Door het stof

We gingen naar een concert van Roxanne Hazes in Doornroosje. We waren met velen. Ik hoor mijzelf aan de Liefde vertellen dat we elkaar al dertig jaar kennen en wil er niet over nadenken wat mij dat maakt. Ik dans als een pubermeisje die avond. Wij allemaal. We drinken als onszelf, maar dan nog iets beter. Roxanne rijmt er ongegeneerd op los en de dichters onder ons schamen zich soms een beetje voor ons eigen moeilijke gedoe. Het leven is goddomme eenvoudig fijn.

In de bus naar huis vraag ik me af wat er eigenlijk allemaal in de koelkast staat voor een klein na- borreltje. De vrienden blijven slapen, ze hebben al holletjes opgemaakt op diverse plaatsen in het huis. In de woonkamer kruipen we nog even bij elkaar. Dertig jaar vriendschap. We wonen al jaren niet meer bij elkaar om de hoek maar er ontstaat altijd wel weer een gelegenheid om samen te komen. Het liefst dansen we daarbij.

Ik maak Gin Tonics in de keuken. Die lusten we wel. Er blijkt een tweede fles Gin in de vriezer te liggen. De twee pondjes kaas die ik die dag op de markt haalde, gaan met het grootste gemak in blokjes naar binnen. Langzaam krijgen we weer energie. Ach, het is nog vroeg, we hoeven nog niet naar bed. We draaien de muziek wat harder en schuiven de meubels een beetje aan de kant. Als de bel gaat en de buurman boos op de stoep staat is het precies drie uur.

Ik heb nogal eens een grote bek over sorry zeggen. Ik heb nogal eens stukjes geschreven over hoe belangrijk ik het vind dat je jezelf altijd maar weer recht in de bek kijkt, dat je je lelijke kanten niet ontkent en de ander onder ogen durft te komen.

De buurman stond op de stoep om te zeggen dat de muziek uit moest omdat het drie uur was. Zijn toon stond me niet aan en ik wenste hem en zijn vrouw een vergelijkbaar goed feestje. Dat was bijzonder flauw. Het duurde 48 uur voor ik dat echt durfde in te zien, dat dat bijzonder flauw van me was, kinderachtig ook en dat hij gewoon gelijk had.

Dus belde ik de volgende dag eerst aan bij de buren die níet hadden geklaagd maar ongetwijfeld evengoed hadden wakker gelegen. Gewapend met een fles bubbels. Dat was het makkelijkste. Een dag later belde ik pas aan bij de buurman die wél had geklaagd. Ik was een groot kind geweest toen ik om drie uur riep dat we nog lang niet naar bed hoefden. Nu was ik een klein kind met een blosje schaamte op mijn wangen en een fles in de hand.

De buurman nodigt me zonder te twijfelen uit voor de koffie. Als hij me de laan uit had gestuurd had ik lekker gelijk gekregen met mijn kinderachtige gezeur over zijn gezeur, maar dat doet hij dus niet. Ik word er eventjes nog een beetje kleiner van, maar dan raken we gewoon aan de praat, alsof we twee buren zijn die allebei heus wel snappen dat we het allemaal niet altijd in de hand hebben. En hoe fíjn dát kan zijn. Na een kwartiertje wandel ik stilletjes naar huis. In de keuken bedenk ik me dat de wijn die ik hem zojuist heb gegeven Fat Bastard heet. Ik hoop dat hij snapt dat dát alleen maar op mijzelf kan slaan.

Kunst ervaren

Iedere kunstenaar vertelt een verhaal op zijn eigen wijze. Zo danst de danser, speelt de acteur en de muzikant, creëert de beeldend kunstenaar. We tekenen, vertellen, beelden verhalen uit die misschien al wel honderd keer verteld zijn, maar we doen dat op onze geheel eigen wijze waardoor het tóch weer anders is. Dat maakt het kunst, denk ik.

Waar het verhaal vandaan komt, of het andermans visie is, een verzonnen verhaal of een bij elkaar geraapt geheel, maakt geen donder uit. De kunstenaar heeft een reden het te vertellen en vertelt het op zijn manier.

Voor mij als schrijver geldt dat ik altijd een persoonlijke reden, of noodzaak ervaar om iets te vertellen. Hoe ik dat vervolgens vertel, maak ik zelf wel uit. Het gaat namelijk niet over mij als persoon maar over het verhaal of de visie die ik wil delen. Soms in de vorm van een column, soms in de vorm van een gedicht, soms in de vorm van een roman. Om in staat te zijn dat zo goed mogelijk te doen, spreek ik alles in mij aan. Al mijn ervaringen, al het zeer, alle vreugde, al mijn herinneringen. Alleen als ik wat er gebeurt in mijn verhaal weet te evenaren in mijzelf, kan ik het goed vertellen. Daarvoor is best wel lef nodig.

