Maar niet immuun voor liefde – 5.

Nieuw- Zeeland | Marion alleen in het paradijs

Eind jaren negentig kocht ze, als een van de eersten, een stuk grond op Ecovillage Otamatea op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland. Drie van haar vijf kinderen woonden nog bij haar. De oudste twee meiden bleven achter in Nederland. De grond was nog ruw en onbewerkt, maar het plan was om er een volledig groen, bewoonbaar gebied van te maken.

Door het werk van haar man Rick was het gezin gewend te reizen en te verhuizen. Gedurende het huwelijk werden vijf kinderen geboren. Twee daarvan wonen momenteel in Nederland, één in Finland, en de twee jongsten in Nieuw-Zeeland. Marion zelf vliegt regelmatig van de één naar de ander en landt ook graag nog even in de rest van de wereld om een kijkje te nemen. Niet zelden besluit ze elders langer te verblijven.

Zo verbleef ze dus ook in Nederland toen corona wild om zich heen begon te slaan. Ze kon met haar NZ-paspoort nog net op tijd haar ticket omboeken om het land binnen te komen. Nieuw-Zeeland gooide de grenzen dicht.

Nieuw-Zeeland telt op het moment 451 positief geteste coronapatiënten. Er liggen twee mensen op de IC, beiden verkeren in kritieke toestand. Het land kondigde Alert Level 4- Eliminate aan. Het betekende voor Marion twee weken huisarrest na thuiskomst.

Maar er is wellicht geen betere plek om in complete isolation te zitten dan Otematea Ecovillage waar inmiddels zo’n 22 huishoudens zich hebben gevestigd. Eén daarvan is haar ex-man en zijn geliefde. Haar jongste zoon is ook van plan zijn bestaan daar op te bouwen. Iedereen heeft zijn eigen stuk grond waarop volop groente en fruit wordt geteeld. Er lopen dieren vrij rond, er zijn watersystemen aangelegd, energie wordt opgewekt met behulp van de elementen. Werkelijk geïsoleerd wonen kán hier dus ook.

Het is nazomer, er is nog volop te eten. Met de kinderen belt en appt ze. Er zijn in haar leven zo vaak tijden geweest dat ze haar kinderen alleen maar door een beeldscherm zag. Twee meter afstand bewaren tussen haar en de overige bewoners van het land is haast een lachertje. Er is land zát. Er is ruimte. Ze komen elkaar in de verte tegen, wisselen warme begroetingen uit, met lieve gezichtsuitdrukkingen, thumbs up en blowkisses. De zon schijnt over het land. De prachtige zomer maakt langzaam plaats voor een stille nazomer. Ze werkt in de tuin, wandelt met de ezels, plukt nog wat verloren fruit, slaapt in de hangmat. Is in gedachten bij de mensen van wie ze houdt en weet dat er ook weer een tijd zal komen dat ze allemaal vanuit verschillende kanten van de wereld naar haar zullen afreizen.

maar niet immuun voor liefde – 4.

Zuid-Korea | Mariah, Cas en 8745 kilometer

Het was de liefde waarvoor ze vijftien jaar geleden vanuit North Carolina naar Nederland verhuisde. De liefde heet Cas. Een goedlachse, openhartige, liefdevolle Amsterdammer met het hart op de tong. Ze bouwden in West op drie hoog een nieuw bestaan op. Hij stuurt een heel team aan bij een producent van medicijnverpakkingen. Zij student aan de Kunstacademie. Vorige jaar behaalde ze haar Master Fine Arts aan het Sandberg Instituut. Daarna braken voor haar als kunstenaar stille tijden aan. Je kunt wel ideeën hebben als maker, wel de voortdurende behoefte voelen om je handen aan de slag te zetten, punten willen zetten met je werk, boodschappen overbrengen, maar als je er niet voor betaald krijgt, wordt de ruimte om tot uitvoering te komen met de dag beperkter. Dus toen ze in januari werd uitgenodigd om drie maanden deel te nemen aan het Artist in Residence Program Seoul Artspace Geumcheon in Zuid-Korea was de woonkamer te klein. Ik stel me voor hoe ze de kuiltjes in haar wangen heeft gegrijnsd, een dansje maakte, haar lief omhelsde of misschien heel stilletjes en klein even in elkaar kroop. Het hebben van werk waarvoor je niet (voldoende) betaald krijgt, dat niet iedereen begrijpt en waarvoor weinig ruimte is in onze maatschappij doet een groot beroep op je doorzettingsvermogen, op je wils- én overlevingskracht.

