Verwachtingen

We rijden langs de Duitse Noordzeekust. Het landschap is tijdloos.

De mensen hebben hier de Tweede Wereldoorlog niet eens gemerkt, merkt mijn lief op. Ik denk dat ze af en toe naar buiten keken en zich afvroegen wat die drukte was in de lucht. Ik denk het ook. De vooroorlogse boerderijen zijn intact, het land ligt er prachtig bij. Prachtig maar droog. Het is heet, maar met het zeewindje prima te doen. We toeren wat, brullen Hazes mee, kletsen bij en houden onze kop een beetje. Rechts van ons de dijk, waarachter de Noordzee zich schuil houdt. Ik rijd. Hij zit naast me. Meer is er niet nodig

Het is vroeg op de middag. De Noordzee heeft zich teruggetrokken. In Engeland hebben ze nu water, maar aan onze kant is de zee ver te zoeken. Een grote bak blubber zo ver het oog reikt. Iedere keer als er een pad naar zee gaat, sla ik hem in. Ik blijf het gevoel houden dat nu, als ik het nu doe, we de auto parkeren onderaan de dijk, de dijk oplopen, we toch zeker moeten kunnen uitkijken over een prachtig verlaten strand, met zee. We zullen plonzen en in het zand liggen. Ik doe het weer. Hij kijkt mij ongelovig aan, maar ik kan het niet laten, zolang we rijden in dit landschap en aankijken tegen die dijk blijf ik denken dat daarachter een blauwe zee en een wit strand op ons ligt te wachten.

Ik parkeer de auto naast twee Chinezen die met open portieren naar de radio zitten te luisteren. Toen had ik het al moeten weten natuurlijk. Nee echt, zeg ik nog, nú is er zee. Ik neem het strandlaken mee, een fles water en twee appels en sjouw voor hem uit de dijk op. Eenmaal boven blijven we naast elkaar staan. Blubber zo ver het oog reikt. Blubber links, rechts en voor me. Blubber tot halverwege Engeland. Op het plaatje zag het er anders uit. Ik zucht. Laat maar dan.

We toeren door Groningen terug. Er zit nog niemand op ons te wachten. Niemand weet waar we uithangen en de telefoons staan uit. We stoppen bij plaatsnaambordjes die onze nieuwsgierigheid wekken, plekken die zowaar op de Werelderfgoedlijst blijken te staan, en verwonderen ons. Nu we de zee zijn vergeten, blijken we weer prima in staat ons te laten verrassen. Beetje huisjes kijken, koffie drinken op een pleintje, we schakelen moeiteloos over op de wijn, plakken er nog een nachtje aan. Geen zee. Geen verwachtingen. Wat een feest.

Size does matter

 

Marthe Saelens schrijft in NRC een mooi stuk over de expositie van Ronald A. Westerhuis ‘Size does matter’ die momenteel te zien is in museum De Fundatie in Zwolle. Ik was er afgelopen zaterdag zelf. Toen ik naar binnen liep, huppelde ik een beetje; zin hebbend in een koel museumbezoekje. Toen ik naar buiten kwam, snakte ik naar een biertje en een goed gesprek. Want wat had ik net allemaal gezien? Ik dronk hem tegenover het museum (in een tentje waar ze zelfs een broodje Westerhuis serveren) met uitzicht op de waanzinnige Stepping Stones die Westerhuis daar brutaal neer plempte, kleine tien meter hoog. Beetje kunstenaar heeft lef.

Westerhuis creëert sculpturen van roestvrij staal. Glooiende, zachte vormen, die zowel strak en koud, maar ook lief en soms zelfs grappig zijn. Ik leerde zijn werk kennen toen ik vorig jaar met de Poëziebus zijn atelier in Zwolle aandeed. In de uren waarin we ons klaar maakten voor het avondoptreden vol muziek en poëzie, doolde ik vrij door de ruimtes. Westerhuis heeft een enorm atelier/ werkplaats/ terrein waar gewerkt wordt, nee gebikkeld. Ik bleef maar om het werk heen draaien, zonder te snappen wat ik er nou eigenlijk van vond. Voor mij is het groots, speels en een tikkeltje waanzinnig. In de Fundatie leerde ik ook andere werken van hem kennen; een zelfportret, een poëtisch beeldje, een steen der wijzen. Uitgeverij Waanders maakte er een prachtige catalogus bij; mooi gebonden, goed papier. Geen kattenpis, immers: Size does matter, volgens Westerhuis. Ik ben het daar mee eens, voor mij geldt doorgaans in het leven; hoe kleiner hoe beter, dus dat het “matters” vinden we beiden. Maar in dit geval snap ik Westerhuis wel. De grootsheid van de sculpturen maken mij als bezoeker klein en dus bedoelen we misschien wel hetzelfde.

