Ik ben van niemand

Van alle dingen die ik het liefste wil, is van mijzelf zijn het meest van belang. Van mezelf zijn en daar tevreden over zijn, dat lijkt bijna onmogelijk.

Opgroeiend in een traditioneel gezin waarin mijn vader als hoofd van het geheel duidelijk de bepalende stem had, mijn moeder niet buitenshuis werkte en klaar zat met thee en koekjes als wij uit school kwamen, ben ik gewend me te voegen. Zo was immers het voorbeeld. Mijn vader voegde zich naar de grillen van zijn baas. Moeder voegde zich naar vader. Voegen was de norm. We noemden dat ook wel ‘rekening houden met elkaar’, maar dat is toch ècht iets anders.

Ik verliet het ouderlijk huis jong en liep regelrecht in de armen van een man die vrij onomwonden van mij verwachtte dat ik mij voegde. Ik kende het woord niet, had geen benul van voegen en deed het onverminderd. Al roepend dat iedereen de takketering kon krijgen en dat ik vooral en met náme mijn eígen ding deed. Alleen achteraf kun je beschouwen.

Er volgden relaties; liefdesrelaties, vriendschappen en nieuwe banden zoals die met mijn twee kinderen. Overal viel wel iets uit te leren en dat deed ik ook. Gretig. Altijd onderzoekend, altijd in retrospectief, altijd mezelf binnenstebuiten kerend.

Nu ben ik drieënveertig, zijn mijn kinderen groot, ben ik mijn eigen werkgever, laat de hond het liefst zichzelf uit. Voegen is niet meer aan de orde. Met de mensen in mijn leven overlég ik, soms komen we tot de conclusie dat een van ons water bij de wijn kan doen, dan wordt er besloten wie. Er wordt over gepraat. Dat is prettig.

Hoewel (!) nu er zoveel ruimte is om van mijzelf te zijn, ontstaat er soms ineens een neiging om mij te voegen. Ik kán het namelijk; voegen. Met voegen maak ik dat wat ik zelf wil en kan ondergeschikt aan de wens van de ander. Dat is lekker makkelijk. Dat wat ik zelf wil en kan is me namelijk wat waard, het zou bijzonder pijnlijk zijn als dát allemaal niet lukt. Het is ineens soms makkelijker me te voegen naar de wensen van een ander, ook al vraagt diegene dat niet eens van me. Het biedt me uitstel. Het biedt me de mogelijkheid tot verschuilen. Tot niet keihard vechten voor wat ikzelf te doen heb met het risico glorieus te falen.

Ik realiseer het me als ik op het strand loop. Het is voorjaar, de zon schijnt. Het Waalwater is 12 graden. Toch heb ik er net ingelegen. Als ik terugloop naar mijn fiets tintelt mijn huid. Sinds kort weet ik dat mijn eerste roman aankomende zomer zal verschijnen. Er ligt voldoende werk klaar om daar een bundel op te laten volgen. Ik speel al een jaar met een idee voor een ander boek. Dit is wat ik te doen heb. Ik wil niets anders. Toch weet ik dat als de liefde me nu zou vragen om alles neer te leggen en me te voegen er ergens een verlangen zou zijn om dit te doen. Dan zou ik zorgen voor thee en koekjes om nooit te hoeven ontdekken wat ik allemaal níet heb kunnen waarmaken. Maar er is geen liefde die me dat vraagt omdat ikzelf eindelijk begrepen heb dat de liefde die dat van me zou vragen helemaal geen liefde is.

Ik ben het zelf. Ik blijk het al die tijd zelf te zijn geweest. Ik blijk al die tijd al van mijzelf te zijn geweest. Laat ik nu maar gewoon doorschrijven dan.

Spartelen

Spartelen

Toen ik mijn vriendje voor de derde keer zou gaan ontmoeten, belde ik van te voren vriend M. Hij is erg begaan met mijn liefdesleven en heeft van dichtbij meegemaakt hoe ik mij de afgelopen anderhalf jaar weer danig in de kreukels had weten te krijgen. We hadden afgesproken dat hij vanaf nu tot de ballotagecommissie zou behoren.

Ik ga die gast nog een keer zien, zei ik.

Ok leuk, zei hij, want ‘die gast’ was al door de eerste keuring heen. Hij wist over wie het ging en was vóór een derde afspraak. Doe je voorzichtig? Die vraag kon alleen maar slaan op het feit dat ik in de grote stad, Amsterdam waar onze afspraak zich zou afspelen, beter dan thuis moest letten op mijn tas en portemonnee. Waar anders zou ik voorzichtig mee moeten doen? Ik knikte braaf. Ik stond op de speaker, vriendin B. luisterde op de achtergrond mee.

Niet meteen met hem naar bed gaan hè, riep ze, laat hem even spartelen. Een tikkeltje beduusd hing ik op.

