Kapper

‘Tja, niet iedereen kan mazzel hebben,’ zegt de kapster zodra ik plaats neem in de stoel. In een poging het nog iets minder dramatisch te laten lijken, strijk ik een lok naar achteren. Vroeger had ik glanzend lang blond haar, maar na iedere worp leverde ik niet alleen een cupmaat maar ook minstens tien centimeter van mijn maximale haarlengte in. Nu de oudste twintig is, is het voorlopige eindresultaat een asblond, droog, pluizig warboeltje dat nog het meeste van een vogelnestje wegheeft. Zelf heeft de kapster een bos tot op haar billen. Ze kan het ook nog probleemloos verven aan het gitzwarte kleurtje te zien, het boet er in elk geval niet aan glans op in. Ze houdt een paar van mijn sprietjes omhoog. In de spiegel zie ik hoe een zorgfrons verschijnt op haar voorhoofd.

‘Ja, ik heb het net gewassen,’ probeer ik nog.

‘Kijk, hier breekt het gewoon vanzélf af,’ zegt ze verwonderd terwijl ze een strengeltje splijtende punten ombuigt. Er dwarrelen wat haartjes op mijn donkere kappersschort. Ik knik en vouw de krant open.

‘Doe er maar iets mee,’ zeg ik en ik denk aan de tondeuse die nog in het badkamerkastje ligt. Het stond me verdomd goed, gemillimeterd haar, maar sinds mijn dochter van vijftien met zo’n koppie rondloopt, heb ik daarop een verbod. Ik zit dat volop en volkomen mindful, te begrijpen. Als moeder kies je voor het geluk van je kinderen. Gelukkig krijg je er héél veel voor terug.

Humor om te lachen

Op een bushaltehokje lees ik de reclameleus van een nieuw alcoholvrij biertje: net zoveel alcohol als Duitsers humor hebben. De brouwerij is van Duitse oorsprong en doet het goed in Nederland. Kennelijk heeft ze het noodzakelijk gevonden met deze boodschap de Nederlandse consument te paaien.

De zin blijft me in de kop zitten als ik doorfiets naar een vriend die net terugkomt van de Zwarte Cross. Als ik aankom zit hij met koffie in de tuin. We zijn beide een beetje brak. Hij van de Cross en ik van het weer, of nee van het feit dat ik door het warme weer pas na tweeën ging slapen en ondertussen geen alcoholvrij bier dronk, daarvan. Eerlijkheid duurt het langst.

We hebben het over Allah’s Afbakbar, de snackbar die werd weggehaald op de Zwarte Cross, nadat iemand zijn onvrede uitte over de naam van het eettentje. Een naam waar ik persoonlijk bijzonder hard om moet lachen. De persoon die zich en zijn religie beledigd voelde was, voor zover ik begrepen heb, niet aanwezig op de Zwarte Cross, maar kwam de naam van de snackbar online tegen, gaf er vervolgens ruchtbaarheid aan, kreeg aanzienlijk bijval en binnen no-time voelde de organisatie zich genoodzaakt Allah’s Afbakbar weg te halen. Jammer, als je het mij vraagt. Het was een goeie vondst, grappig ook. Humor is om te lachen.

Maar mensen voelden zich en hun religie beledigd. Ik geloof niet dat het de intentie van de organisatie is geweest om mensen te beledigen, maar om mensen te laten lachen.

We wonen met een hoop mensen bij elkaar. Niet alleen in Nederland, op de wereld bedoel ik. Mensen van allerlei kleuren, soorten en maten. Mensen die allerlei geloofsovertuigingen, zienswijzen en religies aanhangen. Het lijkt me van belang dat we een beetje rekening houden met de verschillen die er tussen ons heersen, en dat we een beetje lief zijn voor elkaar. Dat we elkaar in elk geval niet moedwillig beschadigen. Dat klinkt kinderlijk eenvoudig. Als een grapje voor een hele groep als belediging wordt ervaren, kun je je afvragen of het wel een grapje is. Maar wanneer mag een grapje nou eigenlijk wel en wanneer niet? Zijn we zo slecht geworden in het aanvoelen van de grens van fatsoen dat we daar geregeld overheen gaan, dat er ophef ontstaat, die angst veroorzaakt waardoor de grappenmaker zich excuserend terugtrekt in zijn holletje, met zijn grapje tussen zijn benen, vraag ik me af.

Voor mij persoonlijk geldt dat het bewust negatief neerzetten van iemand, of een groep mensen, de grens van humor overschrijdt. Dat doet de Zwarte Cross met Allahs afbakbar volgens mij niet. Die maken een grapje waarbij geen enkele negatieve toon hoorbaar is. Er wordt niet geïmpliceerd dat Allah alleen maar patat kan bakken, noch wordt de grootsheid van Allah ter discussie gesteld. Er wordt een woordgrapje gemaakt en dat is alles.

Er zijn ook situaties te bedenken waarbij je je mening wellicht moet herzien. Zwarte Piet bijvoorbeeld; nooit bedacht om iemand of een groep mensen doelbewust in een negatief daglicht te zetten. Inmiddels is echter duidelijk dat het voor zó veel mensen toch als negatief wordt ervaren dat we ons terecht afvragen of dat het waard is. Ik denk: kap toch met die Zwarte Piet, geef hem een ander kleurtje en klaar zijn we. Ik denk overigens ook dat we allemaal wat meer geschiedenis zouden mogen krijgen zodat we wel een beetje weten waar we het eigenlijk over hebben en de boel niet nodeloos door elkaar gaan lopen smijten, maar dat terzijde.

