Beste Burgemeester,

Sinds jaren wandel ik dagelijks aan de Waal, regelmatig over het eiland. Ik hoef geen enkele Nijmegenaar uit te leggen wat een bijzondere omgeving we rondom het stadscentrum hebben.

Ik wandel daar met mijn honden, die ik los laat. Dat mag niet. Ik ben mij daarvan bewust en doe het toch. Ik zie mijn honden als twee levende wezens die er niet slechts zijn om mij te plezieren. Als levend wezen hebben zij, mijns inziens, evenveel recht op bewegingsruimte en plezier als ik dat heb. Ik probeer ze die te geven op plekken waar ze anderen niet tot last zijn. Helaas zijn er geen grote losloopgebieden in mijn leefomgeving, slechts kleine veldjes of korte paadje waar de hond officieel los mag. Ik kan het daar niet mee eens zijn. De boete voor het niet aanlijnen van een hond buiten die aangewezen plekken bedraagt € 120,-. Met twee honden kost het mij € 240,- als ik word gepakt. Dat risico neem ik dus. Gelukkig wordt er niet heel fanatiek gehandhaafd.

Tijdens mijn wandeling neem ik regelmatig een vuilniszak mee. Terwijl de honden langs het water struinen (toegegeven: zo nu en dan een konijntje verorberen) vul ik de zak met zwerfafval. De zak laat ik achter bij de eerst volgende vuilnisbak die ik tegen kom. Ik vind het niet erg om te doen. Het geeft mij een goed gevoel over mijzelf en ik werk mij liever op die manier in het zweet dan dat ik een uur naar een sportschool zou gaan. Bovendien geniet ik zo veel van de natuur dat het als een eerlijke ruil voelt er zo nu en dan iets voor te kunnen terugdoen. Win win dus.

Soms is die beleving anders, vooral in de zomermaanden. Dan ben ik bij langen na niet meer de enige op de Waalstranden. Hordes mensen maken gebruik van de fantastische plek. Veelal jongeren. Dat is prachtig lijkt me, helemaal na de benauwde coronamaanden. Laat die jongeren in vredesnaam buiten zijn, met elkaar. Beetje lol maken, stiekem drinken en roken voor mijn part. Het lijkt mij een bijzonder gezonde fase in hun ontwikkeling.

Ik sta regelmatig even naar ze te kijken, die jongeren, met hun zwembroeken op half zeven, hun luide stemmen, hun gierende lachen, hun muziek dat uit de kleine boxjes knalt, hun picknicks; barbecues, petflessen cola en blikjes bier. Er zijn er die tasjes meenemen om aan het einde van de dag (of nacht) hun rotzooi op te ruimen. Er zijn er die het laten liggen. Er zijn er die het in het wilde wegsmijten, in de bosjes, in het water. Soms vraag ik ze het op te ruimen, dan zeggen ze altijd keurig: ja mevrouw.

Ik heb bijzonder groot vertrouwen in de nieuwe generatie. Ik zie jongeren die zich hard maken voor hun idealen op het journaal. Ik zie jongeren die zich durven uitspreken. Jongeren die op zoek gaan naar nieuwe mogelijkheden, nieuwe ontdekkingen doen, nieuwe studies starten. Er zijn bewegingen voor een leefbare wereld, circulaire economie, duurzaamheid die draaien op jongeren. Dat is fantastisch. Het is overbodig uit te leggen waarom het van groot belang is. Met de meeste jongeren is niets mis geloof ik. Daarnaast geloof ik sowieso dat als een kind onwenselijk gedrag laat zien, we eerst moeten kijken naar de generatie vóór die van het kind. Wat heeft díe achtergelaten, meegegeven, nagelaten?

Deze generatie groeit op met plastic. Waar ik vroeger een boterhamtrommeltje en een drinkbeker meekreeg voor een picknick (en waag het niet hem kwijt te raken!!) fietst deze generatie op de weg naar het strand even langs de Appie voor een wegwerpbarbecue, voorverpakte kippenvleugeltjes en twee flessen cola. Dat is aan ons, de vorige generatie.

Wat ze doen met hun afval aan het einde van hun plezier is hen te leren op verschillende manieren. De Stichting Nederland Schoon voerde een onderzoek uit om de redenen te achterhalen waarom jongeren zwerfafval veroorzaken dat zeer de moeite waard is te lezen. Ik raad het u aan. U vindt het hier:

kenniswijzerzwerfval

Ik kom juist terug van mijn ochtend wandeling. Ik deed er vijf kwartier over het strand rondom de Zaligebrug schoon te krijgen Tijdens die totale workout vroeg ik mij de hele tijd af of ik er goed aan deed. Uit het onderzoek blijkt immers dat de jongere er zelf last van moet hebben om hem te laten inzien dat zijn gedrag moet en kan veranderen. Als ik, of iemand anders, de hele tijd het strand opruimt, en daarmee zorgt dat hij de volgende dag weer op een schoon strand kan zitten, ervaart hij dat niet en dus neemt de urgentie om zijn gedrag te veranderen in elk geval niet tóe, zou je kunnen concluderen. Maar ik maak mij zorgen om de wind die het afval van het strand afblaast en in het water, in de bosjes, over het eiland, waardoor het helemaal nooit meer opgeruimd gaat worden maar bijdraagt aan de plastic vuilnisbelt die onze wereld dreigt te worden. En dus ruim ik op. Met mij zijn velen. Ik zie dagelijks mensen ruimen, ouders met kinderen ook, grootouders, soms ook jongeren. Een goed punt om even aan te merken dat ik er absoluut van overtuigd ben dat het gros het belang inziet en een bijdrage levert.

Om ervoor te zorgen dat de vervuiler zelf last heeft van het vuilnis, het belang van het meewerken aan een schone leefomgeving gaat inzien en bereid is zijn gedrag aan te passen, moeten hem dus laten voelen dat het ook hem (of haar) aangaat. Dit doen we natuurlijk wel, in onze opvoeding, in ons onderwijs, in ons politiek- en cultureel programma. Maar voor sommigen is het dus kennelijk nog onvoldoende en dáár wil ik u vragen iets te doen. Nee, nóg meer te doen.

