mijn laptop op het bureau. Als ik hier ben, word ik niet afgeleid.

Ik lees ‘Eerlijk’ (de kracht van echte openheid) van Paul Wilkes. Het is een interessante uiteenzetting over openheid en de geschiedenis van de biecht. Ik geloof bijzonder hard in de biecht. Niet in de biecht als een gang naar de kerk, het anoniem zuiveren of zelfs afkopen van je slechte geweten om vervolgens door te gaan waarmee je bezig was ongeacht de gevolgen daarvan, maar een ander soort biecht. De biecht is van oorsprong een erkenning van eigen gedrag ten opzichte van jezelf. De biecht is in verschillende culturen de straf an sich geweest. Dat is niet zo’n gek idee. Immers; om in staat te zijn publiekelijk toe te geven wat je verkeerd hebt gedaan, moet je in staat zijn in te zien wat verkeerd ís en waarom, moet je vervolgens in staat zijn in te voelen wat het heeft betekend voor de ander en wat het belang is te stoppen met dat gedrag. Als je het zo beschouwt, zouden dat wel eens effecten kunnen zijn die je met tien jaar gevangenis niet behaalt.

Ik had ooit een vriendje, een mattie, die heel hard beweerde dat er géén goed en geen fout bestond. We hadden daar vaak diepgaande gesprekken over. Ik probeerde maar te begrijpen wat hij bedoelde. De gedachte dat we minder zouden moeten oordelen, dat we onszelf niet de verhevenheid moeten toedichten dat we (beter dan de ander) het onderscheid kunnen maken in wat goed is en wat fout, vond ik interessant. Ik dacht dat dat was wat hij bedoelde. Maar hij gebruikte het ook als argument als ik hem ergens op aansprak wat ik niet zo tof vond: er bestaat geen goed of fout. Op dat soort momenten vond ik het een dooddoener, een makkelijke uitweg voor iemand die niet wil inzien wat voor consequenties gedrag kan hebben. Zijn eigen gedrag.

Afgelopen maandag ging ik eten bij de vrouw die mij een paar maanden geleden liet weten in dezelfde tijd als ik een relatie te hebben gehad met deze man. De man die ik, nadat die liefdesrelatie was doodgebloed, nog lang mijn mattie noemde. Nog voor de vrouw mij belde, was er een einde aan de vriendschap tussen de man en mij gekomen omdat de man mijn werk bleek te hebben gestolen. Over sommige handelingen hoef je niet voorzichtig te zijn. Die zijn gewoon fout en hebben consequenties. De dader zou zichzelf en de ander een plezier doen er voor ten biecht te gaan maar dat is aan hem. De biecht is er immers in eerste instantie op gestoeld groei en ontwikkeling van de dader doorgang te laten vinden. Je kunt er als dader ook voor kiezen dat niet te laten gebeuren. Het is een vrije wereld, tot op zekere hoogte.

Ik sta in de woonkamer van deze prachtige vrouw. Ze heeft uitgebreid voor me gekookt en de tafel mooi gedekt. We hebben over de telefoon al appjes en agenda’s naast elkaar gelegd en geconcludeerd dat we dezelfde teksten kregen, dezelfde koosnaampjes droegen, dat de één het huis binnen moet zijn gegaan op bijna hetzélfde moment dat de ander vertrok én dat het niet bij ons twee is gebleven. Brrrrr. Als het niet zo intens arm en pathetisch was geweest, zou het grappig zijn. Een klucht.

We houden elkaar vast bij de voordeur. Ik ben ook haar, zoals zij ook mij is en wij allen ook de ander zijn. Die gedachte schiet me opnieuw te binnen als ik op mijn knieën de papieren heen en weer schuif in de logeerkamer van de boerderij. Ineens zie ik de lijn. Het is heel duidelijk. Het was er al voor ik het had meegemaakt. Ik rangschik en herschrijf, stuur rauw werk naar mijn lief en vraag hem om zijn ongezouten mening, niet te liegen, nooit te liegen. Eerlijk? Ja eerlijk.

Door het stof

We gingen naar een concert van Roxanne Hazes in Doornroosje. We waren met velen. Ik hoor mijzelf aan de Liefde vertellen dat we elkaar al dertig jaar kennen en wil er niet over nadenken wat mij dat maakt. Ik dans als een pubermeisje die avond. Wij allemaal. We drinken als onszelf, maar dan nog iets beter. Roxanne rijmt er ongegeneerd op los en de dichters onder ons schamen zich soms een beetje voor ons eigen moeilijke gedoe. Het leven is goddomme eenvoudig fijn.

In de bus naar huis vraag ik me af wat er eigenlijk allemaal in de koelkast staat voor een klein na- borreltje. De vrienden blijven slapen, ze hebben al holletjes opgemaakt op diverse plaatsen in het huis. In de woonkamer kruipen we nog even bij elkaar. Dertig jaar vriendschap. We wonen al jaren niet meer bij elkaar om de hoek maar er ontstaat altijd wel weer een gelegenheid om samen te komen. Het liefst dansen we daarbij.