We liggen in bed te kletsen, het vriendje en ik, het is vroeg in de ochtend en inmiddels drie maanden later. Het raam staat open en een koude wind trekt door de slaapkamer. We zijn bijna even oud, beiden veertig plus. Als we ons redelijk gemiddeld gedragen, zitten we zo’n beetje op de helft van ons leven. Dat zou mooi zijn. De eerste helft van elkaars leven hebben we dus totaal gemist. Dat is niet erg. Ik heb mensen en dingen en avonturen meegemaakt die ik niet had willen missen. Voor hem geldt hetzelfde. Door al die gebeurtenissen ben ik nu wie ik ben en dat is misschien wel meteen de reden dat we elkaar zo leuk vinden, want dat vinden we.

Waar het gesprek ineens vandaan komt weet ik niet, maar ik hoor mezelf vragen met hoeveel vrouwen hij het bed heeft gedeeld. Ik heb zijn verhalen aangehoord de afgelopen maanden. Daar zaten ook verhalen bij over voorgaande liefdes. Liefdes van kort geleden van wie het hart nog vol is, liefdes van langer geleden, liefdes die geen liefde waren maar wel seks, seks wat niet echt seks was of juist wel of meer liefde bleek en noem maar op. Ik vind die verhalen leuk. Ik heb ze ook.

Wat telt? vraagt hij, alle seks of alleen penetratie? Daar moet ik over nadenken. Ik ken seks die beduidender was zónder penetratie dan andere seks mét. Als je moet aangeven met hoeveel mensen je hét hebt gedaan, wat tel je dan? We spreken af dat alle beduidende seks telt. Hij begint hardop op zijn vingers te tellen en roept een getal.

Als je erover gaat bloggen, moet je naar boven afronden, zegt hij lachend. Hoe meer hoe beter is kennelijk de norm voor de man. Het is even stil in de slaapkamer. In mijn hoofd maak ik vast mijn eigen lijstje.

En jij, vraagt hij, juist als ik denk dat de vraag misschien niet terug wordt gesteld. Ik noem een getal wat kort voor zijn getal komt. Dan is het weer stil. Ik vraag me af of hij nu schrikt en zich zo onaangedaan mogelijk probeert te tonen. Ik kan het niet zien in het donker.

En, vraag ik dan maar, wat vind je daarvan?

Wel fijn, zegt hij, kennelijk zijn we er een beetje hetzelfde mee omgegaan de eerste helft van ons leven. Dat klopt.

Ik voelde niet de behoefte om het getal naar boven af te ronden. Sterker nog, de eerste gedachte die bij me opkwam was dat hij me wellicht een sloerie zou vinden, terwijl dat woord niet in me opkwam toen hij zijn getal noemde.

Toen ik het telefoongesprek met M. had beëindigd en nog even beduusd op de rand van mijn bed bleef zitten en nadacht over dat spartelen wat ik mijn nieuwe vriendje kennelijk moest laten doen, bekroop me een vreemd gevoel. Ik voelde nergens, niet in het mínste, de behoefte om een man te laten spártelen. Ik heb de zin er nooit van ingezien. Ik vind het van belang vooral te luisteren naar wat ik zelf wil en hoe ik me daarbij voel. Was ik daarmee te makkelijk? Ik belde M. terug.

Waaróm moet ik hem laten spartelen? vroeg ik. Ik voelde me een klein meisje, alsof er al die jaren al iets to-taal aan me voorbij was gegaan. M. lachte: Ja waarom eigenlijk.

Het laten spartelen geeft me het gevoel dat seks iets is dat ik voor hém doe. Iets wat ik hem voorhoud en waar ik hem nog even op moet laten wachten, totdat ik zeker weet dat hij het waard is. Maar wat betekent dat? Ik ben prima in staat om zelf te voelen met wie ik naar bed wil en met wie niet, ook wanneer ik dat doe en wil en hóe kan ik prima zelf beslissen. Ik ga ervan uit dat de ander dat ook kan. Voor zichzelf. Dan komen we er wel, lijkt me zo.

Ik heb een dochter van veertien met wie ik regelmatig praat over relaties, verliefdheden en seks. Ik zeg haar nooit dat ze, wanneer ze er klaar voor is, toch nog moet wachten en al helemaal niet dat ze hem moet laten wachten. Ik wil haar meegeven dat ze haar grenzen én behoeften serieus moet nemen, evenals die van een ander. Spartelen is iets wat we in de Waal doen en dat is heerlijk.

Mijn nieuwe liefje heeft mijn zwemavonturen van de afgelopen maanden op de voet gevolgd. Hij laat zich er niet snel onder krijgen op dat gebied. De zon schijnt op het bed door de kier in de gordijnen. Van buiten komt merelgetjielp. Het is april, koud, maar de lucht is blauw zien we als hij opstaat en de gordijnen opentrekt. In zijn mooie blote lijf staat hij voor mijn raam van waaruit je de Waal niet kunt zien, maar in gedachten ziet hij haar kennelijk toch. Zonder zich om te draaien vraagt hij: zullen we een duikje gaan nemen? Even spartelen bedoel je? Vraag ik vanuit het bed. Hij knikt. Hij heeft het begrepen.