Tja, handhaving dus, met het risico dat ikzelf bekeurd ga worden voor het laten loslopen van mijn honden. Maar toch, handhaving alstublieft. Twee keer daags iemand laten rondlopen die ze aanspreekt en bekeurt. Alstublieft géén geldboetes, maar op straffe van opruimen. Met een uur opruimen kunnen ze meer goedmaken dan ze hebben veroorzaakt en ik kan het weten.

Dank u wel en een fijne zomer gewenst,

Heidi Koren

Kleur de openbare ruimte

Ik word wakker om half vijf. De regen klettert luid op het dak van de veranda. Het komt met bakken uit de lucht. Frisse wind door het open raam. Ik luister terwijl ik kijk naar het gordijn dat zacht op en neer wiegt.

Er zitten veel mensen in mijn hoofd die allemaal nog niet snappen dat de droom is afgelopen. Er wordt nog een beetje om aandacht gestreden. Om beurten zie ik ze voorbij komen. Het zijn mensen uit mijn leven: een leerling, een vriendin, een collega, een bekende, een vriendin van vroeger (hoe zou het met haar zijn?) een jongen die ik begeleidde, een vriendin van mijn dochter. Nog nooit heb ik deze groep mensen bij elkaar gedacht. Nog nooit heb ik een verband tussen de een en de ander gelegd en nu verschijnen ze allemaal samen in één droom. Dat verband is er dus wel, alleen heb ik het eerder nooit bewust geregistreerd. Kennelijk was ik er wel van op de hoogte. Wie anders dan ikzelf regisseert immers mijn dromen?

De mensen hebben weinig met elkaar gemeen, behalve dan dat ene en zelfs dat eigenlijk niet.

Ik voel mij tamelijk bevoorrecht met mensen in mijn leven uit allerlei verschillende rangen en standen, in allerlei verschillende kleuren, met verschillende achtergronden. Ik bedoel niet alleen wat betreft kleur, maar ook wat betreft opleiding, financiële status en leeftijd. Wat we over het algemeen gemeen hebben is precies dat, het verschil, maar ook de opvatting om ruimte te maken voor een ieder in je leven en de ander met open vizier tegemoet te treden.

Het is niet dat ik mij graag omring met diverse mensen. Het is dat ik mij graag omring met ménsen en dat die in allerlei vormen en maten en kleuren op mijn pad komen. Het zou me meer moeite kosten een selectie te maken.

Gisteren fietste ik naar de supermarkt, toen ik de hoek om kwam, botste ik bijna tegen een zwarte man. Ik dacht het letterlijk, ik dacht: een zwarte man. Vóór de opstanden van de afgelopen weken zou ik nooit hebben gedacht: een zwarte man. Ik zou hebben gedacht: hé mooie man, of: nou zeg, kijk es uit. Of: kijk niet zo sacherijnig, of: mooie schouders, of: leuke schoenen. Of wat dan ook. Nu denk ik: een zwarte man. En meteen daarachteraan: keek ik wel goed?

Nooit heb ik gedacht dat ik mij schuldig maakte aan rascisme. Als ik mijzelf betrap op een vooroordeel, jegens wíe dan ook, probeer ik dat zo snel mogelijk recht te zetten. Maar nu moet ik onderkennen dat ik ook nooit zo heb ingezien dat rascisme voor sommigen van ons een vaste plaats in hun leven heeft. Nooit heb ik ingezien dat we gezamelijk de verantwoordelijk hebben daar een einde aan te maken. En nu pas snap ik het: ik word niet aangesproken op dat wat ik fout doe. Ik word aangesproken op het stilzwijgend tolereren wat anderen fout doen, of in het verleden hebben gedaan!

Vanmorgen hoorde ik een discussie op de radio waarin werd beweerd dat het omver trekken van standbeelden en het veranderen van straatnamen te ver afwijkt van de discussie. Ik zat hoofdschuddend in de auto. Nee dat is het niet. Als we onze samenleving willen omarmen moeten we ervoor zorgen dat onze samenleving ruimte heeft voor iedereen die daar deel van uitmaakt. En die ruimte, dat ís de openbare ruimte, in fysieke, digitale, letterlijk en figuurlijke vorm.

Bij mij in de straat hangen sinds een aantal weken bordjes die de weg wijzen naar de Take- Away-Febo. Of de eigenaar daar toestemming voor heeft gevraagd of niet, is mij niet duidelijk. Ik erger me er evengoed al weken aan. Hoezo mag de openbare ruimte bevuild worden met reclame (1) voor ongezond, onverantwoord geproduceerd voedsel (2)?? Ineens vonden we daar een oplossing op, mijn dochter en ik. Het leverde een wijze les op, een fijne middag, een goed gevoel, en alvast twee mooie borden.

Ik wil een ieder met open vizier tegemoet treden. Ik wil niet denken: die is zwart, die is wit. Ik wil denken: hé een mens! Ik wil mij niet onzeker voelen of ik mensen tekort doe of beschadig doordat ik in mijn onnozelheid een verkeerde term gebruik. Ik wil dat wij allen gelijk zijn en daarvoor is dit gevecht dus nodig. Ik begrijp dat nu pas. Sorry dat ik zo laat ben.

Wie we zijn als niemand kijkt

Voor zolang ik mij herinner, bekijk ik de wereld op twee verschillende manieren. Ten eerste kijk ik (uiteraard) vanuit mijzelf naar de wereld. Op die manier neem ik waar wat ik tegenkom en wat ikzelf veroorzaak/ teweegbreng. Ten tweede kijk ik vanuit mijzelf náár mijzelf. Ik probeer mijzelf te zien zoals de ander mij ziet. Op die manier constateer ik de multi-interpretabele zelf die ik ben.

