Liefde

Er is een nieuwe man in mijn leven. Hij is zó nieuw dat hij zelfs nog een beetje glimt. Verder is hij lang en heeft hij krullen. Soms, als hij buiten is geweest heeft hij ook nog rode wangen.

Hij was er ineens, hoewel dat natuurlijk niet helemaal waar is want er ging een beetje bozige installatie van Tinder aan vooraf. Die installatie kwam nadat de Liefde me voor de zoveelste keer níet kwam opzoeken in de koude boshut. Dus, de volgorde is ongeveer:  Afwezige liefde, kortstondige Tinderapplicatie, contact met de nieuwe man. Dat is allemaal al weer even geleden. Het was niet geheel de bedoeling dat de verveelde Tinder applicatie ineens zou leiden tot een nieuwe man in mijn leven. Het leek me meer een welkome afleiding. Verder was ik van plan mij niet meer zo bezig te houden met zaken rondom liefde en wat er zoal voor doorgaat. Maar dat liep dus anders.

In groot contrast met de Liefde, die zo’n groot onderdeel van mijn leven was de afgelopen anderhalf jaar, is deze man beníeuwd naar mij en mijn leven. Hij komt in mijn huis. Ik kijk een beetje hoe hij zich in mijn huis beweegt. Vrij soepel eigenlijk, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, maar dat is het natuurlijk niet. Hoewel het snel went. Hij is ook benieuwd naar alles wat ik doe. Hij vraagt daar naar; wat ik doe, hoe ik dat doe, waarom ik dat doe. Dat vind ik leuk. Ik heb mezelf allang niet meer zo veel horen praten. Hoewel dat waarschijnlijk ook onzin is.

Hij wil ook nog alles zien. Ik roep nog een beetje: Hoho, maar dat stelt weinig voor. Ik vind het al snel fijn om hem alles te laten zien. Hij wil zelfs De Duik met me doen. Dat doen we. Het is een fijne duik. Hij staat op mijn strand, met zijn krullen en zijn glimmende mannenlijf.

Tussendoor bel ik met de Liefde, de altijd afwezige liefde. Ik vertel hem over de nieuwe man. Hij is stil aan de lijn. Het was niet zijn intentie om altijd afwezig te zijn, en hij weet dat hij het evengoed altijd was; afwezig. We verklaren elkaar de liefde nog maar weer eens een keer. Een andersoortige liefde dit keer, die van in mijn hart, ja jij ook, en loslaten en gunnen en ga maar enzovoorts enzoverder. De theatrale kant van het leven is ons niet vreemd.

Ik vertel de man over dat gesprek. Ik kijk naar de man. Hij heeft lieve ogen, mooi ook. Ik wil steeds wat dichterbij hem kruipen. Hij is ineens niet meer ‘de nieuwe man’. Hij wordt ook een beetje de Liefde, steeds meer eigenlijk. Best vlot ook nog. Man wat gebeurt er?

Hij trekt me een beetje tegen zich aan. Hij heeft zelf ook nog een Liefde, een oude, een nieuwe, en God weet wat nog meer. Maar nu ben ik hier met hem en dat is fijn. Nee, dat is meer dan fijn. Ik glunder daar van: rode wangetjes en krullen. Hup die waal in om af te koelen, rondjes rennen om weer warm te worden, maar dat blijkt niet nodig vandaag. Ik ben dat al. Al die liefde toch, wat een gedoe. En wat mooi. Wat een mooi gedoe.

Het organiseren van de terugtocht

Je bent ten strijde getrokken zonder dat je het wist.

Je bent ten strijde getrokken zonder dat je het wist.

(Ooievaars zijn het jaar rond gebleven. Je komt ze iedere morgen tegen. Het is een dag waarop grijs plaats heeft gemaakt voor lichtblauw. Je weet zo goed als zeker dat de laatste oorlog gewonnen is en besluit te glimlachen)

Onbewapend ben je. Je hele uitrusting ligt nog op het nachtkastje. Daar moet het sowieso vandaan maar dat is er nog niet van gekomen. Als je vergeefs naar je gordel grijpt, blijk je weer naakt. Nouja.