Zuid-Korea telde 40 besmette coronagevallen toen ze arriveerde op 9 februari jl. Er leek weinig reden tot zorg en al helemaal geen reden om de kans voorbij te laten gaan. Maar in de weken die volgden, liepen de aantallen besmette gevallen in rap tempo op, niet alleen in Zuid-Korea. Cas zou op maandag 16 maart naar haar toe vliegen. Hij had een duur hotel geboekt waar ze een week samen zouden verblijven, waar ze uitgebreid zouden eten en lange nachten maken in een kingsize bed. Na veel heen-en weer gebel en geapp, besloten ze te annuleren. De kans dat hij niet meer op tijd terug zou kunnen was te groot. Bovendien was inmiddels wel duidelijk dat het verstandig was grote mensenmassa’s te mijden en dat konden de vlieghavens toen nog niet garanderen.

Maar wat als een van beiden ziek wordt? We zijn gewend geraakt aan het gemak waarmee we grote afstanden kunnen overbruggen. We vliegen in een dag naar het einde van de wereld als het nodig is, maar niet dus als vliegtuigen aan de grond blijven, dan niet. 8745 kilometer zit er tussen hen in. Er wordt gebeld en geappt, lange leven WhatsApp. Moet ze onmiddellijk terug naar huis komen, haar werk afbreken, het project laten zitten om hier te zijn voor de grenzen sluiten, voor ze die beslissing niet meer kan maken?

In heel Zuid-Korea leven 51 miljoen inwoners. Eénderde van de 9.000 coronapatiënten is inmiddels genezen verklaard, lees ik vanmorgen in De Volkskrant. De piek lijkt voorbij te zijn. Het leven wordt langzaam weer opgepakt. Mariah werkt iedere dag met collega’s aan haar project. Ze mag eindelijk voltijds haar eigen beroep uitoefenen. Tussendoor maakt ze wandelingen door de bergen, zuigt haar longen vol met frisse lucht. Ze is gewend ver van huis te zijn. Cas werkt thuis door. Hij heeft zijn vakantiedagen weer ingeleverd en houdt ze vast.

Mariah Blue is multidisciplinair kunstenaar. Ze onderzoekt technologische thema’s variërend van aardewerk uit de steentijd tot machine learning algoritmes. Meer informatie en beeldmateriaal van haar werk vind je hier.

maar niet immuun voor liefde – 3.

Engeland -Simon, Ana en moeder aan de telefoon

Het was een kans. Niet dat er na deze kans niet nog vele kansen zouden volgen, Simon was immers een zondagskind, maar deze kans greep hij en dus vertrok hij naar Engeland voor een goede baan. Hij kwam uit een hecht gezin. Een gezin met wortels door Europa verspreid. Ze waren gewend te reizen en dus werd er gereisd. Dat was alvast iets wat hij gemeen had met Ana, maar verliefd werd hij niet op haar om díe reden. Verliefd werd hij op haar donkere ogen, haar Portugese tongval, haar lach en scherpe blik.

Zijn ouders bezoeken het jonge stel regelmatig. Tussen de bezoekjes door bellen ze. Ze skypen, houden elkaar goed op de hoogte. Moeder maakt zich zorgen over haar jongen zo ver van huis. Zorgt hij wel goed voor zichzelf? Eet hij wel gezond? Beweegt hij wel voldoende met zijn drukke kantoorbaan? Is meditatie niet een goed idee, of yoga, misschien overgaan op veganisme? Maar Simon en Ana weten prima voor zichzelf te zorgen. Ze weten ook prima hun eigen keuzes te maken.

Omdat Ana haar familie in het warme Portugal achterliet, volgen ze iedere avond het wereldnieuws en zo zagen zij dus weken geleden al hoe het virus zich gestaag van Zuid Europa naar boven werkte. Het was voldoende reden om direct op het werk aan te kondigen dat er van huis gewerkt zou gaan worden.

Het jonge stel is gewend lange dagen te maken, late hours, soms in het weekend nog door te trekken. Ze komen elkaar ’s avonds tegen, onderweg wordt er gebeld wie er wat te eten meebrengt. Nu staan er twee laptops op de grote tafel van de werkkamer. De hele dag werken ze zij aan zij. Tussendoor maken ze om beurten een maaltijd klaar, zorgen voor toevoer van koffie, thee, nemen elkaar mee uit wandelen voor frisse lucht en kruipen samen weer achter hun laptop. Hij bekijkt haar van de zijkant, ziet hoe geconcentreerd zij werkt, hoe scherp ze reageert op mails en telefoontjes, hoe ze denkend door de kamer beent. Ze koken samen, wandelen samen, lassen soms stiekeme pauzes in.