Authenticiteit: echtheid, oorspronkelijkheid (Kramers)

Authenticiteit: de benoeming van iets dat oorspronkelijk en echt is. Als iets authentiek is, dan is het geloofwaardig. (Ensie)

Authentiek: gelijk aan het origineel, echt en daardoor betrouwbaar (Van Dale)

Ik ben ook jij (een kleine anekdote)

Ik woon in de buurt van de Waal met haar prachtige Uiterwaarden. Ik fiets graag over de dijk. De weg is niet heel breed en als ik met mijn hond naast mij fiets, neem ik een derde van de weg in beslag. Op een dag fiets ik daar en word nauw ingehaald door een auto. Auto’s mógen op de dijk rijden. Deze auto reed waarschijnlijk niet sneller dan de maximaal toegestane snelheid: 50 km/h. De harde muziek uit de auto overstemt het vogelgekwetter, het getrippel van de pootjes van de hond, het ontspannen rateltje van mijn fiets.

Achter het stuur zit een vrouw met een petje. Ze heeft haar strakke blik op het asfalt gericht. Ik denk niet dat ze geeft om de natuur, niet dat ze ziet hoe mooi het hier is. Waarschijnlijk gooit ze straks ook nog een blikje uit het raam.

En:

Ik heb in de tuin gewerkt en ben de tijd vergeten. Ook ben ik vergeten dat ik een afspraak heb in de stad. Ik ontdek het als ik nog een half uur heb om er te komen. Snel was ik mijn handen, werp een blik in de spiegel en speer naar de auto. Ik neem de route over de dijk om de file op de brug te voorkomen. Het is druk met fietsers, ze fietsen breeduit met twee of drie naast elkaar, ik moet er zigzaggend langs. Het irriteert me, maar met een beetje opletten en gassen lukt het.

In 2018 trok ik voor drie maanden in een boshuisje om mijn roman af te maken. Ik had mijn baan opgezegd en geen verdere verplichtingen buiten de deur, geen buren. Het eerste waar ik mee ophield was in de spiegel kijken. Waar ik ook mee ophield was het aanschouwen van mijzelf vanuit het perspectief van de ander, er wás immers geen ander. Als ik opstond, vaak voor dag en dauw omdat het verrekte koud was, gooide ik twee blokken hout op het smeulende vuurtje, schoot een joggingbroek en een trui aan, stapte in mijn winterlaarzen en liep met mijn hond aan mijn zijde het bos in. Meestal vond ik weinig reden die outfit bij terugkomst om te ruilen en dus liep ik hele dagen rond in de joggingbroek. Ik werd me er pas gewaar van als iemand liet weten langs te komen. Dán vroeg ik me af: kan dit?

In de weken dat ik in de boshut woonde, was ik met name de oervrouw die ik ook ben. Ik heb haar twee maal ten volle uit geleefd en dat was tijdens mijn beide bevallingen. Verder is zij een natuurlijk onderdeel van wie ik ben. De oervrouw die in mij huist, laat regelmatig harde scheten zonder zich te verontschuldigen, vindt het belang van zeep overgewaardeerd, zingt luid en vals, houdt ervan in de weer te zijn met grof gereedschap, hout, vuur en kookt pittige eenpansmaaltijden die eenvoudig in een kom op schoot kunnen worden opgegeten. Kortom: ze heeft bijzonder weinig behoefte aan verfijning.

Interessant was te merken dat wanneer ik een foto maakte van mijzelf om de rest van de wereld te laten zien hoe mijn avontuur in het bos verliep, ik in een handomdraai van de oervrouw een achteloos sexy versie wist te maken. Dat was het moment dat ik mijzelf weer door de ogen van de ander aanschouwde en ik toonde mijzelf feilloos als de vrouw die ik ook ben.

Ik ben niet een van hen beide. Ik ben niet de ene meer dan de ander, maar beiden. De conclusie zou kunnen zijn dat we ons aanpassen in gezelschap van anderen en dus weggaan van onze eigen authenticiteit. Ook zou je kunnen concluderen dat we in ontmoeting met de ander ándere kanten van onszelf laten aanspreken end e ruimte geven. Dat is interessant, en logischer ook; hoe immers zou je iemand kunnen zijn die je niet zelf bent? Ons leven is een lijntje zonder gum, alles doet mee, ook de foutjes, de omhalen, de uitschieters. Het staat erop.

We zijn zo veel dan dat wat we laten zien en van onszelf kennen. Maar de ander dus ook!

Vanaf volgende week woensdag ligt mijn nieuwe bundel in de boekwinkels. Wie dit leest is gek is hier alvast te bestellen. Als je een gesigneerd exemplaar wilt, kun je dat aangeven of een moment reserveren op vrijdag 5 juni of zaterdag 6 juni. Dan zit ik klaar om je kwebbelen en krabbelen bij Boekhandel Dekker van de Vegt.

Les 1. Zorg altijd voor een gestructureerd dagritme

Ok dus het gaat op het moment dus ongeveer als volgt: ik sta op om acht uur nadat de wekker is gegaan. De afgelopen twee nachten sliep ik wonderbaarlijk goed en dat kan niet anders dan komen door het nieuwe kussen dat ik kocht bij de IKEA en dat exact doet wat het mij heeft beloofd, namelijk zorgen dat mijn nek- en schouderklachten als sneeuw voor de zon verdwijnen. Joechei.

Ik roep mijn dochter en trek de gordijnen op haar kamer open. Afhankelijk van mijn humeur kruip ik of nog even bij haar in bed of wandel ik door naar de woonkamer waar ik op de grond ga liggen om Lucy te knuffelen, als zij tenminste niet bij mij in bed heeft geslapen. Daarna zet ik koffie en kijk het journaal. Eerst NOS, dan RTL 4. Dan schenk ik bij en snijd een dikke plak ontbijtkoek af die ik besmeur met roomboter (niet te kinderachtig) en kijk nog naar BBC News en CNN.

Ik trek iets makkelijks aan, kijk niet in de spiegel en lijn Lucy aan om naar de nevengeul te fietsen waar we zonder al te veel omhaal in duiken. Dat verheldert de zaak onmiddellijk. Ik zwem. Kop onder water. Kop boven water. Zwem. Heen en weer. Het water is koud en heerlijk en tijdens het terugzwemmen bedenk ik me wat ik ga doen met de dag die voor me ligt. Langzaamaan begin ik haast te krijgen. Het is al half tien en ik heb nog niets nuttigs gedaan! Ik moet aan het werk! Dus kleed ik me snel aan, fluit naar Lucy die natuurlijk onmiddellijk komt en fiets naar huis. Meer koffie en laptop aan.