Het is nu vooral zaak eenduidige beslissingen te nemen. Iemand moet het doen. Naar huis gaan om je wapens te halen, je te bezinnen op de juiste strategie, een aanvalsplan uitwerken of

terugtrekken. In dat geval zal overmeestering waarschijnlijk niet uitblijven.

Besluiteloos vind je jezelf halverwege het oorlogspad. De vijand is al in aantocht. Hij ziet er verdomd lief uit. Je duikt de bosjes in. Trekt je benen op en neuriet zacht een wijsje dat je nog kent van vroeger. Als je het drie keer uit hebt zonder te stoppen zal hij wel voorbij getrokken zijn.

Misschien ligt hij thuis in bed op je te wachten, heeft hij de uitrusting opgeborgen, of niet.

Je wacht nog even. Het is nu vooral zaak geen eenduidige beslissingen te nemen. Dat heb je al zo vaak gedaan.

Er staan ooievaars in het veld. Daar kijk je naar.

Tering

Ik word on-ge-lo-fe-lijk chagrijnig wakker. Mijn kop doet zeer, maar ik snap direct dat dat niet de oorzaak van mijn chagrijn kan zijn. Chagrijnig zijn zit, hoewel ik dat heus wel eens ben, niet erg diep genesteld in mijn natuur. Al snel wordt me duidelijk waar het wél door komt. Een schel piepje komt vanuit de gang. Het geluid bezorgt me onmiddellijk de rillingen. Exact een minuut later klinkt het weer. Het heeft de hele nacht geklonken. De batterij van het brandalarm probeert mij te laten weten dat hij bijna niet meer kan. Ik herinner me weer hoe ik vannacht mijn kop onder het kussen stopte wat me makkelijker leek dan opstaan en het ding kapot slaan, of gewoon uitzetten. De piep heeft zich een tunnel door mijn brein gekloven, en nu doet alles zeer.

Als ik naar de badkamer strompel, stoot ik mijn teen over de drempel wat ik precíes alleen maar doe als ik chagrijnig ben. Ik vloek. Luid en duidelijk. Beneden maak ik havermoutpap en zet thee. Ik laat het thermosflesje vallen waar meteen zo’n grote deuk in zit dat hij niet meer goed sluit. Ik brand mijn tong aan de pap. Ik struikel over de hond. De stemming wordt er niet beter op.

Buiten is het wit. Wit en koud. Niet een beetje. Mijn badpak hang stijf bevroren aan de waslijn. Ik laat hem hangen en stap diep zuchtend in de auto.

Onderweg bedenk ik me dat het het slechtste idee was in tijden, dat wekelijkse zwemmen in de Waal. Ik oefen hoe ik dat J. moet duidelijk maken: ik doe het niet. Kut en takketering.

Ik staar vanaf de kant het water in als J komt aanlopen met een grote grijns op haar gezicht. Zij heeft duidelijk een betere nacht gehad dan ik.

Oh, toe maar even, zegt ze als ze mijn gezicht ziet, en ik ga even los over hoe alles kut is en wie er allemaal de takketering kan krijgen.

Zullen we dan maar gewoon? zegt ze. En ik volg haar bewegingen, terwijl ik nog een beetje door mekker.

Ze humt: hm hm, ja dat snap ik. Je hebt ook gelijk.

De lucht is grauw, teringgrauw. Het water is ook grauw. Het zand is bevroren. Ik wist niet dat het kón bevriezen. We kleden ons uit. Blote billen. Ondertussen beginnen we al een beetje te giechelen. Ik moet er steeds harder van lachen. We springen even op en neer. Kijken naar dat teringgrijze water en gillen ons warm, voor zover mogelijk. Dan rennen we er allebei in. Gillend. Hopsakee. Kopje onder óók nog, Beetje spartelen óók nog. Alles in mij staat in de fik. Mijn hart maakt een sprongetje van geluk. Mijn longen zuigen zich voller dan ik voor mogelijk hield. Onmiddellijk verschijnt er een enorme grijns op mijn gezicht. We roepen luid van ooh en aah en nog meer van dat en rennen er dan uit. Snel aankleden. De honden springen, blaffend als idioten, om ons heen. Ze gingen er zelf niet in vandaag. Watjes.

