Groot groter kleinst

Precies twee jaar geleden liep ik (op klaarlichte dag en zònder een druppel alcohol in mijn donder) met mijn hoofd frontáál tegen een boom. Het werd de oorzaak van een hersenschudding en het startschot van een burn-out.

Van de hersenschudding leek ik maar moeizaam te herstellen. Dat vond ik vreemd: dat moest ik toch binnen een week of wat onder de knie kunnen krijgen? Maar het tegendeel bleek waar: hoe meer ik dacht dat ik erbovenop zou komen, dat ik mijn eigen blije, energieke, immer-positieve-alles-aan-kunnende-zelf zou worden, des te verder raakte ik van die persoon verwijderd. En zo veranderde ik, in rap tempo, in een klein, bang muisje, dat niet meer sliep en niet meer at en dat bang, bang, bang in een hoekje op de bank zat. Na enkele weken werd mij, en ook de huisarts, duidelijk dat de hersenschudding slechts bijzaak was.

Die boom was toeval. Het feit dat ik ertegenaan liep onoplettendheid. Toch weet ik zeker dat, als het de klap tegen de boom niet was geweest, er iets anders was gebeurd. Iéts was er nodig om mij stil te zetten, om mij te stoppen. Ik stopte een half jaar.

Vanavond was ik eten met Wim. Wim was destijds mijn opdrachtgever. De opdrachtgever die ik moest bellen om te zeggen;   ‘Het gaat niet, Wim.’

‘Wat niet, meisje?’

‘Alles niet. Niets van wat ik gezegd heb dat ik zóu gaan doen, kan ik waarmaken.’

De angst die ik voelde om de mensen rondom mij teleur te stellen was, waar mogelijk, nog groter dan de angst die ik had om mijzelf teleur te stellen.

Het kwam kort ter sprake vanavond tijdens het etentje, waarin we nieuwe plannen smeedden. Dat ik eigenlijk nooit volledig ben hersteld al zijn er dus inmiddels twee jaar verstreken. Ik ben niet meer de oude geworden en realiseer mij inmiddels ook, dat ik dat nooit meer worden zal.

Is dat iets wat ik betreur, vroeg ik me af, toen ik naar huis fietste?

Twee jaar waarin ik eerst totaal bodem moest raken, tot op de graat afgekloven, teruggeworpen op mijn een-meter-vijf-en-zeventig-met niets meer dan dat. Waarin ik eerst opnieuw heb moeten leren rusten, slapen, herstellen, vergeven, stilstaan, nee zeggen, dat-kan-ik-niet-zeggen, dat-wíl-ik-niet-zeggen. Twee jaar waarin ik de balans heb opgemaakt, nieuwe balans heb gevonden, rustmomenten heb leren inlassen, meningen heb laten varen, meer ben gaan yogaën, zonder telefoon ben gaan wandelen, mij niet meer heb laten afleiden, mij wèl weer heb laten afleiden, appjes opnieuw op mijn telefoon heb geïnstalleerd, mijn telefoon weer meenam uit wandelen.

Het voordeel van rock bottom raken is dat je weet waar rock bottom ligt, niet persé dat het je geen tweede keer overkomt. Sterker nog, uit onderzoek is allang gebleken dat wie eenmaal rock bottom raakt, het een tweede keer ook gemakkelijk weet te halen. Ik ben daarop geen uitzondering, maar dat is niet voor nu. Soms zijn het kleine dingen die mij even doen herinneren. Een hoofdpijntje, een snauw, een onderbuik-gevoel. Altijd is er iets dat mij terug leidt naar mij en naar dat wat ik werkelijk wil voor mijzelf. En dat is zo godsgruwelijk eenvoudig dat ik, als ik er eenmaal naar kijk, zelf niet snap waar ik zo moeilijk over doe. Ik wil eigenlijk alleen maar schrijven. Ik wil met mijn geliefden zijn. Ik wil er voor mijn geliefden kúnnen zijn. Ik wil goed doen in mijn kleine wereldje, want ik geloof dat als we dat allen doen, het zo eenvoudig mooi is. Ik wil klein, kleiner, kleinst en daarin alom groot zijn. Niet groter dan een ander, júist níets groter dan een ander. Dat vergeet ik nog wel eens, maar niet voor lang. Nooit meer voor lang.