Ik beantwoord mailtjes, maak afspraken met mensen van wie ik tijdens het zwemmen heb bedacht dat we samen kunnen gaan werken, schrijf plannen uit, tik een opzet voor een blogje, check www.culturele-vacatures.nl, kijk in mijn agenda, constateer dat er niets urgents te doen is en besluit te gaan lunchen.

Ik moet een nieuwe blogreeks opstarten en die verkopen aan de krant (maar die stond al vol). Ik moet een nieuwe serie lessen gaan schrijven en die aanbieden aan de mensheid (maar ik geef al les bij de Schrijversacademie). Ik kan vast beginnen aan een nieuwe roman (maar dat gaat niet met mijn meisje de hele tijd om me heen). Ik kan de nieuwe bundel vast gaan promoten (maar wie verdient er nou werkelijk geld met een bundel). Ik moet scholen gaan benaderen om nieuwe poëzielessen in te kopen (maar zij hebben nu toch wel wat ander aan hun kop) Ik moet scholen gaan benaderen voor de training Creatief Denken die ik zo tof in elkaar heb gezet (maar zij hebben nu toch wel wat anders aan hun kop). Ik moet contact opnemen met de TOZO-dame om erachter te komen hoelang dát nog doorgaat, of ze niet een opleiding voor me kan betalen zodat ik me kan laten omscholen (bakker? mondkapjesnaaister? tuinkabouter?) Ik kan maar beter gaan wandelen.

We lopen langs de Waal. Het is prachtig weer. Lucy dartelt om mij heen. Links en rechts maak ik wat kiekjes van het water, de lucht, dode- en levende dieren. Ik schrijf er een tekstje bij. Het blijkt een gedicht te zijn. Ik sla het op. Dan trek ik mijn kleren uit en duik er nog maar eens in. Als ik thuis kom, ga ik mijn meisje helpen met school. Haar kamer moet nog opgeruimd worden. We willen de eettafel en het muurtje in de woonkamer eigenlijk al maanden schilderen. We houden van Monopoly, van Scrabble, van films en van elkaar. Ik weet niet hoe het verder gaat maar ook zonder dat te weten gaat het verder.

Maar niet immuun voor liefde – 12.

Niemandsland | Het zeilmeisje, de kapitein, de stuurman en de zieke kok

Een stralende zongebruinde snoet en een bos blonde krullen. De 19-jarige zeilster Marloes lag met de 36 meter lange Twister voor anker aan de kust van de Britse Maagdeneilanden toen Trump de grenzen dichtgooide. Twintig gasten gingen van boord. Het was de bedoeling dat ze op Sint Maarten dertien nieuwe zouden oppikken maar die blazen om beurten de plannen af.

Marloes weet al vanaf haar veertiende dat het leven voor alles in elk geval zeilend geleefd moet worden. Tijdens haar middelbare schooltijd zorgt ze ervoor dat ze iedere vakantie aan boord kan om zo veel mogelijk zeildagen te maken. Zodra ze haar diploma op zak heeft, besluit ze voltijds de zeeën te bevaren. Inmiddels vaart ze al twee jaar de wereld rond. Ze maakt verschillende reizen op verschillende zeilschepen, met verschillende bemanningsleden. Het motto is: zo veel mogelijk dagen op zee. Dat is van belang om haar papieren te halen. Op een dag zal ze zelf aan het roer staan, zoveel is wel duidelijk.

De meeste gasten proberen zo snel als mogelijk hun thuisland te bereiken na het Lockdown nieuws. Ook het personeel vliegt zo snel mogelijk terug naar huis voor het niet meer kan. Matroos Marloes, de stuurman (tevens marinebioloog) en de kapitein zoeken op Sint Maarten naarstig naar nieuw personeel om de oversteek te kunnen maken en scharrelen uiteindelijk nog twee koks bij elkaar. Met de vier enige overgebleven gasten gaat het gezelschap de grote overtocht aan. Het is 21 maart 2020.

Het is een spannende beslissing. Wanneer een van hen besmet is met covid-19, zal het niet lang duren voor het gehele gezelschap onder zeil ligt. Wie blijft er dan nog over om deze te hijsen? Maar de stemming is positief. Het zal wel gaan. Toch?

Maar de kok begint al te kotsen voor ze zijn vertrokken. Te kotsen en te hoesten. Ze trekt lijkbleek weg. Het toilet wordt als quarantaineplek ingericht en de kok moet zich maar even redden terwijl de kapitein zijn bemanning bijeen roept. Van anderhalve meter afstand kan aan boord geen sprake zijn. De kok moet van boord en wel zo snel mogelijk. De rest van het gezelschap voelt zich nog prima. De kok begint te bonzen op de deur van de wc; geen paniek het gaat alweer!, maar als ze even later weer boven haar eigen pan soep staat, leegt ze nog net op tijd haar maag in de gootsteen. De kapitein heeft er genoeg van. Zij eraf en wel nu. Maar Marloes heeft een vermoeden. Ze heeft het wel vaker gezien bij gasten. De misselijkheid. Het witte wegtrekken. Niet alles is in eens keer corona alleen maar omdat de wereld het over niets anders heeft. Onze blonde matroos overtuigt de kapitein ervan haar en de zieke kok nog een keer van boord te laten gaan. Ze heeft een plannetje. Ze laat de kok rustig over land lopen. Ze laat haar goed eten. En? Ze trekt wonderwel bij. Zie je nou! Niks corona, gewoon zeeziek!