Echt beledigen doet volgens mij het biermerk. Net zo veel alcohol als de Duitsers humor hebben. Een hele bevolking wordt in één zinnetje publiekelijk te kakken gezet. En het vreemde is: níemand valt erover. Ik vind het ronduit belachelijk en vraag me af wat er gebeurd zou zijn als er een ander woord in de plaats van Duitsers zou hebben gestaan. Wat zou er zijn gebeurd als er bijvoorbeeld Marokkanen had gestaan? Ik vermoed dat geen enkele fabrikant het in zijn hoofd had gehaald zó’n leus in de publieke ruimte te plaatsen. Had ie het wel geprobeerd, dan was de poster er dezelfde dag nog afgetrokken waarschijnlijk. En terecht ook. Daarna, ik speculeer even ins blaue hinein, hadden de overige Nederlanders zich waarschijnlijk al snel of vóór of tégen uitgesproken. Nu gebeurt er niets. Omdat geen Duitser het ziet misschien. Of omdat de Duitsers tegen een (misplaatst) grapje kunnen. Of omdat we het heel normaal vinden om elkaar te beledigen. Of, nouja, bedenk dat zelf maar.

Mishandeling

Het is vakantie. De dochter en haar vriendin zijn wezen zwemmen. Ze hebben zich ingesmeerd met factor 30. Ze fietsen langs het huis van de vriendin om te vragen of er gelogeerd mag worden. Het mag. Ze fietsen terug naar mij. Ze brengen een tandenborstel mee. Ze nemen het fietspad. Ze laten hun telefoons in hun tas zitten en houden minstens één hand aan het stuur. Veertien jaar. Veiligheid is vaak een totaal onzinnig begrip in hun beleving, maar ze kunnen wel luisteren naar ouders die ze wat hebben proberen bij te brengen. Soms doen ze dat braaf.

Voor hen wordt ook gefietst. Plotseling staat iemand op de rem waardoor er moet worden uitgeweken. In hun schrik roepen de meisjes boze dingen. Dan fietsen ze door. Ze merken vrij snel dat ze achterna worden gezeten. Als ze omkijken fietst een grote jongen tussen hen in. Ze zullen hem later in de signalementsomschrijving ongeveer zeventien schatten. Voor ze weten wat er gebeurt ligt één van hen op de grond. Er gaat een fiets kapot. Een meisje probeert hulp te zoeken. Er zijn mensen in de buurt, grote mensen, maar niemand schiet te hulp terwijl het andere meisje, dat mijn dochter is, aan haar haren van haar fiets wordt gesleurd. Ze krijgt een vuist tegen haar hoofd. Ze ligt op straat. Als ze overeind komt, pakt de jongen haar opnieuw vast. Hij brengt zijn gezicht dicht bij het hare en belooft haar haar te vermoorden. Het is een belofte die hij niet zal houden. Zoveel weet ik zeker.

Als ze de tuin in komen kijken ze bedrukt. Ik sta te koken. Ik maak gehaktballetjes met veel knofloof. Er is brood. Er zijn boontjes. Er liggen maiskolven in het water. We hebben een fles bubbels opengetrokken. Ik maak een grapje over de bedrukte snoetjes die ik door de ramen zie. Ik denk dat ze woorden hebben gehad, die twee, dat kunnen ze goed. Dan zijn ze elkaar priecies drie minuten helemaal zat totdat ze weer verder lachen. Maar ze hebben geen woorden gehad. Ze komen via de achterdeur binnen. Mijn meisje valt in mijn armen. Ze huilt onmiddelijk. Haar lieve vriendin staat naast haar. Tranen zitten vast in ooghoeken. Handen trillen. Het zijn bijna vrouwen, deze meisjes. Soms zijn het al vrouwen. Nu zijn het meisjes. Kleine meisjes. Die zijn mishandeld op straat.

De politieagent geeft herhaaldelijk aan dat we geen aangifte hoeven te doen, dat we vrij zijn in de keuze maar dat er ook melding van gemaakt kan worden omdat er niets met de zaak zal worden gedaan. Ik vraag hem wat we onze kinderen moeten leren. Ik vraag het mijzelf ook af. Wat moet ik onze kinderen leren? Dat ze geen boze dingen mogen roepen als ze schrikken? Dat ze om brand moeten roepen en niet om hulp? Dat ze terug moeten slaan of in elkaar moeten duiken? Dat ze de politie moeten bellen of het zo snel mogelijk moeten vergeten?

Er wordt niets opgeschreven. De meisjes geven een heel duidelijk signalement van de dader. Als de agent voor de derde keer tegen de meisjes zegt dat het een klein incident is, vraag ik hem zijn woorden wat zorgvuldiger te wegen. Ik begrijp best dat het voor de agent een klein incident is. Hij zal alleen vandaag al ergere dingen hebben gezien. Mijn meisjes hoeven echter niet te horen dat dit een klein incident is. Ze zouden het gevoel kunnen krijgen dat ze zich aanstellen. Dat ze niet zo moeten zeuren. Ik wil dat ze wél zeuren. Ik wil dat ze keíhard gaan zeuren. Sterker nog, ik ga er zelf ook een beetje over zeuren. Nee, keíhard ga ik erover zeuren terwíjl we áángifte doen van mishandeling.