Als je wilt schrijven en je wilt het goed doen, moet je bereid zijn jezelf voortdurend recht in de bek te kijken. Je bent zelf immers de enige mens die je van binnen en van buiten helemaal kunt bestuderen en daarmee ben je zelf je beste studiemateriaal. Ik denk dat lef, naast discipline de meest belangrijke succesfactoren zijn om te kunnen schrijven en waarschijnlijk geldt dat voor alle kunstdisciplines. Ik geef dat mijn studenten graag mee. Fuck talent, want met alleen talent heb je nog lang geen boek af!

In de literatuur hebben we de mogelijkheid om een verhaal te vertellen vanuit een ik-perspectief, de liedjesschrijver doet het ook en daarmee de zanger ook. Als maker kun je kiezen voor het ik-perspectief omdat je gelooft dat het het beste past bij je verhaal. Het is gereedschap om je verhaal op de best mogelijke manier over te brengen. Ik is de hoofdpersoon, niet te verwarren met de auteur, de dichter, de tekstschrijver, de zanger.

Dat gezegd hebbende, vraag ik mij af bij hoeveel andere kunstvormen we het vertelde verhaal direct toedichten aan de maker zelf? Als Lynch of King alles zouden hebben meegemaakt, waren ze allang niet meer tot navertellen in staat immers. En zo komt het dus dat je niet kunt concluderen dat Cattelan de reïncarnatie is van Hitler omdat hij het beeld heeft gemaakt. Niet eens kun je concluderen dat hij een aanhanger van Hitler is omdat hij het beeld heeft gemaakt. Dat zou zo ongeveer hetzelfde zijn als beweren dat Annie MG Schmidt eigenlijk geloofde dat zij de Spin Sebastiaan was!

Wel kun je concluderen dat de makers een bepaalde noodzaak ervaren om te maken wat ze maken. Je kunt op zoek gaan naar het verhaal. Je kunt ervan genieten en ervan gruwelen en met een beetje mazzel verandert het je een beetje en dáár gaat het om.

Leeslijst

Nog voor ‘Hawaï 2000’ er was, was mijn dochter (15) al begonnen aan de uitgeprinte versie. Ik vond dat een mooi gezicht. Mijn dochter zo op half zeven op de bank met een dik stapel papier in plaats van een mobieltje. Ze is dyslectisch en houdt niet van lezen. Of: ze houdt niet van lezen en noemt zich dylectisch, dat weet ik niet zo goed eerlijk gezegd.

Toen ze ooit, lang geleden, werd getest zei de psycholoog op een bepaald moment: ‘als ik nu stop met testen, scoort ze slecht genoeg om voor vergoeding van leeshulp in aanmerking te komen.’

Ze liep op school vast met lezen en dat stagneerde haar ontwikkeling. Het moet zo ongeveer rond groep vier zijn geweest. We lazen haar iedere avond voor en oefenden het selluf lezen thuis maar het was onvoldoende. We wilden graag dat ze extra hulp kreeg. Die was beschikbaar maar tamelijk onbetaalbaar. Als je een dyslectieverklaring had, werd het vergoed.

We besloten te stoppen met het verdere onderzoek, lieten haar dyslectisch verklaren en ze kreeg een jaar lang intensieve hulp met lezen en schrijven waar ze heel veel aan had. Dat was het doel. ‘Wat kan er uitkomen als we dóórgaan met testen?’ vroeg ik de psycholoog nog. ‘Ik vermoed dat er iets anders aan de hand is.’ zei ze, en ze noemde wat letters op, die achter elkaar geplakt een veelvoorkomende diagnose vormen.

Ze leest dus niet, behalve als het echt moet en dat is nu. Ze zit in drie havo en de leeslijst is gestart. Hoewel ze over tweeëneenhalf jaar pas acht boeken hoeft uit te hebben, pakt ze nu geheel uit eigen beweging dus een roman op en begint. Ik stuur een mailtje naar de docent Nederlands om dit heuglijke feit te delen. Ik bied hem daarbij aan, als ze het leuk vinden, om een keer in de klas te komen vertellen over het schrijven van een boek. Of zoiets.

Een paar dagen later komt de dochter woedend uit school.

‘Het mag niet,’ gilt ze al bij de poort, ‘wat een eikel!’ De docent Nederlands heeft gezegd dat het boek dat ze leest, míjn boek, niet op de Leeslijst staat en dus niet telt als examenliteratuur. Omdat niemand het heeft gelezen kan hij namelijk niet nagaan of het wel échte literatuur is. Ze maait twee keer met haar vingers door de lucht als ze dat zegt en ik lach. Ik weet wat er allemaal op de Leeslijst staat en maak mij geen zorgen. De docent heeft natuurlijk alleen even wat uitleg nodig. Ik aai mijn meisje over haar bol en sus haar gemopper (lees: behoorlijk stevig gevloek). Nogmaals mail ik de docent. Dit keer leg ik hem uit waar het boek verschijnt en dat hij het gerust mag lezen als hij een inschatting van het literaire gehalte moet maken om het toe te kunnen laten als examenliteratuur.