Ze hebben trouwplannen. Ze willen verder.  Dat wisten ze al lang, daar verandert Corona niets aan, misschien moet het even worden uitgesteld maar wat geeft dat, ze hebben tijd.

Moeder belt steeds vaker. Simon vraagt haar of het wel gaat. Ze hoest. Ze heeft de vereiste reis restricties éventjes over het hoofd gezien om haar andere kind te bezoeken. Ze heeft verhoging. Ze voelt zich niet zo goed, maar goed genoeg om naar kantoor te gaan. Gaat het wel mam? Houd je je aan de afspraken? Zorg je wel goed voor je zelf? Zijn moeder is stil aan de telefoon. Ze weet nog zo goed hoe ze haar jongen aan de hand nam. Hoe ze hem leerde uit te kijken bij het oversteken. Wanneer zijn de rollen omgedraaid?

maar niet immuun voor liefde – 2.

België | Annelies, 2 kinderen, 2 pleegkinderen, 2 poezen en een nest ratten op zolder

De twee pleegdochters die ze onder haar hoede nam vanaf hun peutertijd zijn inmiddels 18 en 19. Na jaren van zorg om het op poten krijgen van de levens van die twee, is in de loop van afgelopen jaren gekozen voor begeleid wonen projecten, die twee weken geleden om beurten hun deuren sloten. Haar eigen kinderen, beide lagere schoolleeftijd, zijn inmiddels ook thuis.

Ze heeft een cruciaal beroep en zorgt ervoor dat ze dagelijks op haar werk verschijnt. En dus laat ze de boel met instructies voor schoolwerk en huishoudelijke taken ’s morgens achter. Iemand is achtervang. Iemand kan worden gebeld. Zelf houdt ze haar telefoon in de buurt zodat ze ieder moment antwoord kan geven op vragen van het thuisfront: waar staat de pindakaas? Mag ik naar buiten? Hoe moet het verder?

Het boeltje heeft niet voor niets begeleiding normaal gesproken. In dit huis zijn in de afgelopen jaren evenveel diagnoses gesteld als dat er mensen wonen. Als ze thuis komt aan het einde van haar werkdag jagen de meiden elkaar het huis door, de poezen elkaar de gordijnen in, blijken sommigen zich verder hebben teruggetrokken dan goed voor hen is, halen anderen onbedoeld hard uit. De vaat staat hoog opgestapeld op het aanrecht. Vier scholen laten via de mail weten wat de verschillende programma’s voor de komende week is. Iemand ontdekt een nest ratten op de zolderverdieping. De opruimingsdienst heeft de komende weken geen tijd.

Het kleine beetje ruimte dat er was voor haar, om na haar werk, na het zorgen voor huis en kinderen, soms even een stil moment voor zichzelf te hebben waarin ze het liefst voorzichtig een mooi klein gedicht optekent, is nergens meer te bekennen.

Er zijn situaties voorstelbaar waarin het stopt, waarin je de grenzen van je kunnen bereikt, waarin je niets meer in huis hebt waarop je kunt terugvallen. Ik ken dat punt zelf ook. Ik ben er een paar keer geweest in mijn leven. Als ik dat punt bereik, is steevast het eerste dat ik denk: wie heeft er een peuk? Het liefst trek ik mij dan terug, ga in een hoekje van de wereld zitten met een pakje sigaretten en wacht tot ik weer verder kan. Of tot iemand me vindt.

Voor haar is het drank. Ze weet er al jaren mee om te gaan. Het is al jaren geen bedreiging meer, maar op die woensdagmiddag is het ineens weer daar. De wanhoop, de noodzaak, de oplossing.

Je kunt willen dat het even ophoudt, alles, dat het even stil is, dat je even niet verder hoeft. Ze drinkt de fles leeg. De kinderen zijn getuigen. De noodlijnen worden ingeschakeld. Iemand krijgt op zijn flikker alsof zij een klein kind is. Iemand wordt meegenomen. Iemand blijft beschaamd achter.

We zijn stil aan de telefoon. Ik luister hoe zij inhaleert en rustig uitblaast. Ik weet hoe ze een lok haar uit haar gezicht veegt. Ze vertelt me hoe het langzaam beter wordt. Hoe erover wordt gepraat nu, over het falen, de schaamte, het wel willen maar niet kunnen. Nu gaat het niet meer alleen over de kinderen, maar ook over haar zelf. De meisjes ruimen nu de vaatwasser in. De ongediertebestrijdingsdienst heeft bevestigd dat ze woensdag het rattennest komen weghalen. Er worden pizza’s besteld.

maar niet immuun voor liefde – 1.