De Waterval

Ik ben goed in véél dingen. Laat ik eens wat van mijn kwaliteiten opnoemen: ik kan goed lachen. Ik kan goed lol maken. Ik kan best aardig koken. Ik kan prima dansen. Ik kan goed wandelen, op mijn hoofd staan, schrijven, nadenken en slapen. Ik ben ook níet goed in dingen. Danspasjes leren bijvoorbeeld, lukt me nooit. Ik kan geen recept volgen. Ik kan niet zo best rekenen. Ik kan niet zo goed rustig nadenken voordat ik iets groots ga doen (bijvoorbeeld een oven kopen die niet in mijn keuken past en daarom nu in de schuur staat wat op zich prima werkt). Zaken waar ik niet goed in ben en die anderen je kunnen leren, kun je je laten leren. Tegen betaling. Dat vind ik een prima concept.

Ik ga naar mijn nieuwe therapeut. Een nieuwe omdat ik soms aan vervanging toe ben, bovendien is mijn oude van baan veranderd.. Soms heb ik ook even geen therapeut nodig, dat komt voor, gedurende jaren zelfs, maar altijd kom ik weer op een punt dat ik denk; ik moet naar een therapeut. Dan zoek ik er weer een

Mijn nieuwe therapeut is een lichaamsgerichte therapeut. Dat woordje lichaamsgerichte zorgde ervoor dat ik de eerste afspraak maanden uitstelde. Het leek me behoorlijk veel gedoe en als er één ding is waar ik niet warm voor loop,  is het wel gedoe.

Als ik binnenkom, concludeert deze lichaamsgerichte therapeut al vrij snel dat ik waarschijnlijk veel gedoe veroorzaak in mijn leven. Dat heeft ze scherp gezien. Ik ben niet altijd gediend van dit soort scherpe analyses die mij in een tamelijk vervelend daglicht zetten, maar van haar kan ik het hebben. Ik denk dat dat komt omdat ze zelf overkomt als iemand met bijzonder weínig gedoe. Geen moeilijke toestanden, geen zweverige analyses die ik niet kan volgen, geen nauwe ruimtes waar ik alleen maar kan kijken naar een ikea-tafeltje waarop drie glazen water staan zodat ik mij voortdurend moet afvragen wie ik er nog meer wordt verwacht. In plaats daarvan ontvangt ze me in een soort gymzaal waar een judomat op de grond ligt. Ik mag vrij door de ruimte bewegen. Ze legt me kort en bondig uit hoe mijn hersenen werken en wat er bij die van mij waarschijnlijk gebeurt. Ik heb ze iets aangeleerd, die hersenen van mij. Ik heb ze aangeleerd wat ze moeten doen als de nood aan de man in. Ze zijn daar bijzonder goed in geworden. Dat verdient applaus. Als de nood aan de man is, ga  ík sowieso overleven, zo veel is duidelijk. Ik ben namelijk bijzonder goed in: alle overbodige shit, zoals de liefde en ander gedoe, op de reservebank zetten, mijn vleugels om mijn kinderen slaan en hard werken. Dat  is mooi te weten. Alleen er ís geen noodsituatie, all is clear verdomme. En hoe moet dat dan?

De lichaamsgerichte therapeute houdt mijn hand vast, ook als ik haar liever een mep wil verkopen. Vervolgens hangt ze me in de watervalhouding. Een yogahouding die ik van mijn yogajuf alleen maar ken als de staande vooroverbuiging. Volgens de lichaamsgerichte therapeute komt de pijn in mijn lage onderrug van de angst die ik daar heb vastgezet. Ik geloof haar onmiddellijk. Ik probeer al maanden met man en macht van de pijn af te komen en niks helpt. Ik probeer ook al maanden van de liefde af te komen en ook daar helpt niks. Volgens mijn cortex verkeren we in een noodsituatie en dus moet alle gedoe eruit, moeten de vleugels om de kinderen geslagen worden en moet ik aan het werk. Maar mijn lief ís helemaal geen gedoe, hij is vooral lief. Mijn kinderen zijn inmiddels tamelijk in de buurt van volwassenheid en vinden mijn vleugels een beetje goor en mijn boek is af en daarmee zou ik het werk best even kunnen neerleggen.

Ik moet in de watervalhouding zodat alle nood via mijn ruggengraat de ondergrond in kan stromen. All is clear. Mijn yogajuf weet precies hoe dat moet. Ik ga naar de les. Doei.

Kleigrond

Ik fiets door het dorp waarin ik ben opgegroeid. Ik verliet het op mijn zeventiende en wist niet hoe snél ik er weg moest komen: van het dorp, van mijn ouders, mijn ouderlijk huis, mijn leerkrachten, het platteland. Ik vertrok naar het buitenland. In de jaren die volgden kwam ik er alleen terug voor verplichte bezoekjes. Ook dat is inmiddels ook al weer jaren geleden; ik weet allang hoe mooi mijn geboortegrond is.