TIP: Sunny Bergman maakte een prachtige nieuwe documentaire over de man: Man Made. Kijk:
https://www.npostart.nl/2doc-man-made/08-04-2019/VPWON_1288938

Mamaaaaaa

Mijn dochter brult al dagen de eerste drie regels van het refrein van Bohemian Rapsody door het huis. Haar Engels is nog niet zo best waardoor eigenlijk alleen de Mamaaaaaa luid en duidelijk doorkomt. Dat doet ze ook het liefst. Ze maakt er werk van: gaat voor me staan, neemt haar onzichtbare microfoon ter hand, haalt diep adem en schalt: Mamaaaaaaaa, gevolgd door een riedeltje jabbatalk.

Het is meestal de aanzet tot een verzoek. Mamaaaaaaaaaa, mag ik logeren? Mamaaaaaaaaaaa, eten we pizza? Mamaaaaaaaaaaa, wil je me voorlezen? is de nieuwste.

Sinds ik mamaaaaaaaa ben, probeer ik mijn kinderen te enthousiasmeren voor literatuur. Tot nog toe heeft het knisperboekje van Nijntje met vlag en wimpel gewonnen. Daarna ging het snel bergafwaarts. Op haar achtste bleek ook een beetje waarom: dyslexie. En hoewel ze ‘slechts’ aan een milde vorm van dyslexie lijdt, het drukt de pret van het lezen toch.

Maar nu ze op de middelbare school zit, dient er serieus gelezen worden. Ze moet een heus boek kiezen voor Nederlands. Als ze me erover vertelt, hangt ze als een vaatdoekje over de bank: Ik moet een echt boek lezen. Ze kreunt er een beetje bij. Mijn tenen krommen. Ik fietste als kind wekelijks vrijwillig naar de bieb om met het maximaal toegestane aantal boeken weer huiswaarts te keren. Toen ik slaagde voor de havo kreeg ik van mijn moeder een eerste druk bundeltje Duitse poëzie vol Goethe uit het plaatselijke tweedehands winkeltje. Mijn moeder had me al vaker gadegeslagen terwijl ik opnieuw en opnieuw keek naar de prijs in het boek. Ik snap heus wel dat dat ook niet helemaal normaal was.

De dochter laat de datum waarop het boek uit moet zijn en ze er een presentatie over moet geven, zonder zichtbare stress dichterbij komen. Daadwerkelijk een boek uitkiezen, lijkt niet in haar op te komen, laat staan dat ze ergens in begint. Ik opper zo nu en dan iets; zullen we even naar de bieb samen?

Neuh.

Tuurlijk niet. Waarom ook?

Als ik op een middag thuiskom, hangt ze op de bank met Anne Frank voor haar neus. Mijn god. Driehonderdzoveel pagina’s. Ik weet wat dat betekent. Er zal iets van mijn doorzettingsvermogen gevraagd worden de komende tijd. Van dat van haar ook natúúrlijk, dat bedoel ik.

Als we een paar weken verder zijn en ze ongeveer halverwege het boek is zegt ze; tis wel kut dat ze schrijven nu zo leuk begint te vinden mam, het worden elke dag langere stukken.

Zo kun je ook naar het verhaal kijken inderdaad. We lezen iedere dag ook een stuk samen. Ik verbaas me over de woordenschat en zinsbouw van Anne Frank. Slimme meid. De dochter merkt nog iets anders op: zeker wel dat ze lesbisch was he mam, hoe graag die aan borsten wil zitten. Was me ook nooit opgevallen. Zo leer je nog eens iets.

Om haar te motiveren, houd ik haar een dagje Amsterdam met bezoek aan Het Achterhuis voor. Daar verheugt ze zich op, helemaal als ze een vriendin mee mag nemen. Het lezen vordert gestaag. Heb je al kaarten mam? vraagt ze zo nu en dan. Ik hum, oja die kaarten, dat regel ik zo wel even.

Het boek komt uit. Het is een wonder. Ze is er stil van. Ze vindt het ook nog mooi. Ik maak een huppeltje, het is gelukt. Enthousiast begint ze aan haar presentatie, appt haar vriendin of ze de polaroid camera mee wil nemen naar Amsterdam, vraagt tussendoor of ik die kaarten nou al heb. Ik schrik. De kaarten ja, dat moest ik nog doen. Ja hoor, lieg ik en snel naar boven om kaarten te reserveren. Online zijn er 1140 wachtenden voor me. Ik ben te laat. Ze heeft het niet van vreemden.

Schaamte

Schaamte

Mijn broer nodigt mij uit voor een avondje sauna. Dat doet hij regelmatig; mij uitnodigen. Hij is dol op mij en zich bewust van het feit dat mijn financiële situatie, laten we het noemen, on-sta-bie-ler is dan de zijne, en dus nodigt hij mij uit.

Ik accepteer de uitnodiging. Ik ben dol op mijn broer en dol op een saunabezoek. Een combinatie van die twee is dus logischerwijs een favoriete avondvulling.

