Mijmeren

Ineens is het zomer. Ik keek naar haar uit, verlangde naar haar en ze was er al zonder dat ik het in de gaten had. Nu dus.

Het is warm. Iedere avond na mijn werk neem ik een duik in de nevengeul van de Waal. Hond eerst, dan ik. Hond blijft naast mijn handdoek zitten wachten tot ik ben uitgepoedeld. Als ik veilig weer op de kant sta, gaat zij op jacht. Ik doe een dutje in de zon tot ze terug komt. Het kán.

Het is de eerste zomer in honderd jaar dat ik voortdurend mijn eigen agenda lijk te kunnen bepalen. Nu de oudste op kamers woont en de jongste zich alleen nog maar wil omringen met leeftijdsgenoten, is het veelal stil in huis, als het niet stil is omdat er een dozijn veertienjarigen komt eten/logeren/barbequeen, hoef ik evengoed niet zo veel want ze maken zich druk zat met elkaar. Ik maak de boel er doorgaans alleen maar awkward op.

Ik geniet ervan. En ook maakt het me onrustig. Soms ineens raast het door mijn lijf: moet ik niet iets? Ik móest toch iets? Maar nee, ik hoef dus niets. Een boek lezen ja, een boek schrijven ja, bedenken waarheen ik op vakantie wil, de planten in de tuin water geven, maar alles kan ineens ook mórgen.

Ik was verreweg de eerste in mijn vriendenkring die een kind kreeg, nog net drieëntwintig. Niet per ongeluk. Er was nu eenmaal niets anders dat ik liever wilde dan een kind, dus kreeg ik er een. Hoe eenvoudig. Mijn redenatie was waar mogelijk nog simpeler; ik wist niet wat ik wilde worden behalve schrijver en daarmee zou ik zeker nooit mijn geld verdienen was me geleerd. Iets anders wilde ik niet, behalve dus moeder worden. Ik dacht: ik doe het gewoon omgekeerd; eerst word ik moeder en tegen de tijd dat ik weet waarmee ik dan wel mijn geld wil verdienen, is die kleine waarschijnlijk wel de deur uit. Een paar kleinigheden had ik niet voorzien. Dat de vader van de kleine jongen zou afhaken bijvoorbeeld, dat ik allerlei te gekke baantjes kreeg en dat ik verder evengoed gewoon schrijver werd, dat ook niet.

Nu, zoveel jaar later, vermaken mijn kinderen zich dus het liefst zonder mij. Ik vind dat heerlijk. Met grote regelmaat realiseer ik mij dat er niemand dood gaat, als ik niet thuis kom. Niemand zal zomaar stikken in zijn slaapje als hij niet geboerd heeft, van de trap af flikkeren als ik een hekje vergeet te sluiten, uit zijn bed klimmen en de fontanel aan diggelen stoten, verzuipen, verhongeren, uitdrogen of kwijtraken. Ik snap heus wel dat er nog andere gevaren zijn voor de jonge mensen die mijn kinderen zijn, maar ik heb bijzonder weinig ruimte om mij daar nu mee bezig te houden en nog minder geloof ik dat het hen wat brengt als ik dat zou doen. Dus doen we het niet. Zij spelen, gamen, kletsen, ontdekken en wat al niet meer. En ik mijmer zo’n beetje voor me uit, over hoe en wat en waar het is gebleven, en wat er komt en wanneer en hoe en dat het zulk heerlijk weer is en de frambozen maar blíjven komen iedere ochtend als ik met mijn schaaltje yoghurt de tuin in loop, en dat het nu tijd is voor een boek en een glaasje Chardonnay en dat er morgen gewoon weer zo’n dag komt. Zoiets.

 

5 Replies to “Mijmeren”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s