Nu fiets ik van de camping naar mijn ouderlijk huis. Ik volg een stuk van de route die ik als meisje liep met de hond. Het is prachtig. Vroeger was de Regge een lelijke plomp, nu slingert hij sierlijk door een weelderig landschap. Van mijn ouderlijk huis, waar al sinds een kleine eeuwigheid onbekenden in wonen, fiets ik naar het dorp, langs de tweedehands boekenwinkel waar ik vroeger zo graag kwam, langs de bieb. In gedachten ben ik bij mijn kleine broertje die ik vroeger wel eens achterop zette en meenam voor een tochtje. Ik moet hem hebben omgekocht met een ijsje. Ik was dol op hem. Zó dol. Mijn vriendinnen hadden een suffe babypop, maar ik kreeg een broertje toen ik zeven was. Toen hij wat ouder werd, was hij mijn getut snel zat. Hij veegde mijn kusjes af, liet me niet meer in zijn nek kroelen, maar wilde met onze grote broer mee op pad.

Het is vroeg. Het dorp is stil. Hoewel het zondag is, is er ook voor de kerk niemand te bekennen. In de pastorie huist een makelaarskantoor. Op de deur hangt een bordje waarop staat wanneer er de komende tijd nog een mis is. Vroeger zong ik in het jeugdkoor. Als er gevraagd werd wie er wilde voorzingen priemde mijn vinger bijkans tegen de kroonluchter.

Gisteren vierden we de zeventigste verjaardag van mijn vader. Het was een prachtige dag. Mijn vaders oudste twee kinderen waren er en zijn beide kleinkinderen. De kinderen van zijn vrouw met hún kinderen. Tijdens mijn fietstocht realiseer ik me hoeveel er is verschoven gedurende mijn leven: ik kreeg nieuwe kunstouders en nieuwe kunstbroers- en zussen, aan beide kanten. Ik nam de vader van mijn kind mee, verloor hem uit het oog, vond een nieuwe, liet hem achter en kwam nu alleen naar familiegelegenheden. Ik dacht aan de huizen waarin ik had gewoond, die ik had opgeknapt en waar ik had liefgehad. Die ik weer had verlaten. En ik dacht aan mijn broertje die steeds meer begint te lijken op een hoofdpersonage uit een film die je ooit hebt gezien. Die je ooit honderd keer hebt gezien omdat je er zo dol op was. Waarvan de videoband al jaren achterin een kast ligt. Hij is onbruikbaar. Als je hem aanzet, loopt ie geheid vast. Je probeert het niet meer.

Het leven is vol. Misschien geldt dat niet voor ieders leven. Míjn leven is vol. Vaak loop ik ervan over. Vaak hol ik erachteraan. Vaak denk ik: ‘stop de tijd, in godsnaam- stop de tijd!’

Omdat ik niet bij kan houden wat er allemaal gebeurt. Soms is het ineens allemaal goed. Dan blijf ik even staan. Zet de fiets tegen een lantaarnpaal, kijk uit over het landschap, stap met mijn voeten in de klei en realiseer me wat ik allemaal ben kwijt geraakt in de loop van de tijd en vooral, wat ik allemaal heb gekregen en misschien nog even mag houden.

Angst II

Met een 4-havo klas zouden we naar Keulen. Mijn wekker was die dag om kwart over zes afgegaan en ik had de uren ervoor liggen woelen in mijn veel te warme bed. Het was net na achten toen ik het klaslokaal binnenkwam, er stond koffie klaar. Docenten hadden rugtassen mee waarin lunchpakketjes zaten. De leerlingen hingen nog op de gang. Chagrijn was er ook. Best veel.

De leerlingen waren een aantal weken bezig geweest met de vraag wat het spannendste in de wereld zou zijn om te doen. Een onderzoeksvraag die ze zelf hadden. Aan de hand van een kunst-en cultuurroute gingen ze op zoek naar antwoorden. Voor vandaag stond het EL DE Haus in Keulen op het programma. Een voormalig Gestapo hoofdkwartier waar jongeren in de leeftijd van 13 tot 18 jaar tijdens WOII vast hadden gezeten. Toen één van de begeleiders met een goed en informatief verhaal de dag opende, wisten we nog niet dat deze jongeren, gewoon jongeren waren. Jongeren die bij een clubje zaten, een wandelclubje of een dansclubje dat langzaamaan Hitlerjugend werd. De Hitlerjugend waar de regels steeds meer werden aangescherpt en de consequenties steeds groter werden. We wisten nog niet dat ze soms maandenlang met z’n dertigen in een kleine cel zaten waarin geen toilet te vinden was, geen bed, geen water.

4havo was liever gaan skydiven om erachter te komen wat angst was, daar kregen we in de bus mooie gesprekken over. Het was een reis van bijna drie uur, we hadden alle tijd om verwachtingen te bespreken en hoe stom musea zijn. Van angst leek weinig sprake. We verbaasden ons om het schaamteloze meezingen dat ze deden op de muziek uit de draagbare boxen achterin de bus.

Afgesproken was dat ik na de lezing en de rondleiding in het EL DE Haus een schrijfworkshop zou geven. Ik had geen les voorbereid. Ik geef inmiddels lang genoeg les om te weten dat dat onmogelijk is; een les als deze voorbereiden. Je moet het doen met wat zich aandient immers, anders kun je het net zo goed op school zelf doen. Dat had me zes uur reistijd gescheeld.