Tot mijn verbazing komt er de volgende dag een mailtje terug. Het mag niet. De kinderen mogen slechts boeken lezen die op de leeslijst staan. Daarop worden geen uitzonderingen gemaakt.

Ik vraag me af hoe vaak er om zo’n uitzondering zal worden gevraagd en mail de directie dat het toch niet de bedoeling kan zijn dat het enthousiasme zo de kop wordt in gedrukt?

Maar jawel hoor, opnieuw krijg ik een mailtje terug dat het niet kan. De leerlingen van de vrije school kunnen hun boeken kiezen uit de Leeslijst, omdat mijn boek daar niet op staat, komt het niet in aanmerking. Ik kan mijn ogen niet geloven en lees het mailtje nog eens en nog eens. Dus resumé; een meisje van 15, tamelijk dyslectisch en met een broertje dood aan lezen begint enthousiast en vrijwillig aan een nog te verschijnen roman, uitgegeven als volwassenen literatuur bij een literaire uitgeverij maar mag dit niet als examenliteratuur meerekenen van de schoolleiding omdat het boek niet op de Leeslijst staat?

Als ze vloekt heeft ze een aardige woordenschat, dat meisje van mij. Ik wed dat ze het ook nog foutloos schrijven kan, die taal die ze uitslaat als ik het haar vertel. Ze heeft dat van mij.

Schaapje

‘Hoe kun jíj nou ooit nog iemand vertrouwen?’ vraagt H. me. Ze kijkt me met grote ogen aan. We zitten tegenover elkaar in de kroeg, ieder een biertje in de hand. Ik heb haar zojuist verteld dat de man die ik een aantal jaren als bijzónder belangrijk heb beschouwd in mijn leven, gedurende een korte tijd zelfs mijn liefde noemde maar langer nog mijn máátje, niets van dat alles blijkt te zijn geweest. Uit het niets werd ik onlangs gebeld door een dame die wist te vertellen dat we in dezelfde tijd met deze man verkering hadden gehad. Het kostte niet veel moeite om (aan de telefoon met beide de agenda van het vorige jaar opengeslagen voor ons) te begrijpen waarom afspraken destijds waren afgezegd, waarom hij eerder weg moest, of ik eerder weg leek te moeten. We blijken zelfs binnen hetzelfde weekend hetzelfde bed te hebben gedeeld, én we zijn ook nog eens niet de enigen.

We nemen er nog een, H. en ik. Het leven is goed. Het is vrijdagmiddag. Er zijn vrienden, bier, ik kan nog pinnen, mijn twee kinderen zijn gelukkig en gezond en straks zal ik de trein naar mijn lief pakken. H. herinnert zich nog een ander verhaal. Het is al achttien jaar geleden maar bijna hetzelfde. Ook toen werd ik gebeld door een vrouw. Ook toen pakten we de agenda’s erbij om al snel tot de ontdekking te komen dat haar vriendje iedere nacht dat zij nachtdienst had gedraaid, bij mij had geslapen.

‘Ik ben een schaapje,’ zeg ik lachend. We proosten.

‘Ja, of jíj bent de leugenaar natuurlijk,’ grijnst H. ‘Niemand heeft die gasten ooit gezien. Je bent een schrijver. Wie zegt me dat jíj de boel niet gewoon loopt te verzinnen?’

We proosten proestend. Ze kent me beter dan dat: ik ben een schaapje.

Ik vraag me af of ik me ervoor moet schamen, voor dat schaapje-zijn van mij. Kennelijk doe ik het, want ik worstel al weken met deze blog. Waar schaam ik me voor, vraag ik me af als ik naar huis fiets? Voor het feit dat ik hem heb geloofd? Terwijl nu blijkt dat hij al die mooie woorden ook tegen drie andere vrouwen zei? Of voor het feit dat ik hem heb bewonderd? Terwijl nu blijkt dat zijn leugens zich niet slechts beperkten tot zijn privé leven. Want het verhaal van de lieve dame aan de telefoon ging nog verder. Het leven van de man die ik mijn maatje heb genoemd, blijkt aan elkaar te hangen van bedrog.

Thuis begin ik te lezen over de pathologische leugenaar en over de narcist. De man in kwestie scoort hoge ogen in beide gevallen. Alles valt op zijn plaats. De afgelopen weken heb ik me afgevraagd of ik me schaam omdat ik meen dat het iets zegt over mijn intelligentie, het feit dat ik me zo ontzettend onder mijn neus heb laten voorliegen. Ik heb me ook afgevraagd of ik mijn lief tekort doe door ooit zo te hebben gehouden van een idioot. Die gedachte laat mijn onderlip trillen. Ik heb me afgevraagd of iemand me ooit nog serieus kan nemen als blijkt hoe hard ik ben gaan stáán voor deze man. En langzaam wordt het dan toch aardig stil rond mijn hart. Ik realiseer me dat ik daarmee exact doe waarom dit me is gebeurd. Namelijk eerst mijzélf in twijfel trekken als iets niet klopt.