Liever heb ik het echter omgekeerd; dat ik hém zou kunnen uitnodigen. Iemand uitnodigen, trakteren, geeft mij altijd een heel fijn gevoel. De boodschap is: het gaat mij goed en dat deel ik graag met jóu! Hoezee!

Iets aannemen geeft mij doorgaans óók een fijn gevoel. De boodschap is dan: het gaat de ander goed en die wil dat met míj delen! Nog meer Hoezee!

Maar van iets aannemen omdat het anders niet kan doorgaan, of iets aannemen nadát ik erom heb moeten vragen, kruip ik doorgaans het allerliefste in een holletje. Van de boodschap blijft weinig meer over dan: Heidi is een grote prutser. Boehoe!

Ik ben opgegroeid met de gedachte dat hard werken belangrijk is, geld verdienen een noodzaak en dat wie je bent af te meten is aan wat je aan de wereld laat zien. Die tekst is me niet zo letterlijk gevoerd, maar dat is wel mijn interpretatie geweest.

Mijn leven lang worstel ik al met de intense behoefte om ten volle uit te kunnen zijn wie ik ben en daarin zo min mogelijk concessies te doen. Ik ben er zo één die roept; ik moet mijn hart volgen. En wie wordt er nou niet onpasselijk van dat soort teksten? Maar ík ben er dus zo een. Maak regelmatig beslissingen die allerminst praktisch zijn, die mij beslist geen aanzien of respect opleveren en nóg minder geld. Ik maak die beslissingen omdat het nu eenmaal niet anders is met Heidi Koren. Dit is het en zo moet het dus maar. Tja. Wie daar wat van vindt, mag het zeggen.

De beslissingen die ik neem, zijn allemaal terug te voeren op óf de intense behoefte om te schrijven óf de innerlijke noodzaak mijzelf en de ander op geen enkel vlak te verloochenen.

Wonderlijk is, dat hoewel ik ten zeerste geloof dat dit précies is hoe ik in mijn leven wil staan, de schaamte die mij overvalt als ik weer eens in mijn hemd sta. Ik ben dus in staat ergens volledig achter te staan maar mij evengoed te schamen voor de consequenties hiervan. Dat bevreemdt mij. Let op:

Ik heb de vaders van mijn beide kinderen verlaten. Dus ja, inderdaad: ik heb twee kinderen van verschillende vaders. Ik heb een carrière opgezegd om boekverkoper te worden waarmee ik tien jaar lang een tientje per uur heb verdiend. Ik heb géén universitaire,- of hbo-studie afgerond. Er liggen twee romans in mijn bureaulade die niet lijken te worden uitgegeven. Van mijn wel uitgegeven bundel heeft vrijwel niemand gehoord.

Allemaal zaken waarvoor ik mij in meer of mindere mate schaam, terwijl ik ze exáct zo nog eens zou doen als ik opnieuw voor de beslissing zou staan.

De wekker gaat om acht uur. Om negen uur word ik verwacht aan de rivier voor De Duik. J. en komen om beurten naar elkaar toe. Deze week is het mijn beurt om door de polder naar haar kant van de rivier te rijden. Ik ben echter gisteravond laat thuis gekomen uit de sauna terwijl de laatste 15 km van mijn rit het alarmerende lampje op mijn dashboard al brandde. De tank is leeg. Er staat nog twee euro vijfenzestig op mijn rekening. (een goed bedrag om je voor te schamen.) Ik gokte erop dat het goed zou gaan en dat is ook gebeurd.

Vanaf zeven uur lig ik al naar de rabo-app te staren om te zien of er een wonder zal geschieden, wat níet het geval is. Ik zal J. moeten vragen of ze mijn kant uit wil komen maar weiger nog. Ik overweeg haar een appje te sturen met: wil je naar mij komen, ik heb panne, want ik schaam mij zo hard voor het feit dat ik het wederom eens niet voor elkaar heb. Maar bij de gedachte dat ik dan ook nog eens tegen haar lieg, word ik waar mogelijk nog kleiner dan ik mij al voel en dus besluit ik te sturen: er staat geen geld op mijn rekening en de tank is leeg. Kun je naar mij komen? Ze antwoordt met een duimpje. Ik druk mijn telefoon uit, schiet in mijn joggingbroek en fiets naar de rivier.

Het water staat hoog. Alles is grijs. Mijn hoofd, de lucht, het water. J. komt aanlopen. We lopen zwijgend naar ons plekje dat is verzopen. Er is geen sprake meer van strand. De weide gaat zonder aankondiging over in rivier. We kijken in de drab en zuchten. Mijn kop klopt. Ik weet niet of het betekent; pas op gevaar, ga dat water niet in, of; schiet een beetje op en ga dat water in. Ik besluit tot dat laatste en kijk naar J.