Het EL DE Haus bevindt zich midden in de stad Keulen. De bus parkeerde voor de deur. We doken toiletten in om volle blazen te legen en verzamelden in een klein lokaal op de bovenste verdieping waar we een presentatie over de geschiedenis van het huis kregen. Bij sommige foto’s werden we vooraf gewaarschuwd; als we geen gruwelijke beelden wilden zien, was dit het moment onze gezichten in onze handen te verstoppen.

Na de lezing dwaalden we door het gebouw, trappen af naar de koude kelders waar de cellen waren, nog meer cellen, nog meer trappen, steeds minder buitenlucht en steeds meer inscripties op de muren: Wenn keiner an dich denkt deine Mutter denkt an dich. Hans Weinsheime 1944.

We komen buiten uit, op een binnenplaatsje waar de zon tegen alle bespiegelde muren aan knalt. Brutaal bijna. Hier hebben de galgen gestaan. We roepen 1944. Zeven galgen waar iedere week zeven kinderen aan werden opgehangen. Van twee kanten kijken vijf hoog appartementen uit op het binnenplaatsje, die waren er toen ook al. Daar hebben mensen gewoond die gedurende de WOII ongevraagd wekelijks getuige waren van ophangingen van kinderen. Kinderen die aangesloten waren bij de Hitlerjugend omdat dat verplicht was. Ze hadden verzet getoond. Misschien hadden ze stiekem een jazzmuziekje gedraaid of iemand gekust.

Het is daar dat we gaan schrijven.

Op de binnenplaats zitten zesentwintig jongeren op de grond met een blocnote en een pen. Ze schrijven een brief aan iemand die hier aan de galg eindigde. Een leeftijdsgenoot. In de gebouwen naast ons kijken opnieuw mensen naar beneden.

Als de brieven af zijn, vraag ik wie uit de groep wil voorlezen. De schroom is groot. Iemand vertelt me dat ze bang is dat het niet goed genoeg is wat ze heeft geschreven. Iemand zegt dat ze bang is dat ze wordt uitgelachen. Iemand zegt dat het onveilig voelt omdat de docenten niet hebben meegeschreven. Er is angst. Opnieuw. Op dit plein. Dat zingen we eruit, in de bus op de terugweg. Uit volle borst. Vals en zuiver. Jong en oud. Zwart en wit, roze, rood en blauw. Want we gaan veilig naar huis.

Angst

In de periode dat ik met een burn-out thuis zat, kreeg ik paniekaanvallen. Ik wist niet wat het was, een paniekaanval, maar als ik me er een voorstelling bij had moeten maken, had het er in geen geval zo uitgezien als het eruit zag.

Ik zou me hebben kunnen voorstellen dat er paniek bij me zou kunnen ontstaan omdat ik me het slecht aflopen van bepaalde situaties levendig zou kunnen voorstellen. Bijvoorbeeld het feit dat ik niet meer naar mijn werk kon. Ik zou me zorgen kunnen maken over hoe lang dat zou duren en of het ooit weer goed zou komen. Daar zou paniek van kunnen komen. Een paniekaanval.

Maar nee, wat er gebeurde was iets totaal anders. Er ontstond paniek over totaal ongrijpbare, niet realistische, niet eens heldere, meest onlogische situaties, die ik toen en ook nu niet eens meer goed kan omschrijven. Er was geen sprake van hysterie of onophoudelijk huilen. Ik explodeerde niet. Ik ímplodeerde en in mij was niets. Eén groot donker niets waaruit ik slechts de conclusie kon trekken dat het allemaal afgelopen was of dan op zijn minst snel zou zijn. Ik kan het alleen maar in clichés beschrijven; het gevoel dat de grond onder me wegzakte, dat ik aan de rand van een afgrond stond op het punt neer te storten. En dat het donker om me heen was. Heel erg donker.

Het lukte me niet om te eten want er leek voortdurend iets vast te zitten in mijn keel. Ik kon niet slapen. En als ik toch wegdommelde, schrok ik na een paar uurtjes weer wakker. Bang. Ik was bang. En had geen idee waarvoor.

Het is al enkele jaren geleden. Mijn oplettende huisarts schatte de situatie ernstig genoeg in om mij snel aan de pillen te zetten. Ik was het stadium van yoga, mindfulness en goede eetpatronen ver voorbij. Antidepressiva en slaappillen.

Na een paar weken al, kwam ik eruit. Het licht ging aan als de sfeerlamp van Philips. Ik wist direct dat het ergste achter de rug was.

Nu moet je weten dat ik een behoorlijk positief ingesteld mens ben. Het glas is halfvol. Ik zie kansen. Ik denk in mogelijkheden. Ik mag dan wel gek zijn, maar ook dat is al lang niet meer iets wat mijzelf afschrikt. Ik ben niet gediagnosticeerd maar menig therapeut heeft wel een voorzichtige gok gedaan: beetje van dit, vleugje van dat, je moet niet verbaast zijn als dát er ook nog uitkomt, Heidi. Prima.

Achteraf gezien ben ik blij dat ik die periode heb meegemaakt. Ik was te ver gegaan, was mezelf kwijtgeraakt. Het is voor altijd en altijd een waarschuwing in mijn achterhoofd: ik moet bij mijzelf blijven en mij omringen met mensen die lief voor me zijn, die mét me zijn, niet in eerste plaats altijd maar voor henzelf zorgen zelfs als dit ten koste gaat van mij.