Ik fiets langs de Waal naar huis. Het is een mooie dag. De koeien grazen in de Uiterwaarden. De zon schijnt. Ik ben een schaapje: ik ga uit van het goede in de mens. Slechtheid is soms te slecht om te herkennen, omdat ik me simpelweg niet voor kan stellen dat je het zou willen zijn. Dat maakt me een schaapje.

Ik herinner me de gesprekken die ik vaak had met deze man. De gesprekken waarin hij in totale paniek belde omdat hij niet meer wist hoe verder. Hoe we uren aan de telefoon zaten en ik hem geruststelde; dat ie het goed deed, dat het weer goed kwam, dat het weer over ging.

Ik dacht dat de paniek werd veroorzaakt door de grote verantwoordelijkheid in zijn werk, de druk van de wereld, het harde werken, de faalangst, de onzekerheid. De kans is groter dat de paniek veroorzaakt werd door een slecht geweten, door het niet meer gescheiden kunnen houden van al die verschillende verhalen, door de voortdurende angst door de mand te vallen én door de enorme eenzaamheid.

Ineens ben ik blij met het schaapje dat ik ben, met de warme vacht en de kudde om me heen. Ik ben liever een schaapje. Ik ben een lief schaapje.

Het ontvouwen van de dag

We gaan eten bij vriend F. Als ik aankom staat hij al in de keuken. De meisjes duiken de achterkamer in en ik ga met een glas wijn op het aanrecht zitten. F. schilt ondertussen pastinaak, grilt wat courgette. Lekkere luchtjes verspreiden zich. Hij kookt graag en goed. Het moet ook wel. F. is alleenstaande vader van twee meiden, dus niemand anders zal het voor hem doen. Daar hebben we het over, dat ouderschap en hoe we ons dat ooit anders hadden voorgesteld. Niet alleen bijvoorbeeld, maar samen met de andere ouder. Het leven loopt meestal anders dan je van te voren bedenkt. Je kunt beter niet te veel plannen maken. Maar het is best te doen alleen: je werkt iets harder, zorgt iets meer, hebt twee of drie agenda’s in je hoofd in plaats van een.

Als ik dagelijkse bezigheden heb, loop ik er nauwelijks tegenaan. Dan is het juist fijn dat mijn dochter er altijd is als ik thuiskom. Bij het maken van vrij werk loop ik geregeld vast. Het lijkt noodzaak te zijn dat ik eerst de totale stilte bereik voor ik iets nieuws kan maken. Een lege dag. Een leeg hoofd. Een leeg vel. Met kinderen in huis is het vel nooit leeg.

Aan tafel hebben we het met de meiden over drank en drugs. Puberteit heeft haar intrede gedaan en de nieuwsgierigheid naar wat het leven allemaal te bieden heeft, hangt geregeld bij de dames voor de neus. Na de koffie en de chocola verdwijnen ze weer giechelend naar de grote bank in de achterkamer. Wij blijven nog even zitten. F. drinkt langzaam de fles rode wijn leeg. Ik sip een beetje mee want moet nog rijden.

‘Het moeilijkste is dat het nooit ophoudt,’ zegt hij, ‘nooit. Er staat er altijd wel weer eentje te roepen aan de trap.’

En dat herken ik. Sinds een aantal maanden woont mijn dochter fulltime bij mij. We hebben het fantastisch samen. Ze zit goed in haar vel en het is warm in huis, gezellig. Sinds kort lijkt ze een bondje te hebben gesloten met mijn lief. Dat is vertederend en het stelt me gerust. Maar wat ik mis, in tegenstelling tot de tijd waarin zij nog regelmatig bij haar vader verbleef, zijn de dagen dat het stil is in huis. Dat de dag zich kan voltrekken zonder dat je van te voren een plan hoeft te maken. Dat je kunt gaan eten wanneer je honger hebt, kunt gaan slapen als je moe bent, kunt doorwerken tot je bent uitgeput. Als alles er kan zijn zoals het zich aandient, ontstaan er dingen die ik zelf niet had kunnen bedenken en toch (kennelijk) zélf heb bedacht.

De meisjes staan vragend naast de eettafel. Of er gelogeerd kan worden. F. draait zijn hand niet om voor een meer of minder.

Als ik ’s nachts naar huis rijd in het donker bel ik nog even naar mijn lief die honderd kilometer verderop zit. Als het dichterbij zou zijn, zou ik doorrijden, want dat kan dus niet meer spontaan nu het meisje fulltime bij mij woont. Maar het is laat en thuis wacht ook nog een hond die ik aanlijn en met wie ik het park inloop. Het is stil in de wereld. Nu wacht er thuis niemand meer op me. Ik neem de hond mee naar boven, ze mag op het voeteneind omdat ze de hele avond alleen heeft moeten zitten. In mijn slaap kruipt ze tegen me aan. Als ik wakker word, liggen we lepeltje lepeltje. Ik vraag me af hoeveel honden dat doen. Het is nog vroeg, voor zevenen. Het huis is stil. Ik blijf even liggen luisteren naar die stilte. Om twee uur moet ik mijn dochter weer ophalen en gaan we naar de tandarts maar tot die tijd is er niets.