Ik maak Gin Tonics in de keuken. Die lusten we wel. Er blijkt een tweede fles Gin in de vriezer te liggen. De twee pondjes kaas die ik die dag op de markt haalde, gaan met het grootste gemak in blokjes naar binnen. Langzaam krijgen we weer energie. Ach, het is nog vroeg, we hoeven nog niet naar bed. We draaien de muziek wat harder en schuiven de meubels een beetje aan de kant. Als de bel gaat en de buurman boos op de stoep staat is het precies drie uur.

Ik heb nogal eens een grote bek over sorry zeggen. Ik heb nogal eens stukjes geschreven over hoe belangrijk ik het vind dat je jezelf altijd maar weer recht in de bek kijkt, dat je je lelijke kanten niet ontkent en de ander onder ogen durft te komen.

De buurman stond op de stoep om te zeggen dat de muziek uit moest omdat het drie uur was. Zijn toon stond me niet aan en ik wenste hem en zijn vrouw een vergelijkbaar goed feestje. Dat was bijzonder flauw. Het duurde 48 uur voor ik dat echt durfde in te zien, dat dat bijzonder flauw van me was, kinderachtig ook en dat hij gewoon gelijk had.

Dus belde ik de volgende dag eerst aan bij de buren die níet hadden geklaagd maar ongetwijfeld evengoed hadden wakker gelegen. Gewapend met een fles bubbels. Dat was het makkelijkste. Een dag later belde ik pas aan bij de buurman die wél had geklaagd. Ik was een groot kind geweest toen ik om drie uur riep dat we nog lang niet naar bed hoefden. Nu was ik een klein kind met een blosje schaamte op mijn wangen en een fles in de hand.

De buurman nodigt me zonder te twijfelen uit voor de koffie. Als hij me de laan uit had gestuurd had ik lekker gelijk gekregen met mijn kinderachtige gezeur over zijn gezeur, maar dat doet hij dus niet. Ik word er eventjes nog een beetje kleiner van, maar dan raken we gewoon aan de praat, alsof we twee buren zijn die allebei heus wel snappen dat we het allemaal niet altijd in de hand hebben. En hoe fíjn dát kan zijn. Na een kwartiertje wandel ik stilletjes naar huis. In de keuken bedenk ik me dat de wijn die ik hem zojuist heb gegeven Fat Bastard heet. Ik hoop dat hij snapt dat dát alleen maar op mijzelf kan slaan.

Kunst ervaren

Iedere kunstenaar vertelt een verhaal op zijn eigen wijze. Zo danst de danser, speelt de acteur en de muzikant, creëert de beeldend kunstenaar. We tekenen, vertellen, beelden verhalen uit die misschien al wel honderd keer verteld zijn, maar we doen dat op onze geheel eigen wijze waardoor het tóch weer anders is. Dat maakt het kunst, denk ik.

Waar het verhaal vandaan komt, of het andermans visie is, een verzonnen verhaal of een bij elkaar geraapt geheel, maakt geen donder uit. De kunstenaar heeft een reden het te vertellen en vertelt het op zijn manier.

Voor mij als schrijver geldt dat ik altijd een persoonlijke reden, of noodzaak ervaar om iets te vertellen. Hoe ik dat vervolgens vertel, maak ik zelf wel uit. Het gaat namelijk niet over mij als persoon maar over het verhaal of de visie die ik wil delen. Soms in de vorm van een column, soms in de vorm van een gedicht, soms in de vorm van een roman. Om in staat te zijn dat zo goed mogelijk te doen, spreek ik alles in mij aan. Al mijn ervaringen, al het zeer, alle vreugde, al mijn herinneringen. Alleen als ik wat er gebeurt in mijn verhaal weet te evenaren in mijzelf, kan ik het goed vertellen. Daarvoor is best wel lef nodig.

Als je wilt schrijven en je wilt het goed doen, moet je bereid zijn jezelf voortdurend recht in de bek te kijken. Je bent zelf immers de enige mens die je van binnen en van buiten helemaal kunt bestuderen en daarmee ben je zelf je beste studiemateriaal. Ik denk dat lef, naast discipline de meest belangrijke succesfactoren zijn om te kunnen schrijven en waarschijnlijk geldt dat voor alle kunstdisciplines. Ik geef dat mijn studenten graag mee. Fuck talent, want met alleen talent heb je nog lang geen boek af!

In de literatuur hebben we de mogelijkheid om een verhaal te vertellen vanuit een ik-perspectief, de liedjesschrijver doet het ook en daarmee de zanger ook. Als maker kun je kiezen voor het ik-perspectief omdat je gelooft dat het het beste past bij je verhaal. Het is gereedschap om je verhaal op de best mogelijke manier over te brengen. Ik is de hoofdpersoon, niet te verwarren met de auteur, de dichter, de tekstschrijver, de zanger.