Als ik ergens de angst zoals ik die destijds heb ervaren, aan zou moeten ophangen is het wel de angst om alleen te zijn. En dat zijn we op een bepaalde manier allemaal. Alleen. Maar daarin kunnen we elkaar toch maar mooi omhelzen.

In die angst was ik als mens het aller aller alleenigst tussen alle allenige mensen.

Aanstaande donderdag ga ik met een klas 4 havo naar het EL-DE Haus in Keulen. We gaan daar onderzoeken wat angst is. Wat spanning is. Na ons bezoek gaan we schrijven. Ik begeleid ze daarin. Het EL-DE Haus is een voormalig Gestapo Hoofdkwartier. Jongeren hebben er tijdens WOII vastgezeten en zijn er verhoord. We kunnen wel raden naar hun angst. Donderdag gaan we het teruglezen in de teksten op de muren. Daar ben ik een beetje bang voor. We doen elkaar wat aan, wij mensen. Misschien zouden we onze eigen angsten eens wat beter moeten (durven) aanschouwen. Onze angsten zeggen alles over onze verlangens. Misschien als we ze beter zouden kennen, zouden we ze niet ten koste van een ander hoeven te vermijden maar misschien zelfs beter in staat zijn onze verlangens na te jagen. We zouden het samen kunnen doen. In het licht misschien, zelfs een beetje huppelend, sprak de gek.

Ik ben van niemand

Van alle dingen die ik het liefste wil, is van mijzelf zijn het meest van belang. Van mezelf zijn en daar tevreden over zijn, dat lijkt bijna onmogelijk.

Opgroeiend in een traditioneel gezin waarin mijn vader als hoofd van het geheel duidelijk de bepalende stem had, mijn moeder niet buitenshuis werkte en klaar zat met thee en koekjes als wij uit school kwamen, ben ik gewend me te voegen. Zo was immers het voorbeeld. Mijn vader voegde zich naar de grillen van zijn baas. Moeder voegde zich naar vader. Voegen was de norm. We noemden dat ook wel ‘rekening houden met elkaar’, maar dat is toch ècht iets anders.

Ik verliet het ouderlijk huis jong en liep regelrecht in de armen van een man die vrij onomwonden van mij verwachtte dat ik mij voegde. Ik kende het woord niet, had geen benul van voegen en deed het onverminderd. Al roepend dat iedereen de takketering kon krijgen en dat ik vooral en met náme mijn eígen ding deed. Alleen achteraf kun je beschouwen.

Er volgden relaties; liefdesrelaties, vriendschappen en nieuwe banden zoals die met mijn twee kinderen. Overal viel wel iets uit te leren en dat deed ik ook. Gretig. Altijd onderzoekend, altijd in retrospectief, altijd mezelf binnenstebuiten kerend.

Nu ben ik drieënveertig, zijn mijn kinderen groot, ben ik mijn eigen werkgever, laat de hond het liefst zichzelf uit. Voegen is niet meer aan de orde. Met de mensen in mijn leven overlég ik, soms komen we tot de conclusie dat een van ons water bij de wijn kan doen, dan wordt er besloten wie. Er wordt over gepraat. Dat is prettig.

Hoewel (!) nu er zoveel ruimte is om van mijzelf te zijn, ontstaat er soms ineens een neiging om mij te voegen. Ik kán het namelijk; voegen. Met voegen maak ik dat wat ik zelf wil en kan ondergeschikt aan de wens van de ander. Dat is lekker makkelijk. Dat wat ik zelf wil en kan is me namelijk wat waard, het zou bijzonder pijnlijk zijn als dát allemaal niet lukt. Het is ineens soms makkelijker me te voegen naar de wensen van een ander, ook al vraagt diegene dat niet eens van me. Het biedt me uitstel. Het biedt me de mogelijkheid tot verschuilen. Tot niet keihard vechten voor wat ikzelf te doen heb met het risico glorieus te falen.

Ik realiseer het me als ik op het strand loop. Het is voorjaar, de zon schijnt. Het Waalwater is 12 graden. Toch heb ik er net ingelegen. Als ik terugloop naar mijn fiets tintelt mijn huid. Sinds kort weet ik dat mijn eerste roman aankomende zomer zal verschijnen. Er ligt voldoende werk klaar om daar een bundel op te laten volgen. Ik speel al een jaar met een idee voor een ander boek. Dit is wat ik te doen heb. Ik wil niets anders. Toch weet ik dat als de liefde me nu zou vragen om alles neer te leggen en me te voegen er ergens een verlangen zou zijn om dit te doen. Dan zou ik zorgen voor thee en koekjes om nooit te hoeven ontdekken wat ik allemaal níet heb kunnen waarmaken. Maar er is geen liefde die me dat vraagt omdat ikzelf eindelijk begrepen heb dat de liefde die dat van me zou vragen helemaal geen liefde is.

Ik ben het zelf. Ik blijk het al die tijd zelf te zijn geweest. Ik blijk al die tijd al van mijzelf te zijn geweest. Laat ik nu maar gewoon doorschrijven dan.