 

 

Man

Er is een man in het vizier. Net nu ik me voorgenomen had alleen nog maar op vrouwen te vallen, godverdomme. Ik denk de hele week al aan hem en dat slaat nogál nergens op, vooral omdat ik hem op het eerste oog niet eens bijzonder aantrekkelijk vond ofzo. Die eerste keer was afgelopen zomer. Dat hij mij wel bijzonder aantrekkelijk vond, had ik wel in de gaten en dat maakte hem toch weer een stuk aantrekkelijker. Of vond ik hem nou wèl aantrekkelijk? Ik weet het goddomme niet meer.

Ik ben ziek thuis. Al honderd jaar en het gaat maar niet over, de griep. Of de tering dat kan ook. Iedere dag word ik een stukje lelijker. Als de man me nu zou zien, zou hij zich omkeren, zoveel is zeker. Misschien moet ik hem even opzoeken. Het kan maar afgelopen zijn. De griep duurt al tien dagen. Ik vind het voldoende om morgen weer naar mijn werk te gaan. Er komt een punt in ieders griep dat je het einde moet afdwingen. Het waren tien lamlendige dagen met een prettige onderbreking op de Hoge Veluwe, waar ik wonderwel aardig kon doen alsof ik géén griep had. Bij thuiskomst viel ik jammer genoeg meteen door de mand, met koorts en de hele santenkraam. Ik houd er niet bepaald veel van, wanneer de controle over mijn eigen zelf mij wordt ontnomen. De griep en die man hebben iets gemeen.

Ik kijk op mijn telefoon. Nog eens en nog eens. Tijdens mijn uitgebreide middagwandeling, waarin de honden mij langs de Waal sleuren, laat ik mijn telefoon thuis zodat ik kan nadenken over mijn nieuw op te zetten verhaal. Al dagen denk ik echter níet na over mijn verhaal, maar probeer ik uit te pluizen waaróm ik nou toch de hele tijd aan die man denk. En wat dénk ik dan helemaal? Ik bedoel; hoevéél kun je over iemand denken? Het gaat ongeveer zo: hoe ziet hij er ook al weer uit? Oja, zo ongeveer. Zal hij nog iets laten horen? Even checken, Oh nee mijn telefoon ligt thuis. Godverdomme.

Het zijn bepaald geen verlichtende gedachtes. Misschien komt het door de griep. Maar waarom ben ik geen eigen baas over mijn hoofd? Dát wil ik wel eens weten. Ik ben goddomme een nieuw verhaal aan het schrijven! Er ligt werk zát klaar voor twéé bundels en komend jaar ga ik afstuderen! Er is méér te doen dan in cirkeltjes te denken over een man!

Ik mail mijn therapeut. De therapeut die ik anderhalf jaar geleden verliet (hoho als cliënt) omdat ik vond dat ik klaar was. Ik herinner me nog goed zijn geruststellende woorden; “als er ooit weer een man ten tonele verschijnt, dan kom je eerst even met mij praten.” Dat lijkt me nu een goed idee. Ik mail hem om een afspraak te maken. Ik ga ervan uit dat hij mij binnen afzienbare tijd weer tot mijn betrekkelijk normale toestand kan brengen en die gedachte alleen al stelt me gerust. Hij mailt me vrij snel terug, binnen kantoortijd zeg maar. Ik moet een “intake” doen waar een “bijzitter” bij aanwezig zal zijn, mijn “casus” zal dan besproken worden met het “team” waarnaar een “behandelplan” zal worden opgesteld.

Ik bedank.

Ik vraag die man gewoon mee uit. Het kan maar gebeurd zijn.