Een minuutje later zitten we naast elkaar op het strand. Zij en ik en iedere cel in ons lichaam. Kopje thee in onze handen. We kijken over de Waal. ‘T is een mooie dag.

Wat was er nou? Vraagt ze, terwijl ze in haar kopje blaast.

Oh niks, zeg ik.

De sleutel

In Trouw kom ik de volgende kop tegen: De sleutel om te kunnen moorden is afstand creëren. Een interessant artikel, waarin criminoloog en jurist Kjell Anderson een kijkje geeft in het denken van een moordenaar. Ik lees het op zaterdagmiddag, nadat ik terugkom van mijn wekelijkse rondje over de markt en aan de keukentafel zit met een beker koffie. Als ik het artikel uit heb, laat ik de pagina open op tafel liggen, zoals ik soms doe als ik met een bepaald thema nog niet helemaal klaar ben.

Vandaag is een waanzinnig mooie dag. De wereld gilt blauwe lucht en zonneschijn. Na mijn yogales kom ik thuis in een leeg huis. De dochter heeft een briefje neergelegd waaruit ik kan concluderen dat ik de dag zonder haar zal doorbrengen. Gelukkig begrijpen de hond en ik elkaar woordeloos. Ik giet hete koffie in een thermosflesje, stop een pen en een notitieboekje in m’n jaszak en loop met haar richting de Waal. Er zijn weinig dingen die ik liever doe op mooie dagen als deze.

Op mijn nieuwe route kom ik een beverbouwwerk en een vos tegen. Ook verwonder ik me over de weerspiegeling van het licht in het water. Ik aai een paard. Ik fotografeer een rund met prachtige horens en verbaas mij over de intense kleur groen van het mos dat groeit tegen de zijkant van een put. Alles in mij staat áán en soms is mijn enthousiasme zo groot dat ik blij ben wanneer ik een medewandelaar tegenkom met wie ik het even kan delen. Heb je dat gezien? Wat een prachtige dag hè? Moet je hier es kijken! Na het uitkramen van wat enthousiasme en vriendelijkheid kan ik weer tevreden alleen verder wandelen. De behoefte om te delen is kennelijk groot.

De trend van tegenwoordig lijkt soms wel te zijn dat we zo goed mogelijk worden in volkomen zelfstandigheid. In je eentje gelukkig kunnen zijn, lijkt het hoogst haalbare: ik moet kunnen varen op mijzelf. De yogajuf zegt regelmatig; het gaat nu alleen om jou. Maar doorgaans vind ik er geen zak aan als het alleen om mij gaat. Ik weet al wie ik ben en wat ik wil. Ik ben graag alleen en kan dat prima. Ik vaar allang mijn eigen koers en laat me daarvan niet snel weerhouden. Alles in mij wordt interessanter als het in relatie staat met een ander. Sterker nog; de hele zin van mijn leven valt of staat met het contact dat ik maak met de ander. Een bijzondere en intieme ontmoeting die ik onlangs had, deed me dat met een klein schrikje opnieuw realiseren; er is weinig fijner dan wérkelijk contact. Ik ervaar het ook als zeldzaam, immers niet iedereen is in staat tot het maken van werkelijk contact of dan toch tenminste niet iedereen mét iedereen. Het is dus alles behalve een vanzelfsprekendheid. Maar ik deel mijn leven nu eenmaal graag met mensen die in alle oprechtheid en liefde met mij in contact kunnen, willen en durven komen. Daar gaat uiteraard aan vooraf dat ik in staat ben met mijzelf een werkelijk contact aan te gaan zoals de ander daartoe ook in staat moet zijn. Ongetwijfeld geldt dit niet voor iedereen. Legio mensen hebben volledig andere prioriteiten in het leven dan dit. Maar voor mij geldt; zonder die verbinding met de ander vind ik er simpelweg geen zak aan. Het gaat er niet om wat die ander van mij víndt, of ik wel leuk genoeg ben, wel knap genoeg, wel bijzonder genoeg en met hoeveel likes dat aan de rest van de wereld wordt kenbaar gemaakt. Het gaat erom dat het delen van wie ik ben, wat ik meemaak en ervaar, de beleving an sich waardevoller maakt. Zoals ook het het mee mogen maken van wat die ander die ander maakt, het allemaal zo veel mooier maakt.