Spartelen

Spartelen

Toen ik mijn vriendje voor de derde keer zou gaan ontmoeten, belde ik van te voren vriend M. Hij is erg begaan met mijn liefdesleven en heeft van dichtbij meegemaakt hoe ik mij de afgelopen anderhalf jaar weer danig in de kreukels had weten te krijgen. We hadden afgesproken dat hij vanaf nu tot de ballotagecommissie zou behoren.

Ik ga die gast nog een keer zien, zei ik.

Ok leuk, zei hij, want ‘die gast’ was al door de eerste keuring heen. Hij wist over wie het ging en was vóór een derde afspraak. Doe je voorzichtig? Die vraag kon alleen maar slaan op het feit dat ik in de grote stad, Amsterdam waar onze afspraak zich zou afspelen, beter dan thuis moest letten op mijn tas en portemonnee. Waar anders zou ik voorzichtig mee moeten doen? Ik knikte braaf. Ik stond op de speaker, vriendin B. luisterde op de achtergrond mee.

Niet meteen met hem naar bed gaan hè, riep ze, laat hem even spartelen. Een tikkeltje beduusd hing ik op.

We liggen in bed te kletsen, het vriendje en ik, het is vroeg in de ochtend en inmiddels drie maanden later. Het raam staat open en een koude wind trekt door de slaapkamer. We zijn bijna even oud, beiden veertig plus. Als we ons redelijk gemiddeld gedragen, zitten we zo’n beetje op de helft van ons leven. Dat zou mooi zijn. De eerste helft van elkaars leven hebben we dus totaal gemist. Dat is niet erg. Ik heb mensen en dingen en avonturen meegemaakt die ik niet had willen missen. Voor hem geldt hetzelfde. Door al die gebeurtenissen ben ik nu wie ik ben en dat is misschien wel meteen de reden dat we elkaar zo leuk vinden, want dat vinden we.

Waar het gesprek ineens vandaan komt weet ik niet, maar ik hoor mezelf vragen met hoeveel vrouwen hij het bed heeft gedeeld. Ik heb zijn verhalen aangehoord de afgelopen maanden. Daar zaten ook verhalen bij over voorgaande liefdes. Liefdes van kort geleden van wie het hart nog vol is, liefdes van langer geleden, liefdes die geen liefde waren maar wel seks, seks wat niet echt seks was of juist wel of meer liefde bleek en noem maar op. Ik vind die verhalen leuk. Ik heb ze ook.

Wat telt? vraagt hij, alle seks of alleen penetratie? Daar moet ik over nadenken. Ik ken seks die beduidender was zónder penetratie dan andere seks mét. Als je moet aangeven met hoeveel mensen je hét hebt gedaan, wat tel je dan? We spreken af dat alle beduidende seks telt. Hij begint hardop op zijn vingers te tellen en roept een getal.

Als je erover gaat bloggen, moet je naar boven afronden, zegt hij lachend. Hoe meer hoe beter is kennelijk de norm voor de man. Het is even stil in de slaapkamer. In mijn hoofd maak ik vast mijn eigen lijstje.

En jij, vraagt hij, juist als ik denk dat de vraag misschien niet terug wordt gesteld. Ik noem een getal wat kort voor zijn getal komt. Dan is het weer stil. Ik vraag me af of hij nu schrikt en zich zo onaangedaan mogelijk probeert te tonen. Ik kan het niet zien in het donker.

En, vraag ik dan maar, wat vind je daarvan?

Wel fijn, zegt hij, kennelijk zijn we er een beetje hetzelfde mee omgegaan de eerste helft van ons leven. Dat klopt.

Ik voelde niet de behoefte om het getal naar boven af te ronden. Sterker nog, de eerste gedachte die bij me opkwam was dat hij me wellicht een sloerie zou vinden, terwijl dat woord niet in me opkwam toen hij zijn getal noemde.

Toen ik het telefoongesprek met M. had beëindigd en nog even beduusd op de rand van mijn bed bleef zitten en nadacht over dat spartelen wat ik mijn nieuwe vriendje kennelijk moest laten doen, bekroop me een vreemd gevoel. Ik voelde nergens, niet in het mínste, de behoefte om een man te laten spártelen. Ik heb de zin er nooit van ingezien. Ik vind het van belang vooral te luisteren naar wat ik zelf wil en hoe ik me daarbij voel. Was ik daarmee te makkelijk? Ik belde M. terug.

Waaróm moet ik hem laten spartelen? vroeg ik. Ik voelde me een klein meisje, alsof er al die jaren al iets to-taal aan me voorbij was gegaan. M. lachte: Ja waarom eigenlijk.

Het laten spartelen geeft me het gevoel dat seks iets is dat ik voor hém doe. Iets wat ik hem voorhoud en waar ik hem nog even op moet laten wachten, totdat ik zeker weet dat hij het waard is. Maar wat betekent dat? Ik ben prima in staat om zelf te voelen met wie ik naar bed wil en met wie niet, ook wanneer ik dat doe en wil en hóe kan ik prima zelf beslissen. Ik ga ervan uit dat de ander dat ook kan. Voor zichzelf. Dan komen we er wel, lijkt me zo.

Ik heb een dochter van veertien met wie ik regelmatig praat over relaties, verliefdheden en seks. Ik zeg haar nooit dat ze, wanneer ze er klaar voor is, toch nog moet wachten en al helemaal niet dat ze hem moet laten wachten. Ik wil haar meegeven dat ze haar grenzen én behoeften serieus moet nemen, evenals die van een ander. Spartelen is iets wat we in de Waal doen en dat is heerlijk.