 

 

 

 

Bepaald geen Pussy Riot

Soms word ik tijdens het schrijven ineens gestopt door mijn verstand en ontstaat er een innerlijke monoloog die als gevolg heeft dat het schrijfsel slechts half af komt. Ik had het er van de week nog over met vrienden die kwamen eten. We namen in rap tempo alle belevenissen van het afgelopen half jaar door en spoelden die weg maar een aardig flesje wit. Ook deze blog kwam ter sprake. Grof van Koren doet toch een beetje vermoeden dat ik helemaal los ga, ongeremd schrijven over alles wat er op mijn pad komt. Dat is ook wat ik wil, maar soms word ik dus tijdens het schrijven ineens gestopt door mijn verstand.

Zo wilde ik een tijdje geleden een stukje schrijven over mijn ervaring met een grote uitgever. Ik had een verhaal ingezonden en werd naar aanleiding daarvan uitgenodigd om te komen praten. Het was leuk. Je zou kunnen zeggen dat er wederzijdse interesse was. Ik liet een grote stapel werk achter en vertrok huppelend. In het jaar daarop werkte ik het verhaal dat hij had gelezen en waarover hij enthousiast was geweest, uit tot een roman. De redacteur las mee, hield zich nooit aan zijn afspraken maar dan toch uiteindelijk wel en ik nam daar genoegen mee. Ik kreeg louter positieve feedback, hoewel nooit langer dan drie regels. Er was van zijn kant kennelijk geen ruimte om te investeren en ik was me daarvan bewust. Toen het boek af was ontving ik een afwijzing per email. Het boek was, ondanks mijn goede schrijfstijl niet opzienbarend genoeg. Ondanks mijn herhaalde verzoeken mijn werk te retourneren wat ik erg gemakkelijk maakte door een gefrankeerde doos naar de uitgeverij te zenden, kreeg ik mijn werk niet terug.

Ik had graag een stukje willen schrijven over hoe boos het me maakt dat een uitgeverij met zo min mogelijk tijdsinvestering probeert een nieuwe schrijver binnen te hengelen. Vooral gebaseerd op het feit dat de potentiele schrijver al lang blij is als ie door een uitgeverij serieus wordt genomen. Dus kan hij zich ook permitteren niet op e-mails te reageren, afspraken te laten verlopen, feedback te geven in een enkele regel en vervolgens je werk af te wijzen (een nieuw boek is welkom, veel succes!) Het mag natuurlijk, maar het is niet netjes. Het overschrijdt de grenzen van respectvol met elkaar omgaan. Althans dat vind ik. Maar goed, toen ik er een stukje over ging schrijven, stagneerde ik dus halverwege. Ik vroeg me af welke boodschap ik zou sturen naar een mogelijke nieuwe uitgever. Zou iedere uitgever nu denken; laten we vooral nooit met Heidi Koren gaan samenwerken want die is zo fucking veeleisend? Ja en hoewel ik dat eigenlijk een compliment vind, is het stukje er evengoed niet gekomen. Verdomme voor mij dus. Bepaald geen Pussy Riot mentaliteit Heidi Koren.

Nu overkomt mij vandaag een soortgelijke toestand waar ik niet helemaal uitkom. Gisteravond was ik op de bekendmaking van de nieuwe stadstekenaar van Nijmegen. Elske Berndes won. Ik houd van Elske en van haar werk en was dus blij voor haar. Een fijne opdracht lijkt me, maar tijdrovend en doorgaans zitten er maar weinig levende kunstenaars iedere avond aan de bubbeltjeswijn van al die royalty’s. Dus ik vroeg de wethouder van cultuur, naast wie ik toevalligerwijs bleek te staan, of Elske hier nou es even lekker voor zou worden betaald. Toen de wethouder antwoordde dat Elske toch gewoon een baan had, zakte mijn broek af. Thuis besloot ik er een stukje over te schrijven, maar het was laat, mijn vingers waren vergeten waar alle toetsen zaten en dus bleef ik steken in een korte uiting van frustratie op Facebook. Toegegeven; totaal schrijversonwaardig.