Marthe Saelens vraagt zich in haar stuk (NRC) af waarom ze de expositie na verloop van tijd een beetje saai begint te vinden: [citaat] Zou het komen doordat de werken van Westerhuis niet volledig tot hun recht komen in de Fundatie? Zijn grenzeloze kunstwerken horen eerder op open vlaktes te staan, waar niet alleen de bezoekers reflecteren, maar ook de vrije omgeving. 

Er is geen kunstenaar op de wereld die zijn werken máákt om in een museum neer te zetten, toch? En Westerhuis zeker niet. De sculpturen hebben inderdaad de ruimte nodig. Maar om ze allemaal aan publiek te kunnen tonen, moet toch een museum het zien zitten om de hele keet vol te laten zetten met dat rvs-geweld. De Fundatie doet dat dus. Te gek. Laat je wegblazen, zou ik zeggen.

 

Bloed

Mijn dochter, de vegetariër, is op vakantie. Mijn zoon eet al maanden niet meer thuis. Koken schiet er vaak bij in, helemaal tijdens de zomermaanden, waarin ik kan leven op salades. Salade met linzen, met pasta, met couscous. Bij dertig graden mis ik de warme maaltijd niet. Vandaag is anders. Ik ben ongesteld.

Ik sta twee biefstukken voor mezelf te bakken als vriendin J. belt om te vragen of ik mee op stap ga. Ik zeg ja en hang op. Ik laat het gesprek nog net lang genoeg duren om haar een plek en een tijd te horen noemen en mijn vlees niet te laten garen. Ik wil bloed zien. De onnodige bijgerechten laat ik achterwege. Op mijn bord twee biefstukken die ik aan stukken scheur terwijl ik met mijn benen op de tafel naar een aflevering van Dag kijk op Netflix. Ik drink er bier bij uit het flesje. Als het allemaal is gedaan laat ik een boer, een scheet en zet het bord op de grond voor de hond, die de boel dankbaar begint schoon te likken. Het leven is goed, behalve dan die godverdomde buikpijn ja.

Ik kan me nog goed herinneren hoe de verloskundige die me hielp bij mijn eerste zwangerschap, me voorbereidde op de bevalling. Ik was drieëntwintig en maakte me zorgen over dat baren, dat brullen, dat werpen. Niet in de laatste plaats over wat dat zou doen met de vader van de kleine man. De verloskundige legde bemoedigend een arm om me heen en zei: luister, er komt een moment dat je op handen en knieën in de keuken zit, je buik raakt bijna de grond. Het is warm en het zweet gutst uit je lijf. Je kont is naar de deuropening gedraaid maar het zal je geen godverdomse moer interesseren wie daardoor naar binnen komt: je vriendje, de koningin of ik, want dat kind moet eruit, dát ben jij aan het doen. Ik geloofde haar niet zo direct maar ervoer het een maand later exact zo. Het oergevoel is het gevoel waar ik in thuis kom. Het zegt; dit is míjn lijf. Dit ben ík en ik neem exáct wat ik ervoor nodig heb.

Ongesteld zijn roept het altijd weer even op en dat is prettig, want het is toch al ellendig genoeg:  Ik kan niet te veel gedoe verdragen. Ik beheers mijn aangepast-mens-zijn ineens onvoldoende om te kunnen wachten op antwoord, om de ander aan te kijken en om te spreken met twee woorden. Ik wil bier, vlees, seks en met rust gelaten worden. Van ongesteld zijn word ik een boerenpummel en dat is ontzettend bevrijdend.