We lopen nog voor zonsopgang naar de rivier om daar te kijken hoe de dag zich ontvouwt, hoe de schepen voorbij varen, hoe de zon hoger klimt, hoe ik nog niet weet hoe ik de volgende roman precies wil componeren, hoe ik nadenk over een nieuwe opdracht, hoe er een regel vast zit in mijn hoofd waarvan ik niet weet waarin hij thuis hoort.

Ik weet het pas als ik in bad ga liggen, midden op de dag.

Hier.

Vaker gaat het goed

Precies een jaar geleden trok ik in een leegstaand boshuisje. Kort tevoren had ik mijn baan bij de boekwinkel, waar ik negen jaar had gewerkt, opgezegd en mijn huis aan vrienden geleend. Ik had mijn dochter niet verteld dat we geen internetverbinding in de boshut hadden, dat de geiser het exact een minuut dertien deed, dat er geen CV aanwezig was, maar wel twee houtkachels: één binnen en één in de bostuin.

De behoefte om mijn aandacht vól te kunnen richten op het boek waaraan ik werkte was zo groot, dat ik niet anders kon, of dácht te kunnen-wat hetzelfde is.

De maanden oktober en november schreef ik aan de houten tuintafel met een winterjas aan terwijl vogels tjirpten en eekhoorntjes over mijn hoofd heen sprongen. Ik dronk sloten koffie, thee, bier en wijn en begon weer te roken, zoals ik wel vaker doe als het drama in mijn leven een hoogtepunt wenst te bereiken. Tot overmaat van ramp liet mijn minnaar niets meer van zich horen.

Half november stuurde ik het boek op naar de Schrijversvakschool. Half december was duidelijk dat ik vlak voor de kerstdagen zou afstuderen. Het werk was voltooid. Toen de feestdagen naderden, de geiser ontplofte, de toilet verstopt raakte, de minnaar zich volledig onnavolgbaar dan weer wel dan weer niet, meldde maar zich nooit liet zien, pakten dochter en ik onze spullen bijeen en sloten de koude boshut achter ons. In ons eigen huis woonden nog vier mensen, maar met een beetje proppen pasten we er wel bij.

Als mensen zeggen; wat goed dat jij altijd je hart zo volgt, vraag ik me iedere keer weer af hoe ik het ook níet zou kunnen doen. Sterker nog; ik heb mezelf vaker gewenst dat ik in staat zou zijn het níet te doen; mijn hart volgen. Het heeft mij al vaker in benarde situaties gebracht. Ik ben iemand die ontslag neemt, die gaat scheiden, die een therapeut zoekt, en weer een volgende, die vertrekt en weer opbelt, die niet los kan laten en móet uitpraten, die al honderd keer gedacht heeft; zou het niet veel eenvoudiger zijn als ik..? maar toch nooit lijkt te kiezen voor de makkelijke weg. Toegegeven; ik vervloek mijzelf daar wel eens om. Maar vaker houd ik van het avontuur waarheen mijn rusteloze hart mij leidt.

Op 22 december studeerde ik af aan de Schrijversvakschool. De minnaar liet zich niet zien. Hij stuurde ook geen kaartje, geen bos bloemen, kwam me niet vertellen hoe trots, hoe blij. Wel kwam daar iemand anders binnen lopen. Een bos krullen en een grote grijns. We aten die avond oesters bij Nam Kee, dan weet je wel hoe laat het is.

Dat hart van mij moest nog vanalles uitzoeken over de liefde en nam daar ruimschoots de tijd voor. Het boek dat ik geschreven had, vond zijn weg naar een fantastische uitgeverij. De vrienden vertrokken weer uit mijn huis, nog voor we gek werden van elkaar. Er diende zich weer werk aan. Ik blijk iedere maand opnieuw de huur te kunnen betalen. Vaker gaat het goed. Die gedachte houd mij overeind, of trékt mij soms overeind als ik toch per ongeluk onderuit ben gegaan.

De liefde die ik op 22 december leerde kennen, blijkt een mooiere te zijn dan ik had durven denken/kunnen weten/ voor mogelijk had gehouden. Hij liet mij spartelen, stribbelen, duwen en trekken tot ik vanzelf dichterbij kwam.

Het boek hield ik vandaag voor het eerst in mijn handen. Ik ga dat vieren. De liefde. De dromen. De plannen. Het onstuimige hart.

Vaker gaat het goed. Soms wordt het zelfs alleen maar beter.