Vanmorgen werd ik wakker van een bliepje op mijn telefoon. Het kwam van een van de organisatoren van het fenomeen Stadstekenaar Nijmegen. Ze verzocht me het stukje van Facebook te verwijderen omdat het verkeerde informatie bevatte en omdat het het mooie nieuwe initiatief een negatieve klank gaf. Dat vond ik zelf ook vervelend en fijn vond ik het te horen dat de nieuwe stadstekenaar wel degelijk betaald werd voor haar werk. Maar moest ik mijn stukje van Facebook halen of moest de wethouder eigenlijk verzocht worden om zich iets beter te verdiepen in zijn materie, juiste informatie te verspreiden en leren dat de baan van de kunstenaar dus nu juist het maken van kunst is? Dat laatste dus vind ik. Ik zou daar een stukje over willen schrijven. Over wat ik ervan vind dat een wethouder cultuur in zijn portefeuille heeft maar de mening heeft dat de kunstenaar een baan moet hebben en zijn kunst maar in zijn eigen tijd moet maken. Maar ja, ik stagneer. Wat als de gemeente Nijmegen straks denkt; die Heidi Koren die moeten we maar nooit meer een opdracht geven want die doet zo moeilijk? En dus doe ik het maar niet. Verdomme voor mij dus. Bepaald geen Pussy Riot mentaliteit Heidi Koren.

 

 

Alles hat ein Ende (nur ein Wurst hat zwei)

Mijn vader zei het vroeger al met enige regelmaat. Als ik bijvoorbeeld weer eens liep te sippen over mijn boek dat uit was of de vakantie voorbij, maar het hielp niets. Ieder einde doet me pijn.

Ik kan me nog goed herinneren dat ik voor het eerst op het woord nostalgie stuitte. Ik moet een jaar of veertien zijn geweest. Nostalgie: een romantisch heimwee naar vroeger, zo noemde van Dale destijds mijn van-muziek-doordrongen-tranendalen waarbij ik mistroostig uit het raam hing en stiekem peukjes in de regenpijp wierp, en ik was blij te ontdekken dat mijn ziekte een naam had. Ik leed aan een behoorlijke ernstige vorm van continue nostalgie; een pijnlijke en vrijwel voortdurende kwaal vol worsteling met iedere vorm van afscheid nemen die zich uit in pijnlijk hartezeer máár met geen enkel risico op vroegtijdig sterven. Dat laatste is natuurlijk geruststellend.

Vandaag is de laatste dag van mijn vakantie. Ik mis mijn poëzievriendjes van de Poëziebus en ik mís de Poëziebus. Ik mis de tijd dat ik nog naar de Poëziebus moest gaan en ik mis de tijd dat ik nog nooit van de Poëziebus had gehoord. Ik mis mijn vakantie. Ik mis Berlijn en ik mis dat ik nog nooit in Berlijn was geweest. Ik mis Oost Duitsland en ik mis dat Oost Duitsland nog in het verschiet lag, geschreven in mijn agenda waar ik soms in vooruit blader om te zien wat me nog allemaal te wachten staat, maar wat er nog niet is. Ik houd van dingen in het verschiet meer dan van de dingen in een fotoalbum, van de laatste moet ik huilen.

De tijd gaat me te snel. Het is een gedachte die me rond diezelfde levensfase voor het eerst overviel. Voor mij gaat de tijd te snel. Ik heb voortdurend pauzetijd nodig, tijd waarin ik de wereld in pauzestand kan drukken zodat ik mijn hoofd om al dat is gebeurd kan krijgen. Het is niet dat ik niet wil dat mijn kinderen groot worden en het huis uit gaan, geloof me; ik wíl dat ze groot worden en het huis uitgaan en ik moet er niet aan denken dat ze opnieuw klein worden. Ik houd van ontwikkeling, spring van het ene avontuur in het volgende wat alleen maar kan betekenen dat ik volledig opensta voor verandering. Ik voel dus niet de behoefte om de boel te bevriezen. Maar toch, nostalgie voortdurende nostalgie, romantisch heimwee naar al dat is geweest, dat me is ontglipt, wie ik ben verloren, of wat ik heb gedaan, afgerond en ingekopt en de verdomde wetenschap dat wat is geweest, is geweest.

Morgen weer een dag. Ik heb er zin in.