Spanje | Linda, Rob en vijftien honden

Misschien was het het zachtere klimaat van Spanje dat trok, het vakantiegevoel, de natuur, de behoefte aan meer rust en tijd, de geur van oneindigheid dat hen ertoe dreef Nederland te verlaten.

En zo ging het ook. Rob ging aan het werk als tuin- en klusjesman, Linda hielp waar nodig en startte daarnaast als vrijwilliger bij het plaatselijk dierenasiel. De honden stalen haar hart sneller dan ze de taal sprak en het duurde niet zo lang voor ze het eerste zwervertje mee naar huis nam. Met vriendin Jose richtte ze al snel een honden rescue programma op: honden zonder baas en honden wachtend op een spuitje in het dodingsstation werden al snel door Linda mee naar huis genomen. In Nederland zorgde Jose voor een gouden mandje.

Vorige week zouden een aantal honden hun reis maken van Spanje naar hun nieuwe baas in Nederland maar het liep anders: Spanje ging op slot. De deuren zijn gesloten. Van winkels, horeca en publieke ruimten. Alleen de apotheek en de supermarkt zijn nog open. Buiten wordt gepatrouilleerd. Als je de straat op wilt, moet je dit aanvragen. Bij geldige reden ontvang je een certificaat dat je moet tonen als je gecontroleerd wordt.

Robs moeder, sinds anderhalf jaar weduwe, woont in het dorp verderop. Ze zijn goed met elkaar. Moeder heeft geen rijbewijs en mag er niet uit, behalve korte noodzakelijke rondjes met haar hondje. Een van beiden rijdt zo nu en dan heen en weer om haar boodschappen te bezorgen, maar er wordt geen gezellige middag van gemaakt, geen uitgebreide kopjes thee en gezamenlijke wandelingen met de honden. Afgeven en retour. Contact is verboden.

Er is geen werk, geen handel, geen klusjes buiten de deur. Er is wél tijd. Rob klust aan en in het huis, er is genoeg te doen. Vijftien honden hollen door de tuin alsof het een verjaarspartijtje is. Het zijn er veel te veel, maar het gaat best. Het weer is goed. De tuin is groot. Soms belt Pieter, de buurman van verderop. Hij is alleen en heeft ook geen hond. Hij mag er niet uit. De muren komen op hem af van al dat binnen zitten. Hij is geen lezer, geen tv-kijker. Wat moet je met die lange dagen? Hij sluipt soms stiekem naar Linda en Rob om een hond te lenen, dan kan hij wandelen. Gewoon even wandelen en net doen alsof je gewoon een man bent, met een hond en woont in een land waar wandelen een onderdeel kan zijn van je dag. Dan stiekem de hond afgeven bij de buren en terug naar je eigen, stille huis. Afwachten. Maar wel met een frisse neus.

Mocht je je geroepen voelen Linda, Rob en de vijftien honden te helpen met medicatie, dierenartskosten en brokken, voel je dan vrij een bijdrage te storten op: Lima Spanje / Grenzeloze dierenvrienden Nederland
Rekening nr NL , naam Overmeijer/Daams
NL85INGB0007257291

To hamster or not to hamster, that is not the question

De opmerking die ik iemand hoorde maken, dat het hamsteren een soort van stelen was, bleef de hele ochtend in mijn achterhoofd zitten. Wat is het toch met ons, vroeg ik me af, dat we de neiging hebben het handelen van de ander, négatief uit te leggen? De overheid houdt informatie achter, de geïnfecteerde heeft schijt aan zijn medemens, de jongere heeft gebrek aan compassie waar het gaat om de ouderen en we hamsteren omdat we alleen aan onszelf denken? Ik gelóóf het niet.

Volgens mij zijn we zelf een prima maatstaf voor de ander. Zo veel verschillen we nou ook weer niet van elkaar. En als ik dan naar mijzelf kijk, concludeer ik het volgende.

Het duurde best lang voor ik de ernst van de situatie inzag. Vorige week had ik mij teruggetrokken in een prachtig schrijfhuis in Watou, waar ik geen nieuws volgde. Toen ik op woensdagavond op aanraden van het thuisfront, wel een keer naar het journaal keek was ik zo verbaasd dat ik het nauwelijks bevatte. Omdát ik het niet bevatte, ging mijn leven daar dus ook gewoon nog door. Het werd donderdag, ik gaf de huiseigenaar nog een ferme knuffel ter dank en reed naar huis. Het werd vrijdag, ik liet een vriendin van mijn dochter logeren. Het werd zaterdag, ik sprak met vrienden af in de kroeg. Ik had inmiddels wel desinfectiemiddel gehaald, waste mijn handen en hield afstand, maar had nog steeds de ernst van de situatie niet door. Op zaterdagavond viel het kwartje pas, nadat ik een stuk las over het omlaag halen van de piek. Dát was voor mij klare taal; iets waaraan ik kon meewerken en dus deed ik het: meewerken.