We kleden ons uit en lopen door de drek het bruine soepje in. Ik doe net of het heel normaal is, dat doe ik wel vaker als ik niet weet wat ik van mezelf vind. Ik loop door, een beetje als Virginia met haar stenen in haar mantel. Zo kun je je wel eens voelen. Ik niet natuurlijk. Kopje onder. Kopje weer boven. Goddomme lekker eigenlijk. Nog een keertje. Mijn mondhoeken krullen. J. is gewoon weggezwommen. Die doet helemaal net of het zomer is. Ik lach om haar. Ze is fantastisch. Over een ander hoef je nooit uit te leggen waarom iemand fantastisch is. Dat hoef je niet te meten, het is gewoon een feit. Bij mijzelf heb ik altijd lijstjes nodig. Lange lijstjes vol dingen die ik goed kan en die van waarde zijn voor de wereld om te snappen dat ik ook fantastisch ben. Vaak lukken dat soort lijstjes dus niet. Dan doe ik maar alsof. Misschien doen de meeste mensen dat wel. Dat we ons schamen voor al die dingen waarin we dus niet uitblinken daar hebben we het liever niet over. Ik moet dat dus wel. Vanaf nu wel vaker waarschijnlijk. Daar gaan we weer. Ik heb weer iets nieuws gevonden waarmee ik mij waarschijnlijk ongekend impopulair zal maken. Hoezee.

Leerzaam

De wekker gaat om half zes. Omdat ik me de hele nacht al bewust ben van het feit dat de wekker om half zes moet gaan, heb ik ieder uur even gecheckt of hij dat ook werkelijk van plan is. Hij doet het als ik in mijn dromen net een berghellinkje afhol met gespreide armen, op een tamelijk Julie Andrews-achtige wijze. Ik schiet overeind en hol naar de douche, niet zonder mijn teen aan het badkamerdrempeltje te stoten uiteraard. Daar word je pas echt wakker van.

Een uur later parkeer ik voor het Goffertstadion. Links en rechts van mij wordt ook geparkeerd. Binnen is een ontbijt van BNI, een wereldwijde netwerkorganisatie van ondernemers. BNI is verdeeld in zogenaamde Chapters. Ondernemers komen hier voor Business, voor Succesevolving en voor Exchanging Workrelations. Ze houden een pitch en geven positive feedback, allemaal tamelijk logisch. Bij de deur krijg ik een sticker op mijn linkertiet met Heidi. Dat vind ik een beetje teleurstellend. Ik verander het op de wc snel voor SEO – VanKoren en loop tevreden de lounge binnen.

Als we na twee uur de bijeenkomst gezamenlijk afsluiten wordt me gevraagd in drie woorden mijn bevindingen te formuleren. Tijd is geld. Niet te veel gelul. Ik zeg: leerzaam en ben direct in mijzelf teleurgesteld; mag ik er drie, komt er maar één, mag ik er vierhonderd, moet ik er altijd honderd schrappen.

In de auto ontvang ik een appje van J: Ik ben er al. Het is tien voor negen. Het weer is bar, zegt ze. Ik scheur naar de rivier en parkeer met twee wielen in de blubber, waar ik direct met mijn hakken in wegzink als ik uitstap. Ook de zoom van mijn plooibroek zakt er in weg. Ik trek de pumps uit en wissel ze voor mijn regenlaarzen, pak de badhanddoek en hol naar de waterkant. Als ik bij haar aankom zit mijn make up all over the place. Ik kus haar en kleed me uit terwijl ik heel hard vloek. Het is de ergste duik ooit. De regen striemt hard tegen mijn naakte lijf. J. is er ook niet blij mee. We kijken elkaar maar niet aan voor het geval iemand het in zijn hoofd haalt voor te stellen dat we zouden kunnen overslaan deze keer. Het moet snel. Geen gedraal. Mijn mooie broek waait direct weg als ik hem neerleg. De hond springt met zijn blubberpoten op mijn dure bloesje. Ik vloek. Er zit mascara in mijn oog. Het brandt. Ik ren het water in. Eerst tot mijn buik. Even ademhalen, dan koppie onder. Best lekker. Windstil ook. Eigenlijk is het erín beter dan er buíten. Ik blijf nog even en kijk vanaf daar toe hoe mijn onderbroek wegwaait, het strand over, de lucht in, in de richting van de stad. Nouja.

Langzaam

Het is de zevende keer vandaag. Ik tel ze op mijn vingers als ik de brug overloop. Ik ben te vroeg, het is pas half negen, maar ik vind het fijn eerst een eindje te wandelen voordat ik het water in moet. Voordat ik J. zie ook. Hoewel de ochtenden niet meer zo hectisch zijn als toen ik nog een héél gezin had en geen half. Toen er nog broodtrommels moesten worden gevuld, kinderen naar school gebracht, mannen gewekt, ruzie gemaakt, lijstjes afgewerkt, gekibbeld over wie wat en waarom de vuilnis was vergeten. Met het halve gezin gaat het heel relaxed: de dochter en ik staan op, zetten een muziekje op of het journaal aan. Ik maak pap of smeer een boterham en kruip achter de krant terwijl ik zo nu en dan roep; hoe laat is het meisje? Wat de enige methode bleek om haar op haar horloge te laten kijken. We eten wat. Ik zorg dat ze haar beker thee leegdrinkt, haar tas niet vergeet bij de deur, ontvang haar kusjes en sleep haar fiets uit de schuur. Dat vindt ze fijn. Dan zwaai ik: dag schatje tot vanmiddag. Of soms; tot volgende week. Dan gaat ze naar haar vader en ben ik de hele volgende week een kwartgezin met mezelf, waar ik dan ook weer van geniet.

