Zwemmen

 

Het regent en het is koud. Ik draag een wollen muts boven mijn grijns. Het gaat me weer goed: de feestdagen zijn voorbij, de boshut ontruimd, mijn huis is warm en weer vertrouwd. Er staan nieuwe avonturen in mijn sterren, dat snapt iedereen, maar ik heb me voorgenomen het even rustig aan te doen.

Naast me loopt vriendin J. Zij draagt een wollen muts boven haar snotneusje. Het staat haar leuk. We stappen stevig door en doen net alsof we daarmee de regen ontwijken, maar mijn spijkerbroek plakt na tien minuten al aan mijn bovenbenen. We hadden ook thuis kunnen blijven maar ontwijken van vervelende situaties is niet onze sterkste kant.

Onze honden zijn kwijt. Dat is niets nieuws. Ze stormen enthousiast de Uiterwaarden in en komen alleen soms even laten zien hoeveel stront ze hebben gegeten (die van haar) of hoeveel konijnen ze op kunnen (die van mij) maar wij zijn niet erg onder de indruk vandaag. We hebben zo onze eigen shit. Nouja, ik vandaag dus niet, maar zij wel. Haar blik is bedenkelijk. Ik wacht even af wat er gaat komen en vul de tussenliggende stilte even met geklep over mijn goede voornemens.

J. en ik zijn in de basis een beetje hetzelfde: hoge pieken, diepe dalen, gaan voor de waarheid geen confrontatie uit de weg (vermoeiend), kunnen slecht onze bek houden (bijzonder onhandig), en kennen slechts moménten van tevredenheid voordat er zich weer iets nieuws aandient waar aan gekloven kan worden (waarom nou toch?).

Gelukkig kunnen we heel goed afwisselen. Als het haar slecht gaat, gaat het mij vaak goed. Als het mij slecht gaat, gaat het haar prima. Dat is handig. De één kan de ander dus meestal bij de lurven pakken, even door het slijk trekken, wat reflectiemomentjes naar de kop gooien, een paar goede adviezen afvuren, luisteren naar al dat gemekker en gejank en dan op een bepaald moment de mond snoeren en even vasthouden tot het allemaal weer gaat. In een wandeling van zo’n anderhalf uur, krijgen wij elkaar doorgaans weer aardig op de rit.

Als we heen en weer over het strand zijn gelopen en ik het regenwater tot tussen mijn billen voel kriebelen, kijkt ze me ineens een beetje verlegen aan.

Ik wil iets, zegt ze. En ik zoek iemand om het mee te doen. Ze laat een lange stilte vallen waarin ze over de grijze rivier staart. Ze gaat me iets ongemakkelijks vragen.

Ik wil het al heel lang, zegt ze. In mijn hoofd maak ik pijlsnel een lijstje van de dingen die ik van haar weet en die in aanmerking komen. Ik word er een beetje zenuwachtig van.

Ik wil een jaar lang iedere week in de Waal zwemmen, no matter wat. zegt ze. Op een vast tijdstip, op een vaste plek en zien wat we dan tegenkomen in onszelf en ik wil het met jou.

Goddomme, denk ik.

Ja knik ik.

Nieuwe avonturen in de sterren, je ontkomt er niet aan.

 

Commissierapport eindwerk Schrijversvakschool Amsterdam

Gisteren studeerde ik af aan de Schrijversvakschool Amsterdam met de roman ‘Hawaï 2000’. Onderstaand het commissierapport, waar ik de stukken die te veel verraden hoe het verhaal verder gaat, heb uitgeknipt, zodat men het boek ook gewoon nog wil lezen.

Therapeute Lin Bankers is overspannen en moet op doktersadvies vooral ‘even leuke dingen doen’. Het eerste wat ze kan bedenken is om met de erfenis van haar overleden moeder een nieuwe bank te kopen, de Hawaï 2000. Hij is veel te groot, past niet door de deur en daarom parkeert Lin hem maar zolang op haar veranda. Tegelijkertijd krijgt ze bericht van de vriendin van haar vader dat hij aan het dementeren is, en dat het nu eens tijd wordt voor de dochter om voor haar vader te zorgen. Lin heeft haar vader al heel lang niet gezien, en in korte flashbacks leren we waarom. 