Dan kunnen ze écht vertrekken. Ken je die van dat meisje van 19, die twee koks, die kapitein, die stuurman en die vier gasten die de Atlantische Oceaan wilden oversteken in een zeilschip van 36 meter lang zonder contact met de buitenwereld toen nét de coronacrisis was uitgebroken? Nou ze gingen dus. Ze voeren dertig dagen lang non stop. Maakten zo nu en dan contact met de satelliet, maar alleen om de weersvoorspellingen te kunnen horen en fantaseerden over wat ze zouden aantreffen als ze eenmaal Europa hadden bereikt. Een Apocalyps? Niks aan de hand? Of iets ertussenin?

Marloes zette een programma op voor iedereen die zich wil heroriënteren, nieuwe input nodig heeft of wil ervaren hoe het is de wereldzeeën te bevaren. Lees hierover op https://twistersailing.com/

Wat we gemeen hebben, is het verschil

We leven in een maatschappij. Allemaal verschillende mensen bij elkaar. We verschillen in achtergrond, opvattingen, vermogen, kansen, leefomgeving, gezondheid en ga zo maar door. Er zijn er van ons geen twee hetzelfde te ontdekken.

We accepteren die verschillen, althans voor zover dat geen gedoe oplevert. Zodra het wel gedoe oplevert, gaan we rellen over wie er gelijk heeft. We gaan ons best doen de ander te overtuigen ván ons gelijk. We gaan de meerderheid erbij halen om ons gelijk te bevestigen. Maar wat als het eigenlijk gewoon niet bestaat dat gelijk?

We leven in een bizarre tijd en hebben te maken met geheel nieuwe situaties. Situaties die we proberen te handhaven om de leefbaarheid voor een zo groot mogelijke groep te behouden. We zorgen voor elkaar, tenminste dat lijkt de algehele trend te zijn. We willen dat ook graag kenbaar maken, dat we zorgen voor elkaar door binnen te blijven, afstand te houden, te klappen voor het zorgpersoneel. Mooi.

De meerderheid lijkt het ermee eens te zijn dat dat is hoe het werkt in een maatschappij: we zorgen voor elkaar, we leven de regels na. Ik hoor bij die meerderheid. Keurig he?

Het is logisch dat het niet meewerken aan het behoud van de samenleving consequenties met zich meebrengt. Waarschuwingen, bekeuringen, straf. Anders komt de veiligheid voor de meerderheid van de bevolking immers in het gedrag. Hoe die regels eruit zien, laten we bepalen door de regering, die we zelf kiezen. We noemen dat een democratie. Ik ben dolblij met die democratie. Het maakt dat ik mij gehoord voel. Dat ik voel dat ik ergens bij hoor en toch mijzelf mag zijn. Dat vind ik fijn.

Het lijkt zo eenvoudig: we kiezen samen een club mensen die van ons de leiding mag nemen. We beslissen samen hoe de regels eruit zien en wat er gebeurt als iemand zich er niet aan houdt. We betalen gezamenlijk aan de gemeenschappelijke behoeften; aan ons wegennet, het onderwijs, het besturingssysteem, de zorg etc. Iedereen mag daar gebruik van maken. Iédereen. Simpel. Daarmee voorkomen we dat we de rechter gaan uithangen op het moment dat het erom spant, dat we aan het ziekenhuisbed ineens moeten gaan zeggen; nee de oncoloog komt niet naar je longen kijken want je hebt je leven lang gerookt dus zoek het zelf maar uit. Daar doen we niet aan en dat is maar goed ook. Want wie denk je eigenlijk wel dat je bent te beslissen over wat goed is en wat niet?

Wie ben jij om te zeggen dat de roker zijn kans op zorg heeft verspeeld?  En als je dan denkt dat je daarover mag oordelen, hoe denk je dan over de zakenman met de 80 urige-werkweek?  Kan die ook niet terecht bij de hartbewaking? En wat als hij die 80 uur voor Amnesty heeft gewerkt? Ook dan niet? Fijn hè, dat je daarover niet hoeft te oordelen?

Of gaan we het nu tóch doen? Zullen we appjes gaan invoeren aan de hand waarvan we kunnen zien hoeveel mensen erbij elkaar zitten? Op grond daarvan ook nog bekeuren? We zouden daarmee de bewuste keuze maken om dat ongeacht omstandigheden te doen. Op het appje gaat immers niet zichtbaar zijn of er een plastic scherm tussen de apphouder en zijn bezoek zit, of de een de ander aan het trouwen, baren, reanimeren is. Ik overdrijf natuurlijk maar begrijp je het punt?

Geen zorg meer voor de mensen die zich niet aan de maatregelen houden, lees ik vanmorgen op social media. Weet je het zeker als je dat roept? Voel je je sterk genoeg om te oordelen wie er zich wel en wie er zich niet aan de maatregelen houdt? Of ze er voldoende reden voor hebben? Weet je zeker dat je diegene zijn wilt, die uitmaakt wat goed is en wat niet? Ik roep je op er nog eens over na te denken, nog eens en nog eens.

Ik vind ook wel eens iemand een klootzak. Een hufter, een asociale klootviool. Absoluut. Ik denk met enige regelmaat dat iemand het maar lekker zelf moet voelen. Ik heb al herhaaldelijk gedacht dat Trump corona mag krijgen van mij. Maar goddomme, wat ben ik blij dat ik het niet voor het zeggen heb en ik zal faliekant tegen stemmen als we nu gaan zeggen dat als hij het krijgt hij niet verzorgt mag worden! Zorg voor iedereen, ongeacht wat en snel een beetje.

Zolang het eenvoudig is, is het eenvoudig, dat is zo eenvoudig als wat. Maar meestal is het dat niet, en precies daar wordt het link.

Van de klootzak die de ambulancebroeder op zijn bek slaat, zich omdraait en in zijn draai zijn been breekt, zou je kunnen denken; wankel jij maar lekker zelf naar huis. Maar zo evident zullen de meeste gevallen niet zijn. We weten niet wie de klootzak is, wat hem tot klootzak heeft gemaakt, óf hij eigenlijk wel een klootzak is, wanneer iemand eigenlijk een klootzak is en wat de gevolgen zijn.