Als ik de auto van J. naast de mijne zie stilhouden, draai ik om en loop haar tegemoet. De zon doet belachelijk hard haar best vandaag, een beetje aanstellerig zelfs. Het is februari. Nog geen negen uur in de ochtend. Doe een beetje normaal.

We glimlachen en houden elkaar even vast. J. en ik. Heel normaal. De ene hond bijt in de kop van de andere. De andere blaft hard en bijt in de kont van de ene. Wij kijken daarnaar. Wij zouden dat ook kunnen maar we overwegen het niet echt. Het is nog vroeg.

Dan kleden we ons uit. We gillen er niet bij maar lopen heel rustig het water in. Ik blijf even staan. Ik heb me voorgenomen om eens op te houden met dat hysterische gedoe. Ik ga áárden, dat ga ik doen. Dus ik aard. Hartstikke makkelijk. Geen idee waarom je daar een hele cursus voor zou moeten volgen. En dan lopen we erin. Gewoon pompidom, beetje dooraarden, beetje doorademen. Ik stel me maar een piepklein beetje aan als ik koppie onder moet, maar snap inmiddels dat dat gewoon een kwestie is van niet over nadenken. Zoals overigens de meeste dingen het eenvoudigst blijken. Koppie onder, vijf slagen en dan eruit.

Téring wat koud zeg. Genoeg met dat geaard. Snel aan de thee!

Liefde

Er is een nieuwe man in mijn leven. Hij is zó nieuw dat hij zelfs nog een beetje glimt. Verder is hij lang en heeft hij krullen. Soms, als hij buiten is geweest heeft hij ook nog rode wangen.

Hij was er ineens, hoewel dat natuurlijk niet helemaal waar is want er ging een beetje bozige installatie van Tinder aan vooraf. Die installatie kwam nadat de Liefde me voor de zoveelste keer níet kwam opzoeken in de koude boshut. Dus, de volgorde is ongeveer:  Afwezige liefde, kortstondige Tinderapplicatie, contact met de nieuwe man. Dat is allemaal al weer even geleden. Het was niet geheel de bedoeling dat de verveelde Tinder applicatie ineens zou leiden tot een nieuwe man in mijn leven. Het leek me meer een welkome afleiding. Verder was ik van plan mij niet meer zo bezig te houden met zaken rondom liefde en wat er zoal voor doorgaat. Maar dat liep dus anders.

In groot contrast met de Liefde, die zo’n groot onderdeel van mijn leven was de afgelopen anderhalf jaar, is deze man beníeuwd naar mij en mijn leven. Hij komt in mijn huis. Ik kijk een beetje hoe hij zich in mijn huis beweegt. Vrij soepel eigenlijk, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, maar dat is het natuurlijk niet. Hoewel het snel went. Hij is ook benieuwd naar alles wat ik doe. Hij vraagt daar naar; wat ik doe, hoe ik dat doe, waarom ik dat doe. Dat vind ik leuk. Ik heb mezelf allang niet meer zo veel horen praten. Hoewel dat waarschijnlijk ook onzin is.

Hij wil ook nog alles zien. Ik roep nog een beetje: Hoho, maar dat stelt weinig voor. Ik vind het al snel fijn om hem alles te laten zien. Hij wil zelfs De Duik met me doen. Dat doen we. Het is een fijne duik. Hij staat op mijn strand, met zijn krullen en zijn glimmende mannenlijf.

Tussendoor bel ik met de Liefde, de altijd afwezige liefde. Ik vertel hem over de nieuwe man. Hij is stil aan de lijn. Het was niet zijn intentie om altijd afwezig te zijn, en hij weet dat hij het evengoed altijd was; afwezig. We verklaren elkaar de liefde nog maar weer eens een keer. Een andersoortige liefde dit keer, die van in mijn hart, ja jij ook, en loslaten en gunnen en ga maar enzovoorts enzoverder. De theatrale kant van het leven is ons niet vreemd.

Ik vertel de man over dat gesprek. Ik kijk naar de man. Hij heeft lieve ogen, mooi ook. Ik wil steeds wat dichterbij hem kruipen. Hij is ineens niet meer ‘de nieuwe man’. Hij wordt ook een beetje de Liefde, steeds meer eigenlijk. Best vlot ook nog. Man wat gebeurt er?