Hawaï 2000 is een goed gecomponeerde kleine roman die al snel een eigen wereld vormt, een wereld die eigenlijk een beetje aandoet als wandelen in het bos met oordoppen in. Rustig van toon en vaart, aantrekkelijk ook in die rust (het is prettig een beetje mee te lopen met Lin), en tegelijkertijd voel je de beklemming, dat er een tunnel ontstaat waardoor een deel van de buitenwereld verdwijnt. Het geheel is goed opgebouwd met ‘vanzelfsprekende’ sprongen in de tijd, en de breuk in de chronologie wanneer Koren vertelt over de ziekte van Lins moeder is sterk – aanschouwelijk geschreven, maar wat betreft een van de commissieleden net iets te lang.

Wat geldt voor dit specifieke stuk, geldt voor de roman als geheel: nergens is het onderwerp te zwaar aangezet, waardoor het prettig leest. Korens stijl is nuchter en efficiënt, nergens wordt het dramatisch of larmoyant. Soms heeft Koren de neiging nog net te veel uit te leggen over Lins beweegredenen, terwijl die bijvoorbeeld al in een handeling zijn getoond – dat hoeft niet, dat kan de verbeelding van de lezer prima zelf aan.

Het is mooi hoe Koren de jeugdige Lin met haar vluchtgedrag – de drang om te zwemmen, met als opening de bijna magische zwemtocht in het meer – weet te verbinden met de latere Lin die vooral wordt gekenmerkt door een sterke overlevingsdrang. Heel positief is men over de bank die tot een waar personage wordt verheven. Verder wordt opgemerkt dat er soms te weinig contrast is tussen de zachte, wat betuttelende buitenwereld (collega’s die haar adviseren naar huis te gaan; de verkopers in de meubelzaak; de vriendelijke buurman) en Lin, die misschien hard is omdat ze geen verzorging toestaat, maar zacht is in het leven dat ze leidt – het wandelen door het bos, de wens naar binnen gekeerd te leven. Een van de commissieleden zou daarom meer van haar buitenwereld willen weten, bijvoorbeeld haar leven als psycholoog.

Concluderend: de commissie vindt Hawaï 2000 een sterk, heftig verhaal dat dwingend is geschreven in een heldere, directe stijl. Ontroerend, maar ook geestig vanwege de prettig-absurde situatie waarin Lin en haar vader zich bevinden, met levendige personages met wie je moeiteloos meeleeft en voor wie je uiteindelijk het beste hoopt. Een volwassen, kleine roman die doet uitzien naar Korens werk in de toekomst. Daarbij wil de begeleider nog persoonlijk manen daarbij meer rust en reflectie op het eigen werk in te bouwen: minder haast, beter kijken naar de zelf gecreëerde mogelijkheden van het verhaal en die onderzoeken. Het hoeft niet meteen morgen al de wereld in.

Nico Dros

Simon(e) van Saarloos

Jasper Henderson (begeleider)

 

Houd me vast

Ik lees een boek over hechtingsproblematiek omdat me na anderhalf jaar van heen en weer geslingerd worden tussen samen een huis kopen en elkaar nooit meer zien, tussen vier keer per dag bellen en vergeten worden, tussen je bent de liefste en ik haat je me wel duidelijk is dat minstens één van ons twee niet geheel in balans is als het gaat over de liefde, vertrouwen en in staat zijn tot hechting. Aangezien ik aan zijn deel van de deal niet kan werken, besloot ik mijn eigen aandeel eens onder de loep te nemen. Er wordt mij veel duidelijk.