Voor ik de stad in fiets voor meer bier en dansen met mijn vrouwen, spoel ik mijzelf schoon onder de koude douche. Mijn buik heeft haar normale vorm weer gevonden. De dagen voor het grote bloeden begint, zwel ik altijd een beetje op. Het is fijn als ik weer slink. Mijn onbewoonde kraamkamer ontdoet zich weer van alle voorzorgsmaatregels. Mijn lijf blijft maar bedacht op een nieuwe bewoner, maar ik ben voldoende bewoond geweest. Ik blijf even kijken naar het bloed dat tussen mijn benen het putje instroomt en wacht tot het stopt. Dan spoel ik twee paracetamols weg met een groot glas water, trek een jurkje aan en ga. Ik ga de dansvloer opeisen. Morgen doe ik heus wel weer normaal.

 

Mijmeren

Ineens is het zomer. Ik keek naar haar uit, verlangde naar haar en ze was er al zonder dat ik het in de gaten had. Nu dus.

Het is warm. Iedere avond na mijn werk neem ik een duik in de nevengeul van de Waal. Hond eerst, dan ik. Hond blijft naast mijn handdoek zitten wachten tot ik ben uitgepoedeld. Als ik veilig weer op de kant sta, gaat zij op jacht. Ik doe een dutje in de zon tot ze terug komt. Het kán.

Het is de eerste zomer in honderd jaar dat ik voortdurend mijn eigen agenda lijk te kunnen bepalen. Nu de oudste op kamers woont en de jongste zich alleen nog maar wil omringen met leeftijdsgenoten, is het veelal stil in huis, als het niet stil is omdat er een dozijn veertienjarigen komt eten/logeren/barbequeen, hoef ik evengoed niet zo veel want ze maken zich druk zat met elkaar. Ik maak de boel er doorgaans alleen maar awkward op.

Ik geniet ervan. En ook maakt het me onrustig. Soms ineens raast het door mijn lijf: moet ik niet iets? Ik móest toch iets? Maar nee, ik hoef dus niets. Een boek lezen ja, een boek schrijven ja, bedenken waarheen ik op vakantie wil, de planten in de tuin water geven, maar alles kan ineens ook mórgen.

Ik was verreweg de eerste in mijn vriendenkring die een kind kreeg, nog net drieëntwintig. Niet per ongeluk. Er was nu eenmaal niets anders dat ik liever wilde dan een kind, dus kreeg ik er een. Hoe eenvoudig. Mijn redenatie was waar mogelijk nog simpeler; ik wist niet wat ik wilde worden behalve schrijver en daarmee zou ik zeker nooit mijn geld verdienen was me geleerd. Iets anders wilde ik niet, behalve dus moeder worden. Ik dacht: ik doe het gewoon omgekeerd; eerst word ik moeder en tegen de tijd dat ik weet waarmee ik dan wel mijn geld wil verdienen, is die kleine waarschijnlijk wel de deur uit. Een paar kleinigheden had ik niet voorzien. Dat de vader van de kleine jongen zou afhaken bijvoorbeeld, dat ik allerlei te gekke baantjes kreeg en dat ik verder evengoed gewoon schrijver werd, dat ook niet.

Nu, zoveel jaar later, vermaken mijn kinderen zich dus het liefst zonder mij. Ik vind dat heerlijk. Met grote regelmaat realiseer ik mij dat er niemand dood gaat, als ik niet thuis kom. Niemand zal zomaar stikken in zijn slaapje als hij niet geboerd heeft, van de trap af flikkeren als ik een hekje vergeet te sluiten, uit zijn bed klimmen en de fontanel aan diggelen stoten, verzuipen, verhongeren, uitdrogen of kwijtraken. Ik snap heus wel dat er nog andere gevaren zijn voor de jonge mensen die mijn kinderen zijn, maar ik heb bijzonder weinig ruimte om mij daar nu mee bezig te houden en nog minder geloof ik dat het hen wat brengt als ik dat zou doen. Dus doen we het niet. Zij spelen, gamen, kletsen, ontdekken en wat al niet meer. En ik mijmer zo’n beetje voor me uit, over hoe en wat en waar het is gebleven, en wat er komt en wanneer en hoe en dat het zulk heerlijk weer is en de frambozen maar blíjven komen iedere ochtend als ik met mijn schaaltje yoghurt de tuin in loop, en dat het nu tijd is voor een boek en een glaasje Chardonnay en dat er morgen gewoon weer zo’n dag komt. Zoiets.