Als ik thuis kom van mijn wandeling ben ik even volkomen gelukkig, zoals je dat soms kunt zijn. Ik pers vier sinaasappelen uit en drink het sap terwijl ik naar de krant tuur: De sleutel om te kunnen moorden is afstand creëren. Ik snap het onmiddellijk. Het zou ook niet anders kunnen omdat de sleutel om te kunnen liefhebben, nabijheid is. Dichte nabijheid, dichter dan dichte nabijheid. Beter wordt het niet.

Zwemmen

 

Het regent en het is koud. Ik draag een wollen muts boven mijn grijns. Het gaat me weer goed: de feestdagen zijn voorbij, de boshut ontruimd, mijn huis is warm en weer vertrouwd. Er staan nieuwe avonturen in mijn sterren, dat snapt iedereen, maar ik heb me voorgenomen het even rustig aan te doen.

Naast me loopt vriendin J. Zij draagt een wollen muts boven haar snotneusje. Het staat haar leuk. We stappen stevig door en doen net alsof we daarmee de regen ontwijken, maar mijn spijkerbroek plakt na tien minuten al aan mijn bovenbenen. We hadden ook thuis kunnen blijven maar ontwijken van vervelende situaties is niet onze sterkste kant.

Onze honden zijn kwijt. Dat is niets nieuws. Ze stormen enthousiast de Uiterwaarden in en komen alleen soms even laten zien hoeveel stront ze hebben gegeten (die van haar) of hoeveel konijnen ze op kunnen (die van mij) maar wij zijn niet erg onder de indruk vandaag. We hebben zo onze eigen shit. Nouja, ik vandaag dus niet, maar zij wel. Haar blik is bedenkelijk. Ik wacht even af wat er gaat komen en vul de tussenliggende stilte even met geklep over mijn goede voornemens.

J. en ik zijn in de basis een beetje hetzelfde: hoge pieken, diepe dalen, gaan voor de waarheid geen confrontatie uit de weg (vermoeiend), kunnen slecht onze bek houden (bijzonder onhandig), en kennen slechts moménten van tevredenheid voordat er zich weer iets nieuws aandient waar aan gekloven kan worden (waarom nou toch?).

Gelukkig kunnen we heel goed afwisselen. Als het haar slecht gaat, gaat het mij vaak goed. Als het mij slecht gaat, gaat het haar prima. Dat is handig. De één kan de ander dus meestal bij de lurven pakken, even door het slijk trekken, wat reflectiemomentjes naar de kop gooien, een paar goede adviezen afvuren, luisteren naar al dat gemekker en gejank en dan op een bepaald moment de mond snoeren en even vasthouden tot het allemaal weer gaat. In een wandeling van zo’n anderhalf uur, krijgen wij elkaar doorgaans weer aardig op de rit.

Als we heen en weer over het strand zijn gelopen en ik het regenwater tot tussen mijn billen voel kriebelen, kijkt ze me ineens een beetje verlegen aan.

Ik wil iets, zegt ze. En ik zoek iemand om het mee te doen. Ze laat een lange stilte vallen waarin ze over de grijze rivier staart. Ze gaat me iets ongemakkelijks vragen.

Ik wil het al heel lang, zegt ze. In mijn hoofd maak ik pijlsnel een lijstje van de dingen die ik van haar weet en die in aanmerking komen. Ik word er een beetje zenuwachtig van.