De titel van het boek ‘Houd me vast’, is een vrij duidelijke boodschap . Het impliceert dat duidelijkheid de oplossing is voor het probleem en zo eenvoudig is het ook. Dus als je vastgehouden wilt worden, zeg je gewoon: houd me vast. Dan doet ie dat, word jij lekker warm, en kan iedereen weer verder. Een kind kan de was doen. Jammer alleen dat ik doorgaans niet direct in de gaten heb wannéér ik vastgehouden wil worden. Sterker nog, het houd-me-vast-gevoel, is bij mij een beetje in de war met het krijg-de-tering-gevoel. Het lijkt in elk geval bijzonder sterk op elkaar en dat helpt niet.

De mensheid kan verdeeld worden in drie categorieën. De eerste is de categorie die gewoon voelt wat ie werkelijk voelt en dat exact zo weet te formuleren. De tweede die voelt het tegenovergestelde van wat ie werkelijk voelt en weet dát exact zo te formuleren en de derde categorie vraagt zich verbaast af waar zijn gevoel nu toch ineens is gebleven en gaat vrolijk verder met zijn werk. De kunst is dus niet alleen om duidelijk uit te spreken wat je behoefte is maar eerder nog; om erachter te komen wat die behoeften nu werkelijk zijn. En zo kun je dus nogal eens tot de conclusie komen dat je door diegene die je zojuist de takketering hebt gewenst, eígenlijk vastgehouden wilt worden. Kom daar maar eens uit.

Ik ben de koude boshut ontvlucht en zit tijdelijk op een boerderij in Drenthe. Het is warm, gezellig en ik kan er ongelofelijk lekker doorwerken. Het leven is hier duidelijk. Vanmorgen werd ik wakker door de kat die tegen de deur aan krabde, ze zei: laat me eruit. Toen ik opstond en met mijn slaperige hoofd naar de badkamer wankelde, blokkeerde de hond de doorgang; hij zei: haal me aan. Zodra ik het licht aanknipte, begonnen buiten de paarden te hinniken; ze riepen: voer me.

Het is zonneklaar wat me te doen sta, en ik doe het. Ik laat uit, ik haal aan, ik voer, en ik doe alles met liefde. Ik krijg ook precies terug wat ik nodig heb. Een wandeling, een frisse wind door mijn hoofd, het geknisper van de sneeuw onder mijn laarzen, een warme staart van de poes, een lik van de hond en een paard die zijn hoofd in mijn nek legt en mij, ongevraagd zowaar, even vasthoudt.

Verbinding

Ik drink koffie in het achterste gedeelte van Stroom. Verderop links zit de chef te denken over een nieuw menuutje. Zo nu en dan kijkt ze verlekkert uit het raam. Rechts van mij zitten twee mannen met twee kleine kinderen. De meisjes zijn ongeveer even oud. Ze waggelen heen en weer, naar elkaar, van elkaar, naar de vaders, en naar de boekenkast naast mij. Het kleine blonde ding, twee staartjes op haar hoofd, houdt haar pas in als ze voor de kast staat. We voelen allebei dat ze dícht langs mij moet, om een boekje uit de kast te pakken. Ze twijfelt. Ik leun achterover in de kast en geef haar daarmee iets meer ruimte. Maar ik ben nog te dichtbij. Ze doet een stapje terug, kijkt van mij naar de boekenkast, besluit dan niet langs mij te willen, en loopt terug naar een van de mannen bij wie ze op schoot kruipt. Over zijn schouder loert ze naar mij. Ze lijkt een inschatting te maken van de route: kan ze op een andere manier langs mij om bij de boekjes te komen? Of ben ik wellicht gewoon veilig genoeg om langs te schuiven, aan te raken zelfs? Zal ik haar opeten? Ik glimlach op mijn zoetst naar haar. Ik wil haar het gevoel geven dat ze veilig is, maar ga niet voor haar aan de kant. Niet om flauw te doen, maar omdat ze het prima zelf kan inschatten.

Het weer overstemt mijn gemoedstoestand. Toen ik hierheen fietste was ik onrustig. Te veel aan mijn kop, te veel te doen voor de kerstdagen en te weinig vertrouwen in mijzelf. Soms loop ik ervan over, soms heb ik er ineens tekort aan. Vertrouwen.