 

De #after-me-too-man

Ik zit in de bieb te werken. Het is warm en druk. Vroeger was het hier muisstil, dat is allang niet meer zo. Tegenwoordig klinkt er van alle kanten getik, gekras en geklak maar ook gepraat, gelach en geroep. Als ik mijn oortjes uitdoe hoor ik drie verschillende talen om me heen. Ik kan geen drie verschillende talen gebruiken en prop ze snel weer terug op hun plek. Ik luister naar Simeon ten Holts Canto Ostinato. Het repetitieve van het stuk brengt me heel makkelijk in een diepe concentratie.

Als ik uit die hyperfocus stap om koffie te gaan halen, glijd ik zo hopsakee over mijn eigen schoenen de bieb in. Gelukkig draag ik een zomerjurkje zodat ik op mijn allercharmantst wijdbeens de gladde vloer af kan zeilen. Een beetje beduusd blijf ik zitten. Snel opstaan en net doen of het de bedoeling was, heeft geen zin; de hele bieb kijkt me met open mond aan. Het is nu ineens wel erg stil. Ik trek onhandig mijn jurkje naar beneden.

Er staat een man voor me. Hij kijkt op me neer, maar glimlacht vriendelijk. Gaat t? vraagt ie. Ik knik. Mijn wangen kleuren. Ik wou dat ik iets minder vaak publiekelijk onderuit ging, of dat ik charmanter kon vallen óf dat ik zoals andere vrouwen, normaal op hakken kon lopen zonder daarbij om de zoveel meter door mijn enkel te knikken om daarbij de koffie in mijn decolleté te gieten. Maar goed, dat is een zorg voor later. Ik stuntel overeind. De lelijke spatader op mijn bovenbeen is daarbij goed zichtbaar. De meneer steekt zijn hand uit om me overeind te trekken en laat hem onmiddellijk weer los als ik recht ben. Hij doet een stap naar achteren. Ik herken het gedrag onmiddellijk. Het is het #metoo-effect van de lieve, zorgzame, ietwat laffige man. De man die zich sinds metoo bij iedere beweging die hij in de buurt van een vrouw maakt, afvraagt of hij het nog goed doet, of hij niet te dichtbij komt, of hem niets kan worden aangerekend. Hij zal het niet in zijn hoofd hebben gehaald over de grenzen van een vrouw te gaan, ook niet voor metoo, en nu net zo min. Maar nu durft hij ook niet meer te vertrouwen op zijn eigen gezonde inschattingsvermogen en dus houdt hij afstand. Jammer. Ik ben net publiekelijk onderuit gegaan en heb daarbij zowel mijn ego als mijn knie bezeerd. Ik had het heerlijk gevonden als iemand even een arm om me heen had geslagen, iets liefs tegen me had gezegd en me op koffie had getrakteerd. Ik zou me niet aangevallen, bedreigd, geïntimideerd of respectloos behandeld hebben gevoeld, waarschijnlijker is dat het me zo vrolijk zou hebben gemaakt dat ik in een schaterlach mijn koffie zou hebben omgestoten. Die zou ongetwijfeld over de hand van de meneer zijn gegaan. Waarschijnlijk had hij dan een tweedegraads verbranding. Hij zou me hebben aangeklaagd voor mishandeling; ieders dag weer naar de klote. Ik kan beter alleen gaan inderdaad. Mmm lekker, koffie.

Privé

De laatste maanden word ik in toenemende mate door vreemden aangesproken op mijn privé leven. Zo kwam er bijvoorbeeld een klant in de boekhandel waar ik werk, naar me toe om me te vragen hoe het met mij en de minnaar gaat. Een ander legde bemoedigend een arm om mijn schouder: jij hebt het toch ook maar zwaar, zei hij. Het duurde even voor ik in de gaten had dat hij refereerde aan mijn laatste blog en niet aan mijn door hooikoorts bloeddoorlopen ogen. Of wellicht dacht hij dat het één verband hield met het ander. Regelmatig krijg ik appjes van een vaste klant uit dezelfde boekhandel die me laat weten dat hij het gevoel heeft me volledig te kennen. Ik heb dan geen idee wat ik daarop moet antwoorden en blijf meestal stil.