Het feit dat je denkt dat jij daarover mag oordelen geeft voor mij weer dat je zeker denkt te weten dat je het bij het rechte eind hebt, en precies dáár krijg ik nou de kriebels van. Weet het niet zeker! Twijfel. Denk na. Luister naar een andere mening, zie daar ook weer wat in! Want we weten het geen van allen zeker en dat lijkt me heel menselijk, daarin vinden we elkaar.

We verschillen in achtergrond, opvattingen, vermogen, kansen, leefomgeving van elkaar. Wat we met elkaar gemeen hebben, is het verschil.

Laten we dat respecteren, omarmen, koesteren en nooit, nooit, nooit denken dat de ene toch net iets meer gelijk heeft dan de ander, toch net iets meer recht, toch net iets meer recht om te leven. Nooit.

Maar niet immuun voor liefde – 11.

Australië | Alice helemaal alleen of toch niet.

Nadat ze thuis in Dublin haar wonden heeft gelikt en met hulp van ouders en vrienden herstelt van een brute aanvaring met een Hollandse man, besluit ze op reis te gaan. Alice is ervan overtuigd dat je lesjes moet trekken uit de dingen die je overkomen, dat het geen zin heeft lang te blijven hangen in negatieve situaties en dat het goed is jezelf aan te kijken, onder ogen te zien wat je zelf hebt gedaan om in een bepaalde situaties terecht te komen.

Vastbesloten te leren andere keuzes voor zichzelf te maken vloog ze half februari naar de westkust van Australië. Ze had een jaar voor zichzelf uitgetrokken om te reizen, te werken, nieuwe mensen te leren kennen en tot rust te komen. Ze wilde een nieuwe versie van zichzelf worden.

In Perth stuit ze op een advertentie van een gescheiden man die alleen in een groot huis in een welvarende buurt achterblijft na zijn scheiding. Hij verhuurt twee kamers en is van plan op korte termijn zelf voor werk naar Melbourne te vertrekken. Alice valt voor het idee een tijd in een rustige wijk te kunnen wonen, de ruimte te hebben met slechts een huisgenoot. Ze vindt een kantoorbaan en accepteert de kamer.

But the shit hits the fan. Covid-19 wordt ook op het eiland geconstateerd. De horeca sluit, sportcentra sluiten, alle publieke leven wordt stilgelegd. Alice is alleen in Australië en heeft nog geen kans gehad een sociaal leven op te bouwen. Ze besluit niet hals over kop terug naar Dublin te vertrekken maar te blijven. Het werk van haar huisbaas in Melbourne wordt geannuleerd wat maakt dat hij thuis moet blijven. Er wordt een co-ouderschap met zijn 2 kinderen opgestart. En zo woont Alice ineens met vier vreemden in een vreemd huis in een vreemd land.

Alice en ik hebben elkaar het afgelopen jaar vaker telefonisch gesproken. Ook hebben we elkaar geschreven, persoonlijke verhalen zijn van Dublin naar Nijmegen en teruggevlogen. We hebben elkaar nog nooit ontmoet.

We kijken elkaar nu aan door ons telefoonscherm. Alice is een prachtige vrouw. Met een zachte en indringend blik vertelt ze me hoe bijzonder het is met haar nieuwe huisgenoten. ‘Ik dacht dat ik alleen wilde zijn, zou nooit vrijwillig hebben gekozen met de nieuwe huisbaas in één huis te zitten, laat staan met zijn twee kinderen en nóg een huisgenoot. Maar we koken dagelijks voor elkaar, houden elkaar in de gaten, drinken ‘s avonds nog een glaasje op het terras.  It’s just wonderful!’

Ze heeft haar kantoorbaan nog behouden en werkt vanuit haar nieuwe kamer door. Over geld hoeft ze zich dus voorlopig geen zorgen te maken. Ze denkt erover haar verblijf in Australië met een jaar te verlengen zodat ze echt kan settelen en in haar vakanties haar uitstapjes kan gaan maken. Ze praat kalm en weloverwogen, in niets hoor ik meer de verscheurde en gedesillusioneerde jonge vrouw die ik een half jaar geleden aan de telefoon had.

Als we ophangen schiet de uitdrukking What doesn’t kill you makes you stronger door mijn hoofd, wat ik meestal een tamelijke kuluitspraak vind. Er zijn veel dingen die mij niet om hebben gelegd en me misschien sterker hebben gemaakt maar me ook hebben beschadigd. Sommige ervaringen of sommige mensen had ik mijzelf liever bespaard. Alice ook. Maar ze heeft het in haar voordeel gebruikt, weet wie ze niet wil zijn, in welke situatie ze niet meer wil zitten en in welke wel, en daar zit ze voorlopig prima. Good for her!

Maar niet immuun voor liefde – 10.

Curaçao | Een duiker, een renner, twee pubers en wat honden

Wij verloren elkaar al vrij snel na de eindmusical van de lagere school uit het oog, maar ik heb nog levendige herinneringen aan Manouk. Manouk met wie ik uit spelen ging, met wie ik gympje deed in de achtertuin, rauwe hazelnoten zocht in het bosje achter, verstoppertje in de wijk.

Ze vertrok naar Curaçao om daar als duikinstructeur aan de slag te gaan, viel head over heals voor de fietsenmaker en bouwde daar een bestaan op. Een bestaan waarin twee kinderen een plek kregen en de winkel werd uitgebouwd tot een goedlopende zaak. De foto’s die ik zo nu en dan op Facebook voorbij zag komen waren altijd in beweging: het gezin op de fiets, in het water, aan de wandel op het eiland. Een plaatje.

Op Curaçao werd op 13 maart de eerste coronabesmetting geconstateerd bij een toerist. Vanaf toen ging het snel. Scholen en restaurants werden gesloten. Toeristen moesten zo snel mogelijk het eiland verlaten. Eilanders gingen gedwongen twee weken in quarantaine nadat ze thuis kwamen. Alles om een uitbraak tegen te gaan. Curaçao telt 160.000 inwoners en één klein ziekenhuis met zeven officiële IC-bedden. Er zijn momenteel acht IC-plekken bijgemaakt.

Op zondag 29 maart werd een complete lockdown afgekondigd. 