Sorry

Mijn dochter van vijftien kreeg klappen op straat

Ik schreef erover op 6 juli. Hoe mijn dochter en haar vriendin naar huis fietsten, er voor hun iemand op de rem stond waardoor er moest worden uitgeweken. Hoe er werd gefoeterd en doorgefietst. Hoe ze merkten dat ze werden achtervolgd op de brug. Hoe de achtervolger ze staande kreeg door tegen de fiets van de vriendin aan te schoppen, mijn dochter aan haar haren van de fiets te trekken, hoe ze klappen kreeg.

Toen de politie, die reuzesnel bij ons op de bank zat maar de twee huilende meisjes ook reuzesnel wist te vertellen dat aangifte doen geen zin had en dat het hier een klein incident betrof.

Nadat er veel over was gesproken en gehuild, nadat ik mijn grootste frustratie had weten af te voeren middels een klacht tegen de agent en een blog online, nadat we aangifte hadden gedaan, belde de dochter op een middag vanuit de stad. ‘We hebben hem,’ zei ze. Er was door de politie in de voorgaande weken zoals beloofd, niets ondernomen om de klootzak te pakken te krijgen maar op een middag zag de dochter hem zelf doodleuk een zaak inlopen. Ze belde haar vader, die ondertussen de politie belde. Mijn meisje zat op de stoep voor de zaak waar haar belager naar binnen was gegaan en hoefde hem alleen maar te omschrijven toen de politie arriveerde.

Die avond werd ik gebeld door de agent. Hij vertelde me dat ze de dader hadden weten te identificeren. Het betrof een zeventien jarige jongen. Hij had onmiddellijk bekend. Hij had spijt.

‘Het is wel goed om het een en ander te weten over de jongen,’ sprak de agent op kalme toon aan de telefoon. ‘Hij is een beetje bijzonder.’

Zo kwam ik erachter dat de jongen die mijn dochter rake klappen op haar hoofd had verkocht en haar had gedreigd te vermoorden, een jongen met problemen was. Er was iets mis met hem. Hij was niet helemaal goed.

We spraken af dat we om de tafel zouden gaan, ik met de meiden en de dader met zijn begeleider, zodat de dader zijn excuses kon aanbieden.

Dus daar zaten we dan, op een maandagavond, in een uitgestorven politiebureau. Ik had me nooit gerealiseerd dat de Politie ook kantoortijden aanhoudt. Dochter had eigenlijk niet zo veel zin maar was toch akkoord gegaan. Het was inmiddels al zes weken geleden. Het hele gebeuren was voor haar al aardig naar de achtergrond geschoven en daar was ik maar wat blij mee. Ik had me zorgen gemaakt over mogelijke angsten die zouden blijven hangen na zo’n (weliswaar klein) incident. We gingen toch. De vriendin kwam ook. We zaten met zijn drieën naast elkaar en hielden handen vast.

De jongen kwam binnen met zijn begeleider. De meisjes waren stil. Hij begon te vertellen over de rode doek die voor zijn ogen op was getrokken omdat een van de meiden had gescholden met kanker. Dat zijn vader pas was overleden aan de ziekte. Dat hij heel veel spijt had en wist dat hij nooit had mogen slaan. Dat hij soms niet helemaal begrijpt wat er in zijn hoofd gebeurt. Dat hij het zeker niet zo bedoelde.

We waren allemaal even stil. Daar zaten we dan. De meisjes wilden hem graag vergeven. We gaven elkaar allemaal een hand en liepen het bureau uit.

De dader van zinloos geweld die mijn meisje had geslagen en met de dood had bedreigd bleek een jongen van zeventien die een beetje moeite had zijn koppie op orde te houden. Hij was niet minder aangedaan dan de meiden. Even door het lint gegaan. Hoe vaak ben ik zelf in mijn leven door het lint gegaan, vroeg ik me af. Het had dan nooit geleid tot geweld maar inwendig had ik me zeker vaker in staat gevoeld de wereld af te breken. Is het niet iets wat we allemaal in ons hebben, de bad guy? Is niet iedereen tot wanhoop te drijven, en zouden we dan niet allemaal in staat zijn tot lelijkheid? Ik denk het wel.

We fietsen naar huis. Het is dezelfde route die ze toen fietsten. ‘Hier was het mam,’ zegt ze nog eens, alsof ze me de plek niet al vaker heeft aangewezen deze zomer. Ja, hier was het. Hier kregen twee meisjes dus klappen, en hier verloor één jongen dus even zijn beheersing. Dat was een kutdag voor alle drie. ‘Ik had eigenlijk vooral met hem te doen,’ zegt ze, en dat snap ik. Ik ook. Er gebeuren nare dingen in de wereld. We doen elkaar nare dingen aan. De ene keer ben je slachtoffer, een andere keer misschien wel dader. Als je het kunt oplossen met een handdruk en een sorry is dat eigenlijk prachtig, vind ik. Zoals je vroeger door de juf samen naar het midden van de klas werd geleid om elkaar, na een flinke vechtpartij op het schoolplein, een hand te geven en sorry te zeggen. Je moest elkaar wel in de ogen kijken.