Ik wil een jaar lang iedere week in de Waal zwemmen, no matter wat. zegt ze. Op een vast tijdstip, op een vaste plek en zien wat we dan tegenkomen in onszelf en ik wil het met jou.

Goddomme, denk ik.

Ja knik ik.

Nieuwe avonturen in de sterren, je ontkomt er niet aan.

 

Commissierapport eindwerk Schrijversvakschool Amsterdam

Gisteren studeerde ik af aan de Schrijversvakschool Amsterdam met de roman ‘Hawaï 2000’. Onderstaand het commissierapport, waar ik de stukken die te veel verraden hoe het verhaal verder gaat, heb uitgeknipt, zodat men het boek ook gewoon nog wil lezen.

Therapeute Lin Bankers is overspannen en moet op doktersadvies vooral ‘even leuke dingen doen’. Het eerste wat ze kan bedenken is om met de erfenis van haar overleden moeder een nieuwe bank te kopen, de Hawaï 2000. Hij is veel te groot, past niet door de deur en daarom parkeert Lin hem maar zolang op haar veranda. Tegelijkertijd krijgt ze bericht van de vriendin van haar vader dat hij aan het dementeren is, en dat het nu eens tijd wordt voor de dochter om voor haar vader te zorgen. Lin heeft haar vader al heel lang niet gezien, en in korte flashbacks leren we waarom. 

Hawaï 2000 is een goed gecomponeerde kleine roman die al snel een eigen wereld vormt, een wereld die eigenlijk een beetje aandoet als wandelen in het bos met oordoppen in. Rustig van toon en vaart, aantrekkelijk ook in die rust (het is prettig een beetje mee te lopen met Lin), en tegelijkertijd voel je de beklemming, dat er een tunnel ontstaat waardoor een deel van de buitenwereld verdwijnt. Het geheel is goed opgebouwd met ‘vanzelfsprekende’ sprongen in de tijd, en de breuk in de chronologie wanneer Koren vertelt over de ziekte van Lins moeder is sterk – aanschouwelijk geschreven, maar wat betreft een van de commissieleden net iets te lang.

Wat geldt voor dit specifieke stuk, geldt voor de roman als geheel: nergens is het onderwerp te zwaar aangezet, waardoor het prettig leest. Korens stijl is nuchter en efficiënt, nergens wordt het dramatisch of larmoyant. Soms heeft Koren de neiging nog net te veel uit te leggen over Lins beweegredenen, terwijl die bijvoorbeeld al in een handeling zijn getoond – dat hoeft niet, dat kan de verbeelding van de lezer prima zelf aan.

Het is mooi hoe Koren de jeugdige Lin met haar vluchtgedrag – de drang om te zwemmen, met als opening de bijna magische zwemtocht in het meer – weet te verbinden met de latere Lin die vooral wordt gekenmerkt door een sterke overlevingsdrang. Heel positief is men over de bank die tot een waar personage wordt verheven. Verder wordt opgemerkt dat er soms te weinig contrast is tussen de zachte, wat betuttelende buitenwereld (collega’s die haar adviseren naar huis te gaan; de verkopers in de meubelzaak; de vriendelijke buurman) en Lin, die misschien hard is omdat ze geen verzorging toestaat, maar zacht is in het leven dat ze leidt – het wandelen door het bos, de wens naar binnen gekeerd te leven. Een van de commissieleden zou daarom meer van haar buitenwereld willen weten, bijvoorbeeld haar leven als psycholoog.

Concluderend: de commissie vindt Hawaï 2000 een sterk, heftig verhaal dat dwingend is geschreven in een heldere, directe stijl. Ontroerend, maar ook geestig vanwege de prettig-absurde situatie waarin Lin en haar vader zich bevinden, met levendige personages met wie je moeiteloos meeleeft en voor wie je uiteindelijk het beste hoopt. Een volwassen, kleine roman die doet uitzien naar Korens werk in de toekomst. Daarbij wil de begeleider nog persoonlijk manen daarbij meer rust en reflectie op het eigen werk in te bouwen: minder haast, beter kijken naar de zelf gecreëerde mogelijkheden van het verhaal en die onderzoeken. Het hoeft niet meteen morgen al de wereld in.