Hij trekt me een beetje tegen zich aan. Hij heeft zelf ook nog een Liefde, een oude, een nieuwe, en God weet wat nog meer. Maar nu ben ik hier met hem en dat is fijn. Nee, dat is meer dan fijn. Ik glunder daar van: rode wangetjes en krullen. Hup die waal in om af te koelen, rondjes rennen om weer warm te worden, maar dat blijkt niet nodig vandaag. Ik ben dat al. Al die liefde toch, wat een gedoe. En wat mooi. Wat een mooi gedoe.

Het organiseren van de terugtocht

Je bent ten strijde getrokken zonder dat je het wist.

Je bent ten strijde getrokken zonder dat je het wist.

(Ooievaars zijn het jaar rond gebleven. Je komt ze iedere morgen tegen. Het is een dag waarop grijs plaats heeft gemaakt voor lichtblauw. Je weet zo goed als zeker dat de laatste oorlog gewonnen is en besluit te glimlachen)

Onbewapend ben je. Je hele uitrusting ligt nog op het nachtkastje. Daar moet het sowieso vandaan maar dat is er nog niet van gekomen. Als je vergeefs naar je gordel grijpt, blijk je weer naakt. Nouja.

Het is nu vooral zaak eenduidige beslissingen te nemen. Iemand moet het doen. Naar huis gaan om je wapens te halen, je te bezinnen op de juiste strategie, een aanvalsplan uitwerken of

terugtrekken. In dat geval zal overmeestering waarschijnlijk niet uitblijven.

Besluiteloos vind je jezelf halverwege het oorlogspad. De vijand is al in aantocht. Hij ziet er verdomd lief uit. Je duikt de bosjes in. Trekt je benen op en neuriet zacht een wijsje dat je nog kent van vroeger. Als je het drie keer uit hebt zonder te stoppen zal hij wel voorbij getrokken zijn.

Misschien ligt hij thuis in bed op je te wachten, heeft hij de uitrusting opgeborgen, of niet.

Je wacht nog even. Het is nu vooral zaak geen eenduidige beslissingen te nemen. Dat heb je al zo vaak gedaan.

Er staan ooievaars in het veld. Daar kijk je naar.

Tering

Ik word on-ge-lo-fe-lijk chagrijnig wakker. Mijn kop doet zeer, maar ik snap direct dat dat niet de oorzaak van mijn chagrijn kan zijn. Chagrijnig zijn zit, hoewel ik dat heus wel eens ben, niet erg diep genesteld in mijn natuur. Al snel wordt me duidelijk waar het wél door komt. Een schel piepje komt vanuit de gang. Het geluid bezorgt me onmiddellijk de rillingen. Exact een minuut later klinkt het weer. Het heeft de hele nacht geklonken. De batterij van het brandalarm probeert mij te laten weten dat hij bijna niet meer kan. Ik herinner me weer hoe ik vannacht mijn kop onder het kussen stopte wat me makkelijker leek dan opstaan en het ding kapot slaan, of gewoon uitzetten. De piep heeft zich een tunnel door mijn brein gekloven, en nu doet alles zeer.

Als ik naar de badkamer strompel, stoot ik mijn teen over de drempel wat ik precíes alleen maar doe als ik chagrijnig ben. Ik vloek. Luid en duidelijk. Beneden maak ik havermoutpap en zet thee. Ik laat het thermosflesje vallen waar meteen zo’n grote deuk in zit dat hij niet meer goed sluit. Ik brand mijn tong aan de pap. Ik struikel over de hond. De stemming wordt er niet beter op.

Buiten is het wit. Wit en koud. Niet een beetje. Mijn badpak hang stijf bevroren aan de waslijn. Ik laat hem hangen en stap diep zuchtend in de auto.

Onderweg bedenk ik me dat het het slechtste idee was in tijden, dat wekelijkse zwemmen in de Waal. Ik oefen hoe ik dat J. moet duidelijk maken: ik doe het niet. Kut en takketering.

Ik staar vanaf de kant het water in als J komt aanlopen met een grote grijns op haar gezicht. Zij heeft duidelijk een betere nacht gehad dan ik.

Oh, toe maar even, zegt ze als ze mijn gezicht ziet, en ik ga even los over hoe alles kut is en wie er allemaal de takketering kan krijgen.

Zullen we dan maar gewoon? zegt ze. En ik volg haar bewegingen, terwijl ik nog een beetje door mekker.

Ze humt: hm hm, ja dat snap ik. Je hebt ook gelijk.

De lucht is grauw, teringgrauw. Het water is ook grauw. Het zand is bevroren. Ik wist niet dat het kón bevriezen. We kleden ons uit. Blote billen. Ondertussen beginnen we al een beetje te giechelen. Ik moet er steeds harder van lachen. We springen even op en neer. Kijken naar dat teringgrijze water en gillen ons warm, voor zover mogelijk. Dan rennen we er allebei in. Gillend. Hopsakee. Kopje onder óók nog, Beetje spartelen óók nog. Alles in mij staat in de fik. Mijn hart maakt een sprongetje van geluk. Mijn longen zuigen zich voller dan ik voor mogelijk hield. Onmiddellijk verschijnt er een enorme grijns op mijn gezicht. We roepen luid van ooh en aah en nog meer van dat en rennen er dan uit. Snel aankleden. De honden springen, blaffend als idioten, om ons heen. Ze gingen er zelf niet in vandaag. Watjes.