Mijn nieuwe liefje heeft mijn zwemavonturen van de afgelopen maanden op de voet gevolgd. Hij laat zich er niet snel onder krijgen op dat gebied. De zon schijnt op het bed door de kier in de gordijnen. Van buiten komt merelgetjielp. Het is april, koud, maar de lucht is blauw zien we als hij opstaat en de gordijnen opentrekt. In zijn mooie blote lijf staat hij voor mijn raam van waaruit je de Waal niet kunt zien, maar in gedachten ziet hij haar kennelijk toch. Zonder zich om te draaien vraagt hij: zullen we een duikje gaan nemen? Even spartelen bedoel je? Vraag ik vanuit het bed. Hij knikt. Hij heeft het begrepen.

TIP: Sunny Bergman maakte een prachtige nieuwe documentaire over de man: Man Made. Kijk:
https://www.npostart.nl/2doc-man-made/08-04-2019/VPWON_1288938

Mamaaaaaa

Mijn dochter brult al dagen de eerste drie regels van het refrein van Bohemian Rapsody door het huis. Haar Engels is nog niet zo best waardoor eigenlijk alleen de Mamaaaaaa luid en duidelijk doorkomt. Dat doet ze ook het liefst. Ze maakt er werk van: gaat voor me staan, neemt haar onzichtbare microfoon ter hand, haalt diep adem en schalt: Mamaaaaaaaa, gevolgd door een riedeltje jabbatalk.

Het is meestal de aanzet tot een verzoek. Mamaaaaaaaaaa, mag ik logeren? Mamaaaaaaaaaaa, eten we pizza? Mamaaaaaaaaaaa, wil je me voorlezen? is de nieuwste.

Sinds ik mamaaaaaaaa ben, probeer ik mijn kinderen te enthousiasmeren voor literatuur. Tot nog toe heeft het knisperboekje van Nijntje met vlag en wimpel gewonnen. Daarna ging het snel bergafwaarts. Op haar achtste bleek ook een beetje waarom: dyslexie. En hoewel ze ‘slechts’ aan een milde vorm van dyslexie lijdt, het drukt de pret van het lezen toch.

Maar nu ze op de middelbare school zit, dient er serieus gelezen worden. Ze moet een heus boek kiezen voor Nederlands. Als ze me erover vertelt, hangt ze als een vaatdoekje over de bank: Ik moet een echt boek lezen. Ze kreunt er een beetje bij. Mijn tenen krommen. Ik fietste als kind wekelijks vrijwillig naar de bieb om met het maximaal toegestane aantal boeken weer huiswaarts te keren. Toen ik slaagde voor de havo kreeg ik van mijn moeder een eerste druk bundeltje Duitse poëzie vol Goethe uit het plaatselijke tweedehands winkeltje. Mijn moeder had me al vaker gadegeslagen terwijl ik opnieuw en opnieuw keek naar de prijs in het boek. Ik snap heus wel dat dat ook niet helemaal normaal was.

De dochter laat de datum waarop het boek uit moet zijn en ze er een presentatie over moet geven, zonder zichtbare stress dichterbij komen. Daadwerkelijk een boek uitkiezen, lijkt niet in haar op te komen, laat staan dat ze ergens in begint. Ik opper zo nu en dan iets; zullen we even naar de bieb samen?

Neuh.

Tuurlijk niet. Waarom ook?

Als ik op een middag thuiskom, hangt ze op de bank met Anne Frank voor haar neus. Mijn god. Driehonderdzoveel pagina’s. Ik weet wat dat betekent. Er zal iets van mijn doorzettingsvermogen gevraagd worden de komende tijd. Van dat van haar ook natúúrlijk, dat bedoel ik.

Als we een paar weken verder zijn en ze ongeveer halverwege het boek is zegt ze; tis wel kut dat ze schrijven nu zo leuk begint te vinden mam, het worden elke dag langere stukken.

Zo kun je ook naar het verhaal kijken inderdaad. We lezen iedere dag ook een stuk samen. Ik verbaas me over de woordenschat en zinsbouw van Anne Frank. Slimme meid. De dochter merkt nog iets anders op: zeker wel dat ze lesbisch was he mam, hoe graag die aan borsten wil zitten. Was me ook nooit opgevallen. Zo leer je nog eens iets.

Om haar te motiveren, houd ik haar een dagje Amsterdam met bezoek aan Het Achterhuis voor. Daar verheugt ze zich op, helemaal als ze een vriendin mee mag nemen. Het lezen vordert gestaag. Heb je al kaarten mam? vraagt ze zo nu en dan. Ik hum, oja die kaarten, dat regel ik zo wel even.

Het boek komt uit. Het is een wonder. Ze is er stil van. Ze vindt het ook nog mooi. Ik maak een huppeltje, het is gelukt. Enthousiast begint ze aan haar presentatie, appt haar vriendin of ze de polaroid camera mee wil nemen naar Amsterdam, vraagt tussendoor of ik die kaarten nou al heb. Ik schrik. De kaarten ja, dat moest ik nog doen. Ja hoor, lieg ik en snel naar boven om kaarten te reserveren. Online zijn er 1140 wachtenden voor me. Ik ben te laat. Ze heeft het niet van vreemden.