Sorry. Ik wou dat iedereen het durfde.

Boek

Mijn liefje staat een paar gedichten uit zijn dertiende bundel te printen voor een optreden als ik via de mail de drukproef van mijn eerste roman binnenkrijg. Ik krijg het warm wanneer het PDF-bestand traag binnenkruipt. Onmiddellijk scrol ik door het bestand naar onderen. Het duurt even voor ik er ben en dat stelt me gerust.

In Drenthe op het platteland aan de bosrand staat een grote boerderij waar een fijne vrouw alleen woont. Zo nu en dan leent ze me een schrijfkamertje en een slaapplek om een paar dagen rustig te kunnen tikken. De dagen gaan er traag voorbij, naar het ritme van de dieren. Paarden voeren, stal uitmesten. Koffie. Schrijven. Hond uitlaten. Schrijven. Paarden in de wei zetten en stront ruimen, Schrijven.

Toen ik er vorig jaar januari kwam met het idee aan de roman te starten, zette ik de eerste zeven duizend woorden op papier. In de weken die volgden, maakte ik de eerste versie van het verhaal af. ’s Avonds na een dag werken in de boekhandel als mijn dochter lag te slapen en in de weekenden wanneer zij bij haar vader was en het huis stil. Na drie maanden was het verhaal verteld. Dat was het makkelijke gedeelte. Het gedeelte waarin ik mijn eigen redacteur was. Toen niemand nog met een rode pen door de tekst ging en opmerkingen in de kantlijn schreef zoals: ‘Wat bedoel je hiermee?’  ‘Dit woord gebruik je wel erg vaak.’ ‘Kun je dit niet anders formuleren?’

Gedurende de zomermaanden van 2018 raakte ik tamelijk gefrustreerd omdat het een dun boekje bleef dat niet goed genoeg was. Ik rende van klus naar kind naar winkel en in de tussenliggende vrije schrijfuren kostte het me te veel tijd om in de juiste modus te geraken. Als ik eindelijk weer wist waar mijn eigen verhaal naartoe moest, was het tijd om te vertrekken, om de hond uit te laten, om eten te koken, om aan het werk te gaan. Betááld werk wel te verstaan, want schrijven doe je voor de lol.

Na de zomer zegde ik mijn baan in de boekhandel op, leende mijn huis uit aan vrienden en trok in een aftandse boshut zonder warm water en CV maar met een diepe stilte in de enorme tuin. Ik tikte verder aan de tuintafel en was dankbaar voor de mooie, warme maanden oktober en november.

Ik scrol door het bestand naar onderen om bij de laatste pagina aan te komen. Pagina 176. Hoewel ik tot op het woord nauwkeurig weet hoeveel woorden het boek telt, blijf ik maar bang dat het niet dik genoeg is. Zoals een gedicht van mijn hand nooit wérkelijke poëzie is, een bundel niet het échte werk was, een voordracht altijd maar geklungel blijft. Maar nu komt er een boek. Het is een roman van 176 pagina’s. Hij heeft een prachtige kaft en verschijnt bij een geweldige Uitgeverij. Over de inhoud mogen jullie zelf oordelen. Vanaf 4 oktober ligt ie in de winkel.

Kapper

‘Tja, niet iedereen kan mazzel hebben,’ zegt de kapster zodra ik plaats neem in de stoel. In een poging het nog iets minder dramatisch te laten lijken, strijk ik een lok naar achteren. Vroeger had ik glanzend lang blond haar, maar na iedere worp leverde ik niet alleen een cupmaat maar ook minstens tien centimeter van mijn maximale haarlengte in. Nu de oudste twintig is, is het voorlopige eindresultaat een asblond, droog, pluizig warboeltje dat nog het meeste van een vogelnestje wegheeft. Zelf heeft de kapster een bos tot op haar billen. Ze kan het ook nog probleemloos verven aan het gitzwarte kleurtje te zien, het boet er in elk geval niet aan glans op in. Ze houdt een paar van mijn sprietjes omhoog. In de spiegel zie ik hoe een zorgfrons verschijnt op haar voorhoofd.

‘Ja, ik heb het net gewassen,’ probeer ik nog.

‘Kijk, hier breekt het gewoon vanzélf af,’ zegt ze verwonderd terwijl ze een strengeltje splijtende punten ombuigt. Er dwarrelen wat haartjes op mijn donkere kappersschort. Ik knik en vouw de krant open.

‘Doe er maar iets mee,’ zeg ik en ik denk aan de tondeuse die nog in het badkamerkastje ligt. Het stond me verdomd goed, gemillimeterd haar, maar sinds mijn dochter van vijftien met zo’n koppie rondloopt, heb ik daarop een verbod. Ik zit dat volop en volkomen mindful, te begrijpen. Als moeder kies je voor het geluk van je kinderen. Gelukkig krijg je er héél veel voor terug.