Nu ik hier binnen zit, de warmte, de lekkere koffie de goede sfeer van een fijne plek om me heen, groeit mijn vertrouwen weer. Soms heb ik het nodig om even verbinding te maken met een andere sfeer, andere mensen waaraan ik mij lijk te kunnen opladen, zodat mijn vertrouwen weer groeit. Daar kun je dan wel op besparen, door jezelf door je werkdag heen te duwen, maar mijn ervaring is dat het vaak meer oplevert als je er even uit kunt stappen. Even een andere omgeving, een lekkere koffie, een fijne lunch en afstand van alles waar je in zit. De rest van mijn dag is dan vaak productiever dan wanneer ik mijzelf er doorheen had geduwd.

Het lijkt ook op te gaan voor het meisje. Ze legt haar hoofd even in de nek van haar papa en kijkt me aan met haar duim in haar mond. Dan ineens maakt ze zich los van de veilige schoot, staat op en stapt op mij af. Zonder dat ze afwacht of ik aan de kant ga of niet, beweegt ze voorzichtig langs mij heen om bij het onderste schap te kunnen. Ze pakt een boekje en kijkt me dan pas aan, grinnikt even en rent terug naar papa’s schoot.

 

 

 

Verzachten

De kou, de vochtigheid en de stilte van de boshut leken ineens erg goed aan te sluiten bij Bikram Yoga. Een yogavorm waar je je in absolute stilte en bij 39 graden C anderhalf uur lang in het totale zweet werkt. Afgelopen week ging ik drie keer.

Yoga gaat over contact maken met jezelf. Over: wel doorzetten maar in záchtheid. Over: goed zorgen voor jezelf en de wereld. Ik beoefen het al jaren, en hoewel het me veel heeft gebracht, blijf ik ook met regelmaat aanlopen tegen mijn natuur.

Mijn natuur is namelijk: mijn eigen broek ophouden, hard werken en niet zeuren. In de praktijk komt dit vaak neer op: hard werken en véél zeuren als het me niet oplevert wat ik had beoogd. Bijkans geef ik daar dan ook nog graag iemand anders de schuld van…

Lees verder op:

Literair Tijdschrift Extaze

Angst | week 9 in de boshut

Eerst waren er weken waarin de zon scheen en het warmer was dan logisch voor de tijd van het jaar en toen kwamen er weken dat het ineens omsloeg. Niet alleen het weer. De boodschap van de liefde aan de telefoon veranderde ook van; we gaan samen de wereld veroveren naar een zuchtende: we zien wel hoe het verder gaat.

Ik ging dit avontuur aan omdat het een goed idee leek om in stilte mijn boek af te maken, te werken aan de opzet van een nieuwe onderneming en een start te maken met een nieuw boek. Ik voelde mij door de liefde gesterkt. Nu weet ik ineens dat dat niet de enige reden was.

Lees verder op: www.extaze.nl

Lekker duidelijk

Vriend F. houdt van duidelijkheid. Als hij constateert dat ik niet duidelijk ben, vraagt hij net zo lang door tot ik dat wel ben. Dus zeg ik tegen hem dingen als: ik wil bij je komen eten. Kun je me even vasthouden? Haal je hand eens van mijn kont. We hebben nooit gedoe. Duidelijkheid schept een grote vorm van eerlijkheid, niet alleen naar de ander toe maar in eerste plaats naar jezelf. Je wordt immers gedwongen te bedenken en vervolgens te formuleren wat het is wat je wilt.

Ik vraag me bij hem nooit af of ik me niet te veel opdring, of hij daar wel op zit te wachten, of ik hem niet met rust moet laten, of hij er niet iets anders achter zal zoeken, want ik weet dat als dat het geval is, ik de eerste zal zijn die het hoort. Kortom van onzekerheid hoeft geen sprake te zijn.

 

In het bos voor het boshuis waar ik tijdelijk woon, zit geen wild. Ik merk het aan de manier waarop hond Lucy naast me loopt. Ze verveelt zich, blijft bij me in de buurt