1-2-3-4-5-6-7-8-9-10

Zondagmorgen. Normaal gesproken maak ik een vroege wandeling met de honden en drink koffie in de tuin, komen de kinderen met slaperige hoofden pas naar beneden als ik mijn tweede kop allang leeg heb. Vanmorgen at ik met weet-ik-veel-hoeveel-dichters in een jeugdherberg. Er werd gevoetbald op het plein, terwijl ik met wat zielige yoga-oefeningen mijn lijf enigszins soepel probeerde te krijgen.

Vandaag is Antwerpen. Met een beetje mazzel is het mooi weer, loopt de stad uit om naar ons te luisteren. In de bus wordt gezocht naar een gezamenlijk moment om de tour te kunnen afsluiten. We hebben de mogelijkheid nog een nachtje te blijven, maar de meesten willen zo snel mogelijk terug naar huis. Het is gedaan. Tien dagen weg zijn van je liefdes is lang. Tien dagen met een groep dichters en een fantastische crew op pad zijn, was fantastisch. We hebben naar elkaar geluisterd en voor elkaar gejuicht. Ik werd meer dan eens recht in mijn hart geraakt door schoonheid. We hebben gelachen, gedronken, gedeeld. We hebben gedanst, geleerd, omarmd. We zijn gegroeid. We gaan naar huis, maar nemen elkaar mee. Laat ik even voor mijzelf spreken. Ik neem een ieder van jullie mee, in mijn hart of in mijn hoofd.

Lieve mensen. Lieve, lieve mensen, dánk voor een grandioze tour! Leve de Poëziebus!

In het missen zit is en ik ben nog steeds onderweg Beweeg voortdurend van jou af en buig weer terug Buig af en beweeg weer terug Alleen intern houd ik

Koers zetten de woorden als opstijgend luchtverkeer en ik sla handen voor mijn oren en prop oordoppen zo diep mogelijk in mijn gehoorgangen en hoor door alle geruis heen slechts het kloppen van mijn

Hard gaan we van nul naar honderd op de snelweg Ik groei zo snel dat ik rekening houd met het feit dat mijn botten eerdaags uit mijn vel zullen steken en ik houd doekjes bij de hand voor het bloeden

Op het oor van mijn kopje landt een woord met vier vleugels Voorzichtige lijnen geven aan dat alles breekbaar is Ik probeer te lezen, probeer het leven te lezen en raak woordblind de weg kwijt in recensies en besprekingen van mensen die zijn vergeten hoe oud wij zijn

In het missen zit is en ik ben nog steeds onderweg.

Dag acht – De laatste dagen

Gisteravond waren we in de schouwburg van St. Niklaas. Ik herinner me het stadje met de gouden Sinterklaas bovenop de kerk, als het stadje waar we vroeger mayonaise en chocolade gingen kopen. Vele herinneringen heb ik aan mijn familie in Zeeland; oom, tante en vier neven. Omdat de afstand Twente- Zeeland zo groot was, gingen we weekenden logeren in hun grote, vrijstaande huis met enorme tuin. Eindeloos spelen in die tuin, de kippen voeren en risken met zijn allen op de grote zolder. Pianospelen zonder dat ik dat kon en alle commentaar daarop negeren. Van de zware eikenhouten trapleuning glijden en het gekrijs van moeder in de gang aan je laars lappen. Ik leerde er mosselen eten; elf handen die graaiden naar de schelpen in de grote zwarte pan in het midden op de tafel. De verrukking van dat samenzijn kan ik zonder moeite weer oproepen bij de gedachte. Op zaterdagmorgen mocht ik met moeder en tante mee boodschappen doen in België, waar alles goedkoper was en zonder e-nummers.

Met geen van deze mensen heb ik nog contact. Oma werd gedurende mijn jeugd het middelpunt van diverse familievetes, of misschien moet ik zeggen dat zij zichzelf het middelpunt máákte van diverse familievetes. Waarmee ze uiteindelijk heeft bereikt dat mijn moeder en ik de enigen waren die aan haar sterfbed zaten. Daar zijn gedichten uit ontstaan, of misschien zelfs de hele bundel, omdat de confrontatie met de dood, die vriendelijk aan de andere kant van de kamerdeur heeft staan wachten tot zij er klaar voor was hem te ontvangen, mijn kijk op het leven voorgoed veranderde.