Sindsdien volgen we hier thuis de voorschriften behoorlijk nauwkeurig op. We zijn thuis, werken wat, klooien wat aan, kijken goeie televisie, wandelen en fietsen door de Uiterwaarden. Waar mogelijk houd ik echt anderhalve meter afstand tot iedereen behalve mijn huisgenoten en als het wel eens gebeurt dat die anderhalve meter afstand tot een vreemde wordt verkleind, is het zeker niet omdat ik er schijt aan heb. Eerder omdat het onvoorzien is.

De vergelijking van het hamsteren met stelen doet me zeer. Dat lijkt overdreven maar dat is het niet. We hebben besloten dat hamsteren stom is, slecht en egoïstisch en nu gaan we dus allemaal níet hamsteren en laten zien dat we niet hamsteren en daarmee laten zien hoe groot ons empathisch vermogen is. Maar misschien is de reden van de hamsteraar wel een hele andere. Misschien hamstert hij omdat hij wil voorkomen dat hij om de haverklap naar een winkel moet waarmee hij nauwelijks kan voorkomen dat hij in contact komt met anderen. Misschien is het dus wel een hele empathische, sympathieke reden om te hamsteren.

Ik wil me niet uitlaten over het hamsteren, over wat we wel en niet moeten doen, wel en niet moeten laten. Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. En ik geloof ontzettend dat de overgrote meerderheid van dat schuitje wil dat we allemaal veilig en wel weer uít dat schuitje kunnen stappen straks, als de zomer aanbreekt.

Watou

Ik was uitverkoren gebruik te mogen maken van het prachtige Huis van de Dichter in Watou. De oude pastorie dateert van 1841 en is grotendeels nog in originele staat, een beetje naar de huidige tijd getrokken dat wel, met centrale verwarming en overheerlijke, waterbesparende douches.

Het voordeel van het hebben van een heuse uitgever (héb ik hem of zij mij?) is wel precies dat, dat je mee mag doen aan de serieuze zaken. Het Boekenbal kwam ik alleen nog maar binnen aan de hand van mijn lief en eerlijk gezegd zou ik me goed kunnen voorstellen dat we overslaan tegen de tijd ikzelf kaarten krijg, maar aanvragen voor schrijfresidenties of werkbeurzen kan ik tegenwoordig op eigen houtje indienen. Na de aanvraag is het afwachten geblazen. In het geval Schrijfresidentie Watou had ik bingo. Hoezee.

Het huis is enorm; vier slaapkamers, twee badkamers, een riante keuken en een woonkamer en suite, zonder de en suitedeuren. Watou is een klein dorp waar niemand over straat loopt, maar dat zal niet het hele jaar zo zijn. Zeker is dat niet het geval tijdens Het Kunstenfestival gedurende de zomermaanden wat een absolute aanrader is.

Het is hier stil. Hoewel er drie radio’s op de benedenverdieping staan, heb ik tot nog slechts geluisterd naar de wind, mijzelf en de hond die praat in haar slaap.

Ik leg hier de één na laatste hand aan mijn nieuwe bundel, die op 24 mei zal verschijnen bij Uitgeverij Vrijdag. Voor de bundel verdiep ik mij o.a. in de vraag: wie ben ik als niemand kijkt? Met andere woorden; hoeveel van wat we doen, doen we omdat we ons ervan bewust zijn dat een wereld mee kijkt, of mee kan kijken?

Het komt me dus prima uit dat er geen mens loopt door de straten van Watou, ik waan mij hier alleen. Het gevolg is dat ik al drie dagen in een joggingbroek rondsjouw, niet de moeite neem mij op te maken noch mijn haar te doen, dat ik heel gezond en geregeld eet en niet drink en dat ik ’s avonds, wanneer ik met de hond het laatste rondje loop, dan tóch weer een beetje bang kan zijn. Iets waarvan ik dacht dat ik daar nu wel eens overheen gegroeid zou zijn. Het bang zijn heeft eigenlijk niets te maken met het besef dat ik alleen ben. Het wordt aangewakkerd door de gedachte dat ik misschien toch níet alleen ben. Dat in combinatie met het feit dat het huis exact tussen twee begraafplaatsen inligt, maakt toch dat ik liever een verkort wandelingetje met hondlief maak ’s avonds wanneer het donker is. Maar de hond is zelf ook een beetje bang in het donker en iedere keer als zij haar billen op het gras drukt om te gaan plassen en er klinkt weer een raas van de wind of een kraak vanuit de begraafplaats, schrikt ze zo hard dat ze haar plas weer terugtrekt en we minstens tien minuten verder moeten sjouwen voor ze het opnieuw durft te proberen.