Vrienden komen eten. Het is vrijdagavond, de zon schijnt nog volop. We zitten in de tuin met een zomerse salade en een fles vette Chardonnay. Sinds mijn scheiding drie jaar geleden, spreken we elkaar minder frequent. Vroeger gingen we erop uit, twee gezinnen met kinderen in dezelfde leeftijd. Huisje huren in Drenthe en een weekend lang wandelen, koken en wijn drinken. Met twee stationwagens naar Zuid Frankrijk rijden om daar exact hetzelfde te doen. Je kent het wel. Het waren goede tijden. Tegenwoordig werken we allemaal veel en hard om de stilte in huis, na het vertrek van de kinderen een beetje draaglijk te houden. Nu eten we weer eens samen, met zijn drieën.

Vind je het niet lastig dat iedereen nu voortdurend alles van je weet, vraagt hij. Ik slik de wijn weg en staar hem aan. Ik had de vraag van hem niet verwacht. Hij is muzikant, staat voortdurend teksten te brullen voor honderden mensen. Ik ben me nooit zorgen gaan maken over hun huwelijk als ik hem hoorde zingen over andere vrouwen of verlaten worden, omdat ik weet dat liedjes niet persé autobiografisch zijn.

Ik heb net Hallo Muur uit van Erik Jan Harmens (goed gespeld), een prachtig boek waarin de ik-persoon in rap tempo een behoorlijke alcoholist wordt, daartegen vecht en het overwint. De auteur heeft geen geheim gemaakt van het feit dat hijzelf alcoholist is die al geruime tijd droog staat. Toch staat voorop het boek niet het woord: autobiografie gedrukt en dat snap ik. Ik vermoed dat de auteur gebruik heeft gemaakt van de feiten die zich werkelijk in zijn leven af hebben gespeeld, maar dat hij zich tevens de vrijheid heeft gepermitteerd om er een goede roman van te maken en dus af te wijken van de letterlijke waarheid. Zo werkt dat. Schrijven is liegen, zeg ik regelmatig tegen mijn klasjes, daarom is het ook zo leuk.

Natuurlijk maak ik gebruik van alles wat zich in mijn echte leven aandient. Ik zou wel gek zijn als ik al dat materiaal terzijde zou schuiven, maar ik ben geen journalist die zo objectief mogelijk de feiten weergeeft. Ik ben schrijver. Ik mag liegen. Ik mag de boel verdraaien, ik mag vertellen dat er vrijdag vrienden kwamen eten terwijl dat in werkelijkheid twee maanden geleden was en dat doe ik ook.

Ik had een date. Of ik zou een date hebben. De date appte een uur voordat we het terras zouden opduiken af. Ik vermoed dat hij mijn blog had gelezen en al dacht me te kennen. Of geen zin had in de volgende blog tevoorschijn te komen. Misschien dacht hij mij betrapt te hebben; aha, ze heeft ook nog een minnaar! Maar je kent me niet. Je kent mijn blog. Wie me echt wil leren kennen moet daar iets meer moeite voor doen, en trouwens; dat mág niet zomaar iedereen!

Buiten spelen

We liggen in de hangmat, vriendin M. en ik. De zon stelt zich behoorlijk aan. De kinderen komen af en toe vertraagd voorbij, met elkaar, met de hond, met ijsjes. Vannacht hebben we het half vier zien worden, daar zijn we zelf nog van onder de indruk. We zwieren een beetje heen en weer in die hangmat, vragen ons af waarom niemand óns eigenlijk een ijsje komt brengen.  Maar dat soort vragen laten zich niet beantwoorden.

We zijn allebei zelfstandig ondernemers in de creatieve sector. Ik kan die zin op geen enkele manier creatief verwoorden.  Als iemand zichzelf creatief noemt, krijg ik meestal jeuk. Creatief wordt nogal eens geassocieerd met kunst, met kleurtjes, met lettertjes en dat is ook niet zo gek, maar wel bijzonder weinig creatief.

De directeur van een basisschool waar ik les geef, vroeg mij onlangs om op papier te zetten welke vaardigheden de kinderen tijdens mijn poëzieles ontwikkelen. Ik noem mijn lessen poëzielessen omdat scholen graag budget vrijmaken voor een beetje creativiteit. Eigenlijk geef ik les in creatief denken en gebruik daarbij poëzie als middel. Maar als ik de kinderen ga vertellen dat ik ze wil leren creatief te denken en hoe dat moet, heb ik meteen alle mogelijkheden tot creatief denken afgesloten, dus zeg ik dat niet. Ik zeg: we gaan dichten.