Aan het einde van ons programma in de schouwburg gisteravond, kregen wij een danige berisping van de deken die namens de gemeente in het publiek zat. We waren té experimenteel, té ruw, té luid geweest. Het kan natuurlijk nooit de bedoeling van een optredend artiest zijn, om zijn publiek van zich af te duwen. Integendeel, optreden gaat over verbinden. Het is voor mij het fijnste moment als ik op het podium merk, dat ik de aandacht van mijn publiek heb gevangen en een geda(i)chte kan overbrengen.

Ik wil iets toevoegen, dat geldt ongetwijfeld voor een ieder van ons. Het commentaar van de deken nemen wij ter harte maar niet zonder ons te realiseren dat dit minstens evenveel zegt over haar en over haar verwachtingen als over onszelf.

Vanmiddag gaan we naar een zorgcentrum waar we de bewoners in hun laatste dagen, liefdevol onze poëzie zullen voeren. Misschien nog iets meegeven, waarschijnlijk veel ontvangen, in ieder geval verbínden. Maar nooit vergeten dat zij ooit ons waren en dat wij alleen maar kunnen hopen dat wij ooit hen zullen zijn.

Lijden

Gisteren bracht het grote groene monster ons naar een prachtig stadspark in hartje Brussel. Het terras was flink gevuld, een mooi podium stond klaar. Iedereen dronk champagne. Niet direct het meest voor de hand liggende aangezicht voor een dieptepunt, zou je zeggen. Maar al snel werd duidelijk dat het publiek niet zat te wachten op al dat geblaat door de speakers. Dames trokken hun gepoederde neusjes op bij het horen van onze vuile woorden. Zelfs wijzelf luisterden aan het einde van de avond niet meer.

Aansluitend bracht Bassie ons naar een industrieterrein aan de stadsrand, daar waar vliegtuigen over razen en de wereld uit plastic en metaal lijkt te zijn opgebouwd, waar we incheckten in het Budget Hotel. Ik was stiekem toch al gewend geraakt aan comfort, constateerde ik vanmorgen toen ik mijzelf tussen de bouwvakkers door naar het ontbijt probeerde te worstelen. Bouwvakkers die aan het werk waren welteverstaan, niet van die gezellige die met buik, vrouw en kinderen aan de ontbijttafel zitten te genieten van hun ochtendkoffie. De dag is grijs, ik vraag me af hoe het thuis gaat en probeer me voor te stellen hoe alles en iedereen erbij zit. De zoon op half zeven, gelukkig en omringd door vrienden in een smerig huis, de dochter bij haar vader op de bank voor de beamer, de hondjes bij oma in de tuin, mijn tuin verdroogd en eenzaam.

Vandaag is een grauwe dag. Het leven van een toerende dichter gaat niet alleen maar over rozen, dat u dat weet. Het is niet alleen maar succes en applaus en champagne, gillend publiek, galmende aankondigingen, vier-gangen diners met bijpassend wijnarrangement en schoudermassages door de optredens door. Dat u dat weet. Het is ook lijden natuurlijk. Ach wat is er al niet over lijden gezegd door de kunstenaar?

Dag 6 – De ware aard

In het dagelijks leven doen we bewust of onbewust ons best onszelf van onze beste kant te laten zien. Of althans van de kant die we willen laten zien. De beste kant voor onszelf, kan ook de slechtste zijn. Als je langere tijd met een ander zit opgesloten, ontkom je er niet meer aan dat de kanten, die je in het dagelijks leven angstvallig probeert te verbergen, zich door alle harnassen heen naar buiten wurmen. Zo piepte gisteren tijdens de repetitie mijn dwingende, chagrijnige, dominante kant ineens naar voren. In de avond mijn boze ‘houd-je-bek-een-beetje-kant’. Hoe veiliger de sfeer in een groep, hoe makkelijker het wordt al je kanten de wereld in te sturen. Ik voel me veilig. Ik kan er zijn.