Ik heb de bundel zojuist naar mijn redacteur gestuurd die er eerdaags met de rode pen doorheen zal gaan. Aan het einde van de middag zal ik het huis een vlotte schoonmaakbeurt geven, mijn spullen in de auto smijten en de zware houten deur achter me dichttrekken. Alleen zijn is niet altijd aantrekkelijk, maar het is iedereen aan te raden, niet alleen schrijvers, niet alleen om jezelf te horen denken of de hond af te luisteren maar om zo nu en dan weer even te herontdekken wie je ook weer bent, als niemand kijkt.

Pleidooi voor geklooi

Ik zat vroeger graag met mijn billen op de rugleuning van de bank die voor het grote raam in de woonkamer stond. Met mijn voeten op de vensterbank keek ik naar buiten. Ik zat niks te doen. Mijn moeder had er een handje van om te roepen: ga eens iets dóen. Ik snapte waarschijnlijk niet goed wat ze daarmee bedoelde. Ik deed toch iets? Ik keek naar buiten. Ik dacht na. Ik luisterde muziek. Ik deed van alles en ging daar graag nog even mee door.

Mijn vijftienjarige dochter lijkt vergroeid te zijn met haar telefoon. Ze kijkt filmpjes, doet spelletjes, maakt foto’s, deelt alles en communiceert daarover met haar vrienden en totaal onbekenden. Ze zou er een dagtaak aan kunnen hebben.

Ik hoor mijzelf regelmatig tegen haar zeggen: dóe eens even niks!

Ik maak me zorgen over de prikkels waaraan zij voortdurend wordt blootgesteld. Iedere minuut van haar wakkere bestaan is er iets dat iets van haar koppie vergt en iemand die daar iets van kan vinden. Dat baart me zorgen.

Niets doen. Of iets doen dat geen donder uitmaakt is het heerlijkste dat er is. Maar niet alleen vind ik het bijzonder fijn, het is ook broodnodig. In het niets doen, het klooien, lamballen, fröbelen, kom ik niet alleen tot rust: ik laad op, ik denk na, ik leg verbanden, ik herinner en stel me voor. Niets doen is spelen.

Dat onze kleine kínderen spelen, vinden we heel normaal. Zolang de kinderen op de lagere school zitten, stimuleren we het spelen, liefst buiten, liefst met anderen. Ga naar buiten en speel!

Spelen is spelen zolang het vrij is, zonder doelstelling, meetlat of eindbestemming. Door verwondering en ontdekking ervaren wat er allemaal mogelijk is, binnen en buiten jezelf. Alles misschien of even bijzonder weinig, dat kan ook. Klooien dus. Gewoon vrij baan tot om zes uur het eten op tafel staat.

Op het moment dat je een eis aan het spelen gaat stellen, verander je het effect. Dan komen prestige en concurrentie om de hoek kijken en dat beïnvloedt het spel. Dat is precies de reden dat ik het spelen dat mijn dochter op haar telefoon doet, geen spelen vind. Het wordt namelijk meteen gedeeld, er kijken anderen mee, er is een norm en een standaard en dat zijn allemaal belemmerende factoren voor het spelen.

Mocht het eindresultaat van het spelen het delen waard zijn, is dat een leuke bijkomstigheid, maar het spel wordt anders wanneer het delen tot doel wordt verheven.

Ik knutsel graag. Het is iets wat ik iedereen zou aanraden. De knutselkist bestaat uit bijzonder weinig dat te koop is in de knutselwinkel. Hij zit vol met steentjes, schelpjes, takjes, botjes, kleurtjes, dingetjes. Allemaal zaken die ik uit de zakken pluk voor de wasmachine aangaat. Als ik de kist op tafel zet, verdwijnt alle pretentie, alle maatstaven, alle angst. We gaan een beetje klooien. We vergeten de tijd. Mijn dochter vergeet haar telefoon. Er is even niets aan het hoofd behalve dat wat er op dat moment is, en al die ruimte om te ontdekken. Ik klooi inmiddels lang genoeg om erop te kunnen vertrouwen dat er uiteindelijk iets uitkomt. Na het klooien schiet me de oplossing voor een plan te binnen, het plot voor een nieuw verhaal, het onderwerp voor een nieuwe blog. Mijn dochter heeft deze ervaring nog niet. Toch is ze prima tot klooien in staat. Ze leert klooien of misschien leer ik haar het niet te verleren, het klooien. Ze vergeet daarbij haar telefoon en dat vind ik voorlopig meer dan voldoende.