Ze wíst wel dat het huis niet zo groot was, maar het was er nooit zo van gekomen daar iets aan te doen. Het was ook niet zo hard nodig want in zo’n zonnig klimaat, leef je veelal buiten. Daarnaast zijn het alle vier tamelijk beweeglijke types, dus thuis ben je om te slapen en te eten, maar buiten is het te doen.

Het gezin ontwaakt net als ik haar bel. Op de achtergrond een blauwe lucht, het is 29C. Voor hun gaat dag van thuis blijven in. De regels zijn helder: één persoon mag twee keer per week boodschappen doen. Aan de hand van de kentekens word je geregistreerd. Naast de boodschappen mag je je eigen huis of tuin niet verlaten, op straffe van FL. 400,- . De honden doen hun behoeftes in de tuin. De kinderen van resp. 11 en 12 jaar oud doen hun huiswerk achter de laptop, maar momenteel is het paasvakantie en dus hebben ze vrij. Manlief en zoon hebben een racebaan gebouwd zodat ze over hun eigen zwembadje kunnen knallen met het minifietsje. ‘Het bouwen van de baan was alweer een hele dag bezig zijn.’ Ze lacht erbij. Soms trekt ze iedereen achter het beeldscherm vandaan om een spelletje te doen en als het regent kunnen ze met z’n vieren een glijbaan maken van zeepsop op het terras. Zo bedenk je nog eens wat. Achter haar verschijnt haar dochter. Ze is zo oud als wij waren toen we voor het laatst achter elkaar aan holden door de wijk. Ik herken het lieve snoetje.

Je kunt elkaar wel liefhebben, leuk vinden, de mooiste van de wereld, maar opgesloten zitten haalt niet altijd het beste in ons naar boven. De apparaten van de kinderen zijn luid, de een vindt dat de ander te veel beweegt. De ander vindt dat de een zeurt. De laatste doet nooit eens mee aan een spelletje. De eerste denk alleen maar aan zichzelf. Die doet dit en dat doet die en godallemachtig wat irritant.

Soms ga ik vroeg naar bed met een boek, glimlacht ze, daar is airco en het is stil.

Manouk en Barry runnen een fietsenwinkel en organiseren bikeroadtrips. De hele zaak ligt momenteel plat. Mocht je eens naar Curacao gaan, dan weet je nu waar je wezen moet: http://www.dasiacuracao.com/web/

Maar niet immuun voor liefde – 9.

Frankrijk | Margit vliegt heen en weer tussen thuis en ziekenhuis

We waren zestien denk ik, toen we met de voorexamenklassen een week naar Parijs gingen. Op dag twee kwam Margit Jean Marc tegen. Terwijl wij ons stiekem in onze hotelkamers bezatten (er zijn foto’s van over elkaar heen hangende pubermeiden met gifgroene flessen drank en sigaretten gierend van de lach, die ik hier niet zal delen) sneakte zij de kamer uit om op de hoek van de straat met de knappe fransman af te spreken.

Ik ken niet veel van dit soort romantische verhalen die ook werkelijk dúren, maar zij hebben er een. Ze bleven bij elkaar tijdens het eindexamen, tijdens haar medicijnenstudie in Groningen en startten hun gezamenlijke leven in Zuid-Frankrijk. Margit werd spoedarts. Samen hebben ze drie kinderen. De laatste was een kadootje dat zich twee jaar geleden aandiende, tien jaar na de tweede. Het landgoed dat ze samen opbouwden, biedt volop ruimte om te leven en om gasten te ontvangen wat het eenvoudig maakt voor haar familie om Margit te bezoeken.

Haar ouders komen ieder jaar in mei, dit jaar hebben ze voor het eerst hun bezoek geannuleerd. Ze mist ze.

De afgelopen vier weken heeft ze om de dag een 24-uursdienst gedraaid als spoedarts in het plaatselijke ziekenhuis. Concreet betekent dat dat ze haar tijd verdeelt tussen helicoptervlucht, dienst in de tenten buiten het ziekenhuis die dienst doen als opvang en testplaats voor binnenkomende patiënten en de IC. ‘In de eerste week van het bestaan van die tenten kon 90% van de mensen nog naar huis gestuurd worden,’ vertelt ze, ‘omdat ze negatief werden getest of omdat de ziekte thuis goed onder controle te houden was. Inmiddels zijn we gedwongen 90% van de patiënten op te nemen, omdat ze zo ziek zijn.’

De scholen in Frankrijk zijn gesloten sinds 16 maart. Jean Marc zorgt thuis voor de kinderen als Margit werkt. Soms passen de oudste twee even op hun kleine broertje zodat Jean Marc wat onderhoud kan doen aan het huis, de gastenverblijven of de tuin.

Het zijn niet alleen de coronapatiënten die ze momenteel behandelt. ‘Er zijn ook junks die niet meer aan hun drugs kunnen komen en daardoor cold turkey moeten afkicken of in hun wanhoop noodtoestanden veroorzaken. ‘ Ze zucht erbij: ‘en natuurlijk de gevallen van huiselijk geweld.’ Dat het virus immense gevolgen heeft, hoeft niemand haar te vertellen. Ze zit er om de dag met haar neus bovenop, en op de dag dat ze thuis is probeert ze bij te blijven door zich te verdiepen in het wel en wee van andere ziekenhuizen. wat komen ze tegen? Wat is er fout gegaan? Hoe kan het beter? Het ziekenhuis waar ze werkt staat in nauw contact met andere ziekenhuizen in Frankrijk. Haar baas neemt dagelijks deel aan wereldwijde conferenties om op de hoogte te blijven. Zo kunnen ze soms sneller op nieuwe situaties anticiperen, leren van andermans fouten.