Nico Dros

Simon(e) van Saarloos

Jasper Henderson (begeleider)

 

Houd me vast

Ik lees een boek over hechtingsproblematiek omdat me na anderhalf jaar van heen en weer geslingerd worden tussen samen een huis kopen en elkaar nooit meer zien, tussen vier keer per dag bellen en vergeten worden, tussen je bent de liefste en ik haat je me wel duidelijk is dat minstens één van ons twee niet geheel in balans is als het gaat over de liefde, vertrouwen en in staat zijn tot hechting. Aangezien ik aan zijn deel van de deal niet kan werken, besloot ik mijn eigen aandeel eens onder de loep te nemen. Er wordt mij veel duidelijk.

De titel van het boek ‘Houd me vast’, is een vrij duidelijke boodschap . Het impliceert dat duidelijkheid de oplossing is voor het probleem en zo eenvoudig is het ook. Dus als je vastgehouden wilt worden, zeg je gewoon: houd me vast. Dan doet ie dat, word jij lekker warm, en kan iedereen weer verder. Een kind kan de was doen. Jammer alleen dat ik doorgaans niet direct in de gaten heb wannéér ik vastgehouden wil worden. Sterker nog, het houd-me-vast-gevoel, is bij mij een beetje in de war met het krijg-de-tering-gevoel. Het lijkt in elk geval bijzonder sterk op elkaar en dat helpt niet.

De mensheid kan verdeeld worden in drie categorieën. De eerste is de categorie die gewoon voelt wat ie werkelijk voelt en dat exact zo weet te formuleren. De tweede die voelt het tegenovergestelde van wat ie werkelijk voelt en weet dát exact zo te formuleren en de derde categorie vraagt zich verbaast af waar zijn gevoel nu toch ineens is gebleven en gaat vrolijk verder met zijn werk. De kunst is dus niet alleen om duidelijk uit te spreken wat je behoefte is maar eerder nog; om erachter te komen wat die behoeften nu werkelijk zijn. En zo kun je dus nogal eens tot de conclusie komen dat je door diegene die je zojuist de takketering hebt gewenst, eígenlijk vastgehouden wilt worden. Kom daar maar eens uit.

Ik ben de koude boshut ontvlucht en zit tijdelijk op een boerderij in Drenthe. Het is warm, gezellig en ik kan er ongelofelijk lekker doorwerken. Het leven is hier duidelijk. Vanmorgen werd ik wakker door de kat die tegen de deur aan krabde, ze zei: laat me eruit. Toen ik opstond en met mijn slaperige hoofd naar de badkamer wankelde, blokkeerde de hond de doorgang; hij zei: haal me aan. Zodra ik het licht aanknipte, begonnen buiten de paarden te hinniken; ze riepen: voer me.

Het is zonneklaar wat me te doen sta, en ik doe het. Ik laat uit, ik haal aan, ik voer, en ik doe alles met liefde. Ik krijg ook precies terug wat ik nodig heb. Een wandeling, een frisse wind door mijn hoofd, het geknisper van de sneeuw onder mijn laarzen, een warme staart van de poes, een lik van de hond en een paard die zijn hoofd in mijn nek legt en mij, ongevraagd zowaar, even vasthoudt.