Al dat soort dingen

Ik fietste over de dijk, mijn hond naast me. Het was zomaar een dag. Ik fietste zomaar ergens heen. De lucht was niet uitgesproken blauw. Het was niet beláchelijk mooi. Dat kán het soms wel zijn op de dijk aan de Waal; be-la-che-lijk mooi. Zó mooi dat ik iedereen die ik lief heb het liefst tegelijkertijd wil bellen om te zeggen: kom snel kijken, het is zó mooi! Maar zo was het dus niet. Het was een gewone dag en ik fietste gewoon.

Uit het niets dacht ik aan de ellende die de afgelopen jaren door mijn leven was gedenderd. Ik kan niet goed inschatten of ik een grotere of kleinere dosis ellende in mijn leven krijg dan menig andere Westerse vrouw. Ik denk dat je dat ook beter niet kunt proberen te vergelijken. Maar de dosis ellende waar ik mijzelf in heb geworpen, heeft bij tijd en wijle toch wel gevoeld als flink. Een flinke dosis. Daar dacht ik aan en ik zag die flinke dosis in brokjes voorbij komen. En ik realiseerde me dat ik er gewoon nog ben, dat ik wel eens heb gedacht; ik red het niet, maar dat bleek dus onzin, want ik redde het wel.

Ik heb wel eens gedacht: ik trék dit niet meer. Dat bleek ook onzin, ik trok het wel, of na een tijdje trok ik het gewoon weer. Ik dacht ook wel eens: dit lukt dus nooit. Dat was ook al niet waar, of misschien even maar daarna toch niet. Ik dacht: dit doe ik dus nooit meer. Dat bleek al helemáál onzin, want voor ik het wist, stortte ik me er gewoon weer in. En met dat laatste ben ik bijzonder blij.

Stel je zou alles wat eens verkeerd is afgelopen nooit meer doen? Keer ranzig gegeten in een restaurant? Nooit meer buiten de deur eten! Een keer in koud water gesprongen en heel erg geschrokken? Nooit meer zwemmen! Een keer een liefdesrelatie gehad die geen standhield? Nooit meer aan beginnen!

Of wel natuurlijk. Of je doet alles gewoon nog een keer om te zien hoe het dit keer uitpakt.

Het blijkt een goede methode te zijn: iets wat eerder niet is gelukt nog een keer doen omdat je het nu anders kunt aanpakken. Ja en ik hoor jullie heus wel nu met z’n 2650-en roepen: ja jaaaa Koren, makkelijk lullen maar we hebben er geen vertrouwen meer in!

En kijk, dat is dus ook nergens voor nodig, heb ik ontdekt. Fuck vertrouwen, doe het gewoon nog een keer, dan komt dat vertrouwen vanzelf wel weer.

Nouja, ik fietste dus over die dijk en bedacht me dat allemaal. Dat dat toch zo fucking fijn is, dat alles gewoon doorgaat en dat je het allemaal nóg een keer kunt doen. Al dat soort dingen.

Flexibel als een paling

Vroeger, lang geleden toen ons jaartal nog met 18 begon, vonden we het leuk om een levende paling aan een touwtje boven het water te laten bungelen. We gingen dan met een bootje onder de brug door om het gladde beest van het touw te trekken, wat meestal niet lukte waardoor het lekker lang duurde. Toen we langzaamaan begonnen in te zien dat dit volksgebruik ook wel dierenmishandeling was, werd het verboden, maar niet zonder slag of stoot. Massaal kwamen we in opstand om deze traditie, waar we zoveel plezier aan beleefden, te beschermen. De Palingoproer die ontstond heeft niet geholpen; tegenwoordig voelt niemand meer de behoefte om een levend dier vanaf een brug uit elkaar te trekken. Gelukkig maar.

Als mensen geven we goede dingen graag aan elkaar door. We willen ons verbinden en een duidelijke identiteit hebben. Om dat te versterken eigenen we ons gebruiken, religies, geloven, eigenschappen toe die dat onderstrepen. Lekker duidelijk. Tenminste zo lang de omstandigheden hetzelfde blijven. Zodra die veranderen, gaan we hard vechten om die duidelijke kaders in stand te houden. Want ojee, wat als het anders moet?