Binnenkort zal er een test beschikbaar zijn die kan aantonen of iemand antilichamen heeft gevormd waaruit geconcludeerd kan worden dat diegene covid-19 besmet is geweest en inmiddels dus immuun. De test is van belang. Eén van haar collega-artsen ligt al 10 dagen op de IC, vijf andere collega’s zijn ziek thuis. Er zijn er meerdere die niet meer naar huis gaan uit angst hun eigen gezin te infecteren. ‘Zonder hen kan ik niet werken,’ vertelt ze. Als ze na een 24-uurs dienst thuis komt, gaat ze via een achteringang naar binnen. In een extra badkamer, gooit ze haar kleren in de wasmachine en stapt ze in bad. Pas als ze helemaal schoon is, gaat ze door naar de woonkamer waar haar gezin op haar wacht. Om beurten mogen de kinderen bij mama op schoot.

Margit en Jean Marc verhuren hun prachtige gites aan gasten. Wellicht een idee voor wanneer er weer gereisd mag worden: http://www.mas-de-causse.com/mas-de-causse-gite-france-4-epis-nl/domein.html

Maar niet immuun voor liefde – 8.

Canada | Rebecca, Martin, moeder en de kinderen

Ik zag haar voor het laatst in Australië, toen zij daar woonde en ik bij haar crashte. Ik ging even aan de slag als schoonmaakster, reed van adres naar adres, poetste daar een ieders huis een week of drie lang tot ik weer voldoende geld had om de tank vol te gooien en door te reizen. ‘s Avonds zaten we in de tuin met goede wijn, de lage zon op onze kop. Brisbane.
Nu bellen we in via Facebook en lachen even verlegen naar elkaar. Ze is nauwelijks veranderd. Een mooi rond open gezicht, scherp getekende wenkbrauwen boven fonkelende ogen. We zijn beide twee kinderen en een stuk of wat relaties verder. Haar jongste komt op de achtergrond aanlopen, een kleine mini-zij, of ze even kan helpen met de iPad. Ze verontschuldigt zich, prutst wat aan het ding en belooft dan de kleine jongen straks te komen, eerst even chatten met Haidie.
Uit het raam laat ze me de tuin zien, die ongeveer even groot is als mijn wijk. Grote esdoorns, de grond bezaaid met goudbruin blad. Op de veranda staat een vuurkorf. Er slingeren slordig wat stoelen omheen.

Zij en haar man werken beide voor de overheid. Zij als Senior beleidsadviseur bij innovatie, wetenschap en economische ontwikkeling en hij bij het ruimteagentschap, de Canadese Nasa zeg maar. Twee jongens hollen rond in het huis, van vijf en tien jaar oud. Martin moest begin maart naar the UK voor zijn werk. Met argusogen volgde ze het nieuws. Of het wel door zou gaan? Of het wel door móest gaan? En toen hij eenmaal daar was Of hij wel thuis zou komen. Dat kwam hij maar met een snotneus en een gloeiend voorhoofd. In de tussentijd ging haar werk gewoon door, en was ze gepromoveerd tot thuisjuf voor haar twee jongens. Aanpoten dus. Niet ongewenst dat moeder op de stoep stond om te helpen.

Met moeder van achterin de zestig in huis moest Martin in quarantaine in eigen huis en dus werd de kelder in orde gemaakt zodat hij gebruik kon maken van een eigen keuken, een eigen badkamer. Ik ken Rebecca als een slimme, doortastende vrouw en zie zo voor me hoe ze de boel had georganiseerd. Een strakke planning op het whiteboard voor de kinderen, een geïmproviseerd appartement in de kelder voor haar man. Zelf aan het werk. Ze schatert als ik haar vertel dat ik ga schrijven over hoe ze haar man twee weken heeft opgesloten in de kelder, dat ik er misschien de krant wel mee haal. Gierend schudt ze haar hoofd. Hij mocht wel aan schuiven hoor bij het eten, zegt ze, alleen niets aanraken, en na het eten hup weer naar beneden.

Inmiddels zijn de twee weken voorbij. Iedereen is gezond. De kinderen spelen veel buiten met de buurkinderen. Ze snappen dat ze ten allen tijde twee hockeysticks afstand moeten houden van elkaar en daar is gelukkig volop ruimte voor.

but not immune to love – 8.

Canada | Rebecca, Martin, her mom and the kids

I last saw her in Australia when she lived there and I crashed with her. I went to work as a cleaning lady, drove from address to address, cleaned everyone’s house there for about three weeks until I had enough money again to fill up the tank and travel on. In the evening we sat in the garden with good wine, the low sun on our heads. Brisbane.

Now we call in via Facebook and shyly laugh with each other. She has hardly changed. A beautiful round open face, sharply drawn eyebrows above sparkling eyes. We are both two children and some relationships further on. Her youngest one comes running into the background, a little shy, asking if she can help with the iPad. She apologizes, tinkers a bit with the thing and then promises the little boy  she will come, but first a chat with Heidi.

Out the window she shows me the garden, which is about the same size as my neighborhood. Large Maple trees, the ground dotted with golden-brown leaves. On the porch is a fire firepit. Around it are some chairs.

She and her husband both work for the government. She’s a senior policy advisor on innovation, science and economic development and he’s with the space agency, Canada’s version of NASA, so to speak. Two boys are running around the house, five and nine years old. Martin had to go to the UK in early March for his work. She followed the news with suspicion. Whether the trip would continue? If it had to go through? And once he was there, whether he would make it back home. He returned with a mild scratchy throat.. In the meantime, her work continued and she was promoted to homeschooling teacher for her two boys. Feeling quite shut in. Fortunately her mother was there to help.

With her mother of sixty-seven years in the house Martin had to be quarantined in his own house, so the basement was cleaned up so he could use his own kitchen, his own bathroom. I know Rebecca as a smart, determined woman and see for myself how she had organised things. A tight schedule on the whiteboard for the children, an improvised apartment in the basement for her husband. Working on her own. She laughs when I tell her that I’m going to write about how she locked her husband in the basement for two weeks, that I might get into the newspaper with it. Laughing, she shakes her head. She says he was allowed to join the family for dinner, only not to touch anything, and after dinner he would go back downstairs.

Meanwhile the two weeks are now over. Everyone is healthy. The children play a lot outside with the children next door. They understand that they have to keep two hockey sticks away from each other at all times and fortunately there is plenty of room for that.

Translated with http://www.DeepL.com/Translator (free version)