Dat gezegd hebbende, vraag ik mij af bij hoeveel andere kunstvormen we het vertelde verhaal direct toedichten aan de maker zelf? Als Lynch of King alles zouden hebben meegemaakt, waren ze allang niet meer tot navertellen in staat immers. En zo komt het dus dat je niet kunt concluderen dat Cattelan de reïncarnatie is van Hitler omdat hij het beeld heeft gemaakt. Niet eens kun je concluderen dat hij een aanhanger van Hitler is omdat hij het beeld heeft gemaakt. Dat zou zo ongeveer hetzelfde zijn als beweren dat Annie MG Schmidt eigenlijk geloofde dat zij de Spin Sebastiaan was!

Wel kun je concluderen dat de makers een bepaalde noodzaak ervaren om te maken wat ze maken. Je kunt op zoek gaan naar het verhaal. Je kunt ervan genieten en ervan gruwelen en met een beetje mazzel verandert het je een beetje en dáár gaat het om.

Leeslijst

Nog voor ‘Hawaï 2000’ er was, was mijn dochter (15) al begonnen aan de uitgeprinte versie. Ik vond dat een mooi gezicht. Mijn dochter zo op half zeven op de bank met een dik stapel papier in plaats van een mobieltje. Ze is dyslectisch en houdt niet van lezen. Of: ze houdt niet van lezen en noemt zich dylectisch, dat weet ik niet zo goed eerlijk gezegd.

Toen ze ooit, lang geleden, werd getest zei de psycholoog op een bepaald moment: ‘als ik nu stop met testen, scoort ze slecht genoeg om voor vergoeding van leeshulp in aanmerking te komen.’

Ze liep op school vast met lezen en dat stagneerde haar ontwikkeling. Het moet zo ongeveer rond groep vier zijn geweest. We lazen haar iedere avond voor en oefenden het selluf lezen thuis maar het was onvoldoende. We wilden graag dat ze extra hulp kreeg. Die was beschikbaar maar tamelijk onbetaalbaar. Als je een dyslectieverklaring had, werd het vergoed.

We besloten te stoppen met het verdere onderzoek, lieten haar dyslectisch verklaren en ze kreeg een jaar lang intensieve hulp met lezen en schrijven waar ze heel veel aan had. Dat was het doel. ‘Wat kan er uitkomen als we dóórgaan met testen?’ vroeg ik de psycholoog nog. ‘Ik vermoed dat er iets anders aan de hand is.’ zei ze, en ze noemde wat letters op, die achter elkaar geplakt een veelvoorkomende diagnose vormen.

Ze leest dus niet, behalve als het echt moet en dat is nu. Ze zit in drie havo en de leeslijst is gestart. Hoewel ze over tweeëneenhalf jaar pas acht boeken hoeft uit te hebben, pakt ze nu geheel uit eigen beweging dus een roman op en begint. Ik stuur een mailtje naar de docent Nederlands om dit heuglijke feit te delen. Ik bied hem daarbij aan, als ze het leuk vinden, om een keer in de klas te komen vertellen over het schrijven van een boek. Of zoiets.

Een paar dagen later komt de dochter woedend uit school.

‘Het mag niet,’ gilt ze al bij de poort, ‘wat een eikel!’ De docent Nederlands heeft gezegd dat het boek dat ze leest, míjn boek, niet op de Leeslijst staat en dus niet telt als examenliteratuur. Omdat niemand het heeft gelezen kan hij namelijk niet nagaan of het wel échte literatuur is. Ze maait twee keer met haar vingers door de lucht als ze dat zegt en ik lach. Ik weet wat er allemaal op de Leeslijst staat en maak mij geen zorgen. De docent heeft natuurlijk alleen even wat uitleg nodig. Ik aai mijn meisje over haar bol en sus haar gemopper (lees: behoorlijk stevig gevloek). Nogmaals mail ik de docent. Dit keer leg ik hem uit waar het boek verschijnt en dat hij het gerust mag lezen als hij een inschatting van het literaire gehalte moet maken om het toe te kunnen laten als examenliteratuur.

Tot mijn verbazing komt er de volgende dag een mailtje terug. Het mag niet. De kinderen mogen slechts boeken lezen die op de leeslijst staan. Daarop worden geen uitzonderingen gemaakt.

Ik vraag me af hoe vaak er om zo’n uitzondering zal worden gevraagd en mail de directie dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat het enthousiasme zo de kop wordt in gedrukt?

Maar jawel hoor, opnieuw krijg ik een mailtje terug dat het niet kan. De leerlingen van de vrije school kunnen hun boeken kiezen uit de Leeslijst, omdat mijn boek daar niet op staat, komt het niet in aanmerking. Ik kan mijn ogen niet geloven en lees het mailtje nog eens en nog eens. Dus resumé; een meisje van 15, tamelijk dyslectisch en met een broertje dood aan lezen begint enthousiast en vrijwillig aan een nog te verschijnen roman, uitgegeven als volwassenen literatuur bij een literaire uitgeverij maar mag dit niet als examenliteratuur meerekenen van de schoolleiding omdat het boek niet op de Leeslijst staat?

Als ze vloekt heeft ze een aardige woordenschat, dat meisje van mij. Ik wed dat ze het ook nog foutloos schrijven kan, die taal die ze uitslaat als ik het haar vertel. Ze heeft dat van mij.