Een minuutje later zitten we naast elkaar op het strand. Zij en ik en iedere cel in ons lichaam. Kopje thee in onze handen. We kijken over de Waal. ‘T is een mooie dag.

Wat was er nou? Vraagt ze, terwijl ze in haar kopje blaast.

Oh niks, zeg ik.

De sleutel

In Trouw kom ik de volgende kop tegen: De sleutel om te kunnen moorden is afstand creëren. Een interessant artikel, waarin criminoloog en jurist Kjell Anderson een kijkje geeft in het denken van een moordenaar. Ik lees het op zaterdagmiddag, nadat ik terugkom van mijn wekelijkse rondje over de markt en aan de keukentafel zit met een beker koffie. Als ik het artikel uit heb, laat ik de pagina open op tafel liggen, zoals ik soms doe als ik met een bepaald thema nog niet helemaal klaar ben.

Vandaag is een waanzinnig mooie dag. De wereld gilt blauwe lucht en zonneschijn. Na mijn yogales kom ik thuis in een leeg huis. De dochter heeft een briefje neergelegd waaruit ik kan concluderen dat ik de dag zonder haar zal doorbrengen. Gelukkig begrijpen de hond en ik elkaar woordeloos. Ik giet hete koffie in een thermosflesje, stop een pen en een notitieboekje in m’n jaszak en loop met haar richting de Waal. Er zijn weinig dingen die ik liever doe op mooie dagen als deze.

Op mijn nieuwe route kom ik een beverbouwwerk en een vos tegen. Ook verwonder ik me over de weerspiegeling van het licht in het water. Ik aai een paard. Ik fotografeer een rund met prachtige horens en verbaas mij over de intense kleur groen van het mos dat groeit tegen de zijkant van een put. Alles in mij staat áán en soms is mijn enthousiasme zo groot dat ik blij ben wanneer ik een medewandelaar tegenkom met wie ik het even kan delen. Heb je dat gezien? Wat een prachtige dag hè? Moet je hier es kijken! Na het uitkramen van wat enthousiasme en vriendelijkheid kan ik weer tevreden alleen verder wandelen. De behoefte om te delen is kennelijk groot.

De trend van tegenwoordig lijkt soms wel te zijn dat we zo goed mogelijk worden in volkomen zelfstandigheid. In je eentje gelukkig kunnen zijn, lijkt het hoogst haalbare: ik moet kunnen varen op mijzelf. De yogajuf zegt regelmatig; het gaat nu alleen om jou. Maar doorgaans vind ik er geen zak aan als het alleen om mij gaat. Ik weet al wie ik ben en wat ik wil. Ik ben graag alleen en kan dat prima. Ik vaar allang mijn eigen koers en laat me daarvan niet snel weerhouden. Alles in mij wordt interessanter als het in relatie staat met een ander. Sterker nog; de hele zin van mijn leven valt of staat met het contact dat ik maak met de ander. Een bijzondere en intieme ontmoeting die ik onlangs had, deed me dat met een klein schrikje opnieuw realiseren; er is weinig fijner dan wérkelijk contact. Ik ervaar het ook als zeldzaam, immers niet iedereen is in staat tot het maken van werkelijk contact of dan toch tenminste niet iedereen mét iedereen. Het is dus alles behalve een vanzelfsprekendheid. Maar ik deel mijn leven nu eenmaal graag met mensen die in alle oprechtheid en liefde met mij in contact kunnen, willen en durven komen. Daar gaat uiteraard aan vooraf dat ik in staat ben met mijzelf een werkelijk contact aan te gaan zoals de ander daartoe ook in staat moet zijn. Ongetwijfeld geldt dit niet voor iedereen. Legio mensen hebben volledig andere prioriteiten in het leven dan dit. Maar voor mij geldt; zonder die verbinding met de ander vind ik er simpelweg geen zak aan. Het gaat er niet om wat die ander van mij víndt, of ik wel leuk genoeg ben, wel knap genoeg, wel bijzonder genoeg en met hoeveel likes dat aan de rest van de wereld wordt kenbaar gemaakt. Het gaat erom dat het delen van wie ik ben, wat ik meemaak en ervaar, de beleving an sich waardevoller maakt. Zoals ook het het mee mogen maken van wat die ander die ander maakt, het allemaal zo veel mooier maakt.

Als ik thuis kom van mijn wandeling ben ik even volkomen gelukkig, zoals je dat soms kunt zijn. Ik pers vier sinaasappelen uit en drink het sap terwijl ik naar de krant tuur: De sleutel om te kunnen moorden is afstand creëren. Ik snap het onmiddellijk. Het zou ook niet anders kunnen omdat de sleutel om te kunnen liefhebben, nabijheid is. Dichte nabijheid, dichter dan dichte nabijheid. Beter wordt het niet.