Humor om te lachen

Op een bushaltehokje lees ik de reclameleus van een nieuw alcoholvrij biertje: net zoveel alcohol als Duitsers humor hebben. De brouwerij is van Duitse oorsprong en doet het goed in Nederland. Kennelijk heeft ze het noodzakelijk gevonden met deze boodschap de Nederlandse consument te paaien.

De zin blijft me in de kop zitten als ik doorfiets naar een vriend die net terugkomt van de Zwarte Cross. Als ik aankom zit hij met koffie in de tuin. We zijn beide een beetje brak. Hij van de Cross en ik van het weer, of nee van het feit dat ik door het warme weer pas na tweeën ging slapen en ondertussen geen alcoholvrij bier dronk, daarvan. Eerlijkheid duurt het langst.

We hebben het over Allah’s Afbakbar, de snackbar die werd weggehaald op de Zwarte Cross, nadat iemand zijn onvrede uitte over de naam van het eettentje. Een naam waar ik persoonlijk bijzonder hard om moet lachen. De persoon die zich en zijn religie beledigd voelde was, voor zover ik begrepen heb, niet aanwezig op de Zwarte Cross, maar kwam de naam van de snackbar online tegen, gaf er vervolgens ruchtbaarheid aan, kreeg aanzienlijk bijval en binnen no-time voelde de organisatie zich genoodzaakt Allah’s Afbakbar weg te halen. Jammer, als je het mij vraagt. Het was een goeie vondst, grappig ook. Humor is om te lachen.

Maar mensen voelden zich en hun religie beledigd. Ik geloof niet dat het de intentie van de organisatie is geweest om mensen te beledigen, maar om mensen te laten lachen.

We wonen met een hoop mensen bij elkaar. Niet alleen in Nederland, op de wereld bedoel ik. Mensen van allerlei kleuren, soorten en maten. Mensen die allerlei geloofsovertuigingen, zienswijzen en religies aanhangen. Het lijkt me van belang dat we een beetje rekening houden met de verschillen die er tussen ons heersen, en dat we een beetje lief zijn voor elkaar. Dat we elkaar in elk geval niet moedwillig beschadigen. Dat klinkt kinderlijk eenvoudig. Als een grapje voor een hele groep als belediging wordt ervaren, kun je je afvragen of het wel een grapje is. Maar wanneer mag een grapje nou eigenlijk wel en wanneer niet? Zijn we zo slecht geworden in het aanvoelen van de grens van fatsoen dat we daar geregeld overheen gaan, dat er ophef ontstaat, die angst veroorzaakt waardoor de grappenmaker zich excuserend terugtrekt in zijn holletje, met zijn grapje tussen zijn benen, vraag ik me af.

Voor mij persoonlijk geldt dat het bewust negatief neerzetten van iemand, of een groep mensen, de grens van humor overschrijdt. Dat doet de Zwarte Cross met Allahs afbakbar volgens mij niet. Die maken een grapje waarbij geen enkele negatieve toon hoorbaar is. Er wordt niet geïmpliceerd dat Allah alleen maar patat kan bakken, noch wordt de grootsheid van Allah ter discussie gesteld. Er wordt een woordgrapje gemaakt en dat is alles.

Er zijn ook situaties te bedenken waarbij je je mening wellicht moet herzien. Zwarte Piet bijvoorbeeld; nooit bedacht om iemand of een groep mensen doelbewust in een negatief daglicht te zetten. Inmiddels is echter duidelijk dat het voor zó veel mensen toch als negatief wordt ervaren dat we ons terecht afvragen of dat het waard is. Ik denk: kap toch met die Zwarte Piet, geef hem een ander kleurtje en klaar zijn we. Ik denk overigens ook dat we allemaal wat meer geschiedenis zouden mogen krijgen zodat we wel een beetje weten waar we het eigenlijk over hebben en de boel niet nodeloos door elkaar gaan lopen smijten, maar dat terzijde.

Echt beledigen doet volgens mij het biermerk. Net zo veel alcohol als de Duitsers humor hebben. Een hele bevolking wordt in één zinnetje publiekelijk te kakken gezet. En het vreemde is: níemand valt erover. Ik vind het ronduit belachelijk en vraag me af wat er gebeurd zou zijn als er een ander woord in de plaats van Duitsers zou hebben gestaan. Wat zou er zijn gebeurd als er bijvoorbeeld Marokkanen had gestaan? Ik vermoed dat geen enkele fabrikant het in zijn hoofd had gehaald zó’n leus in de publieke ruimte te plaatsen. Had ie het wel geprobeerd, dan was de poster er dezelfde dag nog afgetrokken waarschijnlijk. En terecht ook. Daarna, ik speculeer even ins blaue hinein, hadden de overige Nederlanders zich waarschijnlijk al snel of vóór of tégen uitgesproken. Nu gebeurt er niets. Omdat geen Duitser het ziet misschien. Of omdat de Duitsers tegen een (misplaatst) grapje kunnen. Of omdat we het heel normaal vinden om elkaar te beledigen. Of, nouja, bedenk dat zelf maar.