Verbinding

Ik drink koffie in het achterste gedeelte van Stroom. Verderop links zit de chef te denken over een nieuw menuutje. Zo nu en dan kijkt ze verlekkert uit het raam. Rechts van mij zitten twee mannen met twee kleine kinderen. De meisjes zijn ongeveer even oud. Ze waggelen heen en weer, naar elkaar, van elkaar, naar de vaders, en naar de boekenkast naast mij. Het kleine blonde ding, twee staartjes op haar hoofd, houdt haar pas in als ze voor de kast staat. We voelen allebei dat ze dícht langs mij moet, om een boekje uit de kast te pakken. Ze twijfelt. Ik leun achterover in de kast en geef haar daarmee iets meer ruimte. Maar ik ben nog te dichtbij. Ze doet een stapje terug, kijkt van mij naar de boekenkast, besluit dan niet langs mij te willen, en loopt terug naar een van de mannen bij wie ze op schoot kruipt. Over zijn schouder loert ze naar mij. Ze lijkt een inschatting te maken van de route: kan ze op een andere manier langs mij om bij de boekjes te komen? Of ben ik wellicht gewoon veilig genoeg om langs te schuiven, aan te raken zelfs? Zal ik haar opeten? Ik glimlach op mijn zoetst naar haar. Ik wil haar het gevoel geven dat ze veilig is, maar ga niet voor haar aan de kant. Niet om flauw te doen, maar omdat ze het prima zelf kan inschatten.

Het weer overstemt mijn gemoedstoestand. Toen ik hierheen fietste was ik onrustig. Te veel aan mijn kop, te veel te doen voor de kerstdagen en te weinig vertrouwen in mijzelf. Soms loop ik ervan over, soms heb ik er ineens tekort aan. Vertrouwen.

Nu ik hier binnen zit, de warmte, de lekkere koffie de goede sfeer van een fijne plek om me heen, groeit mijn vertrouwen weer. Soms heb ik het nodig om even verbinding te maken met een andere sfeer, andere mensen waaraan ik mij lijk te kunnen opladen, zodat mijn vertrouwen weer groeit. Daar kun je dan wel op besparen, door jezelf door je werkdag heen te duwen, maar mijn ervaring is dat het vaak meer oplevert als je er even uit kunt stappen. Even een andere omgeving, een lekkere koffie, een fijne lunch en afstand van alles waar je in zit. De rest van mijn dag is dan vaak productiever dan wanneer ik mijzelf er doorheen had geduwd.

Het lijkt ook op te gaan voor het meisje. Ze legt haar hoofd even in de nek van haar papa en kijkt me aan met haar duim in haar mond. Dan ineens maakt ze zich los van de veilige schoot, staat op en stapt op mij af. Zonder dat ze afwacht of ik aan de kant ga of niet, beweegt ze voorzichtig langs mij heen om bij het onderste schap te kunnen. Ze pakt een boekje en kijkt me dan pas aan, grinnikt even en rent terug naar papa’s schoot.

 

 

 

Verzachten

De kou, de vochtigheid en de stilte van de boshut leken ineens erg goed aan te sluiten bij Bikram Yoga. Een yogavorm waar je je in absolute stilte en bij 39 graden C anderhalf uur lang in het totale zweet werkt. Afgelopen week ging ik drie keer.

Yoga gaat over contact maken met jezelf. Over: wel doorzetten maar in záchtheid. Over: goed zorgen voor jezelf en de wereld. Ik beoefen het al jaren, en hoewel het me veel heeft gebracht, blijf ik ook met regelmaat aanlopen tegen mijn natuur.

Mijn natuur is namelijk: mijn eigen broek ophouden, hard werken en niet zeuren. In de praktijk komt dit vaak neer op: hard werken en véél zeuren als het me niet oplevert wat ik had beoogd. Bijkans geef ik daar dan ook nog graag iemand anders de schuld van…

Lees verder op:

Literair Tijdschrift Extaze

Angst | week 9 in de boshut

Eerst waren er weken waarin de zon scheen en het warmer was dan logisch voor de tijd van het jaar en toen kwamen er weken dat het ineens omsloeg. Niet alleen het weer. De boodschap van de liefde aan de telefoon veranderde ook van; we gaan samen de wereld veroveren naar een zuchtende: we zien wel hoe het verder gaat.

Ik ging dit avontuur aan omdat het een goed idee leek om in stilte mijn boek af te maken, te werken aan de opzet van een nieuwe onderneming en een start te maken met een nieuw boek. Ik voelde mij door de liefde gesterkt. Nu weet ik ineens dat dat niet de enige reden was.

Lees verder op: www.extaze.nl