Het doorgeven van gebruiken en tradities heeft zeker een verbindend effect. Wij gingen vroeger thuis jaarlijks naar de nachtmis van de katholieke kerk op kerstavond. Bij thuiskomst was er iets lekkers, mochten we lang opblijven en lag er voor iedereen een pakje onder de boom, dat steevast een boek bleek te zijn. Ik koester die herinnering. Ik weet nog goed hoe ik me voorbereidde op die avond waarvan ik precies wist wat me te wachten stond. Hoewel ik door het jaar heen alleen maar met goede zin naar de kerk ging als ik in mijn eentje het onze vader mocht voorzingen, was dit een goede uitzondering. Ik deed mijn mooiste jurk aan, wachtte op de complimenten van mijn vader als ik beneden kwam. We zaten met zijn vijven naast elkaar op de harde houten banken van de grote koude kerk, om beurten het kleine broertje dropjes toestoppend zodat hij zich gedeisd hield en ik voelde ons een gelukkig gezin. Een gevoel waar ik overigens door de rest van het jaar heen aardig naar op zoek was. Maar we werden groter, verlieten om beurten het ouderlijk nest en ook de ouders zelf verlieten elkaar. Nu gaat niemand meer naar de nachtmis, niemand van ons gaat zelfs meer naar de kerk. Er is van alles veranderd en dat is prima. Meer dan prima.

Ik vind tradities en gebruiken mooi. Ze definiëren ons. Maar nog mooier vind ik de kracht van de mens om mee te bewegen met de veranderingen die we meemaken, die we nota bene vaak zelf in gang zetten. Onze wereld is voortdurend in verandering, zoals wijzelf voortdurend veranderen: in aantal, in formaat, in leeftijd, in intelligentie, in beschikking over kennis. Tradities en gebruiken schieten hun doel voorbij als er koste wat kost aan wordt vastgehouden. Zo zorgt zwarte piet al jaren voor veel verdriet. En er is niemand die vraagt om het feest af te schaffen. Er wordt alleen gevraagd om een beetje bij te stellen, om eens opnieuw te kijken naar wat er gebeurd en wat het teweeg brengt. Om respect te hebben en om aan te passen.

Deze week werd er in het kabinet vergaderd over een vuurwerkverbod. Ook aan vuurwerkavonden heb ik mooie herinneringen. De spanning van het moment. Hoe we allemaal wachten op die ene pijl, de duurste, hoe de buren toch altijd meer hadden.

Toen ik zelf eenmaal kinderen had, kocht ik nooit vuurwerk omdat ik het altijd zonde van het geld vond. Voor dat geld kocht ik liever een dikke vette biologische scharrelkip zodat er uitgebreid gegeten zou worden. Een gebruik dat ik het komende jaar misschien eens moet gaan loslaten. Ook hoeven we niet meer te wachten op twaalf uur, want drie weken voor oudjaarsnacht begint het al. Dit jaar ging het tot vroeg in de ochtend door. De traditie van een paar knallen op het nachtelijk uur, een paar pijlen de lucht in, is in de afgelopen twintig jaar veranderd in een drie weken durende oorlogszone waarbij slachtoffers vallen. Dat is nooit de bedoeling geweest. Ook nu wordt er gevraagd om bijstelling. Om de situatie opnieuw te beschouwen en te herzien en je af te vragen; klopt het nog wel wat we hier aan het doen zijn?

Als je daartoe niet bereid bent, te overzien en te heroverwegen. Als je niet bereid bent om, ondanks het feit dat iets je lief is, onder ogen te zien dat de schade op andere fronten te groot is. Als je hoe dan ook de vis wil proberen kapot te trekken vanaf je bootje op het water omdat het zoveel plezier en hilariteit oplevert. Dan ben je geen mensenmens. Dan ben je niet op zoek naar verbinding. Dan ben je een starre lul of een stijve trut en dan wordt het tijd dat je je dat eens realiseert, om je heen kijkt en heroverweegt.

We zitten op een prachtige wereld, met prachtige mensen. Het worden er zelfs iedere minuut meer. Heroverwegen en bijstellen is géén teken van zwakte. Het betekent níet dat je je eigen identiteit loslaat. Het betekent dat je eigen identiteit, die van je volk en van je soort niet afhangt van tradities en gebruiken. Het betekent dat we niet worden gedefinieerd door dat waaraan we vasthouden maar door dat wat we bereid zijn los te laten. Wat overblijft is liefde en respect en daar kunnen we heus nog een hoop lol aan beleven. Beloofd.