Voor een ieder werkt het verschillend. Iedereen bepaald zijn eigen tempo in het uit zijn of haar schulpje komen, ervan uitgaande dat iedereen in stáát is uit zijn schulpje te komen. Dat laatste valt te betwijfelen. Sommigen doen er een levenlang over. Alles begint bij willen. Ik ken het verschil tussen in- en uit je schulpje zijn en kan alleen maar zeggen dat ik, nu ik eruit ben, pas weet, dat ik er ooit in heb gezeten. Hard en diep. Eruit is fijn.

Hoe dan ook, ieder bepaalt zijn tempo daar kun je niets in veranderen. Wel kun je mensen uitnodigen te zijn wie ze werkelijk zijn. Wie ze helemáál zijn. Uitnodigen ook de minder fraaie kanten te laten zien, de kwetsbare kanten, de angstige, de zoekende, de vragende. Voor sommigen betekent dat dat ze hun bek eens even moeten houden en een ander de ruimte moeten geven zodat ze kunnen léren. Voor anderen geldt dat ze hun bek eens moeten opentrekken, op wat voor manier dan ook. Voor ons allen geldt dat we alleen leren door de gebaande paden te verlaten. De enige op de hele wereld met wie je nooit het contact zou moeten willen verliezen, ben jij zelf. Durf je dáár dichtbij, dan kan alles er zijn.

Staal

We hebben Zwolle verlaten na een heerlijk uitgebreid ontbijt en een korte nacht. Voor vertrek rolde ik in de tuin voor het Mercure Hotel mijn yogamatje nog even uit voor een reeks zonnegroetjes. Gegroet zon, waar je ook bent.

Gisteren waren we te gast bij kunstenaar Ronald Westerhuis, de man van staal. In hartje Zwolle heeft hij zijn eigen speeltuin gecreëerd; aardige loodsen, flinke buitenplaats, volop ruimte om vrij te kunnen werken en dat doet hij ook. Van staal maakt hij prachtige werken die een serene rust uitstralen. Kalmte, weerspiegeling, reflectie, warme kou. Ik moet er nog woorden aan geven, dat volgt.

Onze Poëziebusbaas had in de middag koppels van ons gemaakt. Samenwerken met iemand uit de groep die niet al je trouwe mattie was gebleken maar iemand nieuw. De zon scheen, het was de warmste dag van de week. Ik droeg een jurk boven mijn laarsjes en voelde hoe mijn huid de hele dag lurkte aan de vitamine D.

Samen gingen we iets maken. Oud werk bij nieuw werk. Herschrijven, invoegen, uitsnijden, weglaten, bijkrabbelen. Vervolgens waren er tien hele minuten beschikbaar per setje dichters, om met de band te oefenen. Dat moest voldoende zijn voor een optreden voor de avond. En dat was het ook! Het werd een feest van grenzen verleggen, barrières doorbreken, veiligheid verbranden in het grote vuur en dansen! Man, wat hebben we gedanst. Ik kreeg bezoek van het liefste meisje dat ik ken. Ze is bijna dertien en deed ’s middags samen met haar nichtje mee met de kinderpoëzie workshop ‘woordbreien’. Het eindresultaat lieten ze tijdens het avondprogramma horen, geen schroom, geen angsten, gewoon hup die microfoon in handen en ten overstaan van een aardig dichtend publiek hun eigen gedicht ten gehore brengen. Als iedereen zo vol overgave zou kunnen doen wat hij wil doen en het zo vol liefde en trots kan brengen met niets anders dan de wil om zichzelf te délen, zou de wereld een mooiere plek zijn.

Het avondprogramma liet haar eindgrens zonder tegensputteren opschorten. Dansen bij het vuur op de parkeerplaats. De schroom achter je laten en de microfoon nemen wanneer je iets hebt toe te voegen en je welkom voelen, meer was er niet nodig vannacht. Het enige nadeel aan ons bezoek aan Zwolle kan zijn dat we het hoogtepunt op dag vier al hebben bereikt.

We zullen zien, wwwwweeeeee zúllen zien.