Hoe dan? Vragen ze me.

Bedenk dat zelf maar, roep ik dan. En dat doen ze dan. Heel creatief.

Bij het uitschrijven van de leerdoelen van mijn poëzielessen, kan ik zo alle 21-eeuwse vaardigheden aftikken. Dat is geen verrassing voor mij; ik heb erover nagedacht. Voor ik het stuk door mail naar de directeur schrijf ik er wel onder: willen jullie de kinderen niet vertellen dat we dit aan het doen zijn, want dan ben ik ze onmiddellijk kwijt. De directeur belooft het.

Ik vertel erover aan M. terwijl we steeds dichter tegen elkaar aan schuiven en niet de moeite nemen de hangmat eerlijk te verdelen. Ze heeft een werkplaats, vriendin M. zo eentje waar je waanzinnig uit je plaat in kunt gaan, omdat je er nagenoeg alles kunt doen: timmeren, schrijven, stempelen, drukken, knippen, plakken, lezen, je bek een beetje houden, dansen, koken en wat al niet meer. Als ze het in haar hoofd zou halen, vaardigheden en competenties toe te gaan schrijven aan wat je in die werkplaats van haar allemaal kunt leren, zou ik er onmiddellijk nul komma nul zin in hebben mij die eigen te maken. Dat snapt zij maar al te goed. Daarom trekt ze me uit die hangmat en zegt alleen maar; kom we gaan spelen. En dat doen we, lekker creatief.

 

 

Hoor en wederhoor (art. 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening)

Op de app doe ik een pijnlijke constatering. Mijn minnaar blokkeert me onmiddellijk. Na een liefdesverklaring van mijn kant op Wordfeud, belt hij op om te zeggen dat we klaar zijn. Hij wil het er niet over hebben. Er rest mij niets dan zijn conclusie aan te horen en af te sluiten. Na dat gesprek, van één minuut vierentwintig, zit ik doelloos op de bank en realiseer me dat we sinds we elkaar kennen, al bezig zijn van elkaar weg te rennen. Als het niet zo verdrietig zou zijn, was het grappig.

Vandaag was de rechtszitting waarin de kantonrechter besloot mijn broertje uit bewind te halen. Ik zat daar als bewindvoerder. Mijn broertje keek mij niet aan. Hij had mij, en zijn hele familie al lang duidelijk gemaakt dat hij ons niet nodig had. Ondanks zijn verslaving. Ondanks zijn hersenletsel. Ondanks het feit dat we er voortdurend voor hem proberen te zijn. Voor de rechter zijn uitspraak deed, kregen we beiden de kans ons verhaal te doen. We waren het eens, bevestigden elkaars verhaal. De zitting duurde zeven minuten en drieënvijftig seconden. Er werd naar hém geluisterd. Er werd naar míj geluisterd. Er werd een conclusie getrokken. Zo hoort dat.

De boosheid die ik voelde toen we achter elkaar het gebouw uitliepen had niets met de uitspraak te maken. Op dat moment wilde ik dat ik iemand was, die klappen uit kon delen. Ik overwoog die persoon te worden, en ook of dit het juiste moment was daarvoor. Dan zou ik graag, hier op de stoep van het rechtsgebouw, mijn broertje een serieuze muilpeer verkopen. Het zou een terechte klap zijn. Hij heeft zich de afgelopen weken als een idioot gedragen. Maar ik bén die persoon niet. Ik ben iemand die door haar knietjes zakt en huilend haar andere broer belt. Ik weet allang dat boosheid doorgaans de vervanger is van verdriet en frustratie.

Mijn kleine broertje heeft mij uit zijn leven gedeletet, zonder een gesprek aan te gaan, zonder mij te horen, zonder te zien dat wat ik had gedaan in zíjn belang was. Het was een eenzijdige beslissing. Ik realiseerde me dat ik binnen vierentwintig uur door twee mannen uit hun leven was verwijderd. Wat zegt dit over mij?

Het zegt dat ik niet erg goed ben in meebewegen, in naar de mond praten of mijn mond houden. Het zegt dat ik niet alleen maar goed ben voor funtimes. Het zegt dat, wanneer er iets gaande is, bij iemand van wie ik houd, ik hem dat zeg. Mijn ongezouten constateringen uitspreek. Ik heb misschien niet altijd gelijk, sterker nog; de kans is groot dat ik vaak ongelijk heb, maar ik zeg het om het gesprek te ópenen. Het is aan de ander om in die opening te stappen. Of niet.

Of niet dus.

Niet gek

We zaten in de auto, de dochter en ik, en brulden keihard met Skyradio mee. De zon scheen hard. De raampjes waren opengedraaid. Ineens zet ze hem uit en slaat me op mijn knie. Doe normaal, sist ze. Langs de auto fietsen twee jongens uit haar klas. We zijn in het stadium dat we nog wel samen gesignaleerd kunnen worden, maar alleen als ik normaal doe. Ik weet niet altijd hoe dat moet. Oh jezus, zegt ze, haar handen voor haar gezicht slaand, ze zíen ons! Ik weet dat ik het nu niet moet aanzetten, dan praat ze een uur niet meer met me, en rijd rustig door. De jongens zijn veel te druk met elkaar.

Vind je hem leuk? vraag ik .

Hem? Nee, ben niet gek! Natuurlijk is ze niet gek, dat was me allang opgevallen.

Ik zou niet willen dat jij en papa weer  bij elkaar komen, merkte ze op nadat het een tijdje stil was.  Het kwam uit het niets. Ik was blij dat we het daarover eens waren. Het had even geduurd. Haar vader en ik zijn nu drie jaar uit elkaar. De overgrote meerderheid van het gezin is gelukkiger sinds de scheiding.

Oh nee? zei ik, ik hield de opluchting een beetje voor me. De tijd dat ze er anders over dacht en me dat met enige regelmaat voor de voeten had geworpen, lag me nog vers in het geheugen. Het was ook allemaal mijn schuld geweest natuurlijk.

Maar ik wil nu dat er niks meer verandert zo lang ik thuis woon. Aha, dát was het punt.  Dat snapte ik wel. Ik had zelf ook een beetje de buik vol van de heftigheid aan gebeurtenissen van de laatste jaren. Soms moest je even stilstaan.

Dus we gaan niet meer verhuizen? Ze schudde haar hoofd resoluut. Nee. Ik ben ook geen verhuizing van plan, al moet ik bekennen dat ik droom van een eigen huis, eentje dat ik werkelijk heb uítgezocht omdat ik er wíl wonen, niet omdat ik nergens anders naartoe kan. Eentje zonder buren. Eentje met voldoende muren om al mijn kunstwerken aan op te hangen. Natuurlijk ben ik niets dan dankbaar voor het huisje waar we nu wonen, maar dromen moet je houden.

Ik kon het niet nalaten haar even te testen: Dus ook niet als ik een mooi huis kan kopen in het bos, met ruimte voor een hangschuurtje en een zwembadje in de tuin, begrijp ik? Ze is even stil. Die mondhoeken van haar krullen zo leuk. Ze krijgt dan twee kuiltjes in haar wangen. Ze blijft bij haar standpunt.

We zijn onderweg naar vriend F. F. is de moeder van zijn twee dochters ook kwijtgeraakt, zoals ik de vader van dochter kwijtraakte. Alsof je een fietstochtje gaat maken en halverwege ineens merkt dat de jongste haar beer is verloren. Je fietst het fietspad af en nog eens, maar komt de beer niet meer tegen. Gewoon verloren en je hebt het te laat ontdekt.

Als we met z’n allen bij elkaar zijn, vriend F, zijn meiden en de dochter en ik, stellen de meiden minstens één keer voor dat we gaan trouwen, vriend F en ik.

En als ik nou met F trouw en we gaan met z’n allen wonen? Ze grijnst me aan.

Het gezin van F. en het mijne zouden probleemloos in elkaar kunnen schuiven. We zouden zelfs in zijn huis passen. We kunnen tegen elkaar aan hangend op de bank een film kijken, samen koken, wandelen, een duik nemen, goeie gesprekken voeren, onze kop houden, zijn het eens over de opvoeding van de kinderen. Alle ingrediënten om samen een gezin te runnen zeg maar, maar we zijn niet verliefd, of dan toch tenminste niet op elkaar. Ze schudt haar hoofd, nee niet met F. zegt ze, jullie zijn niet verliefd. Ze kent het belang van verliefdheid natuurlijk allang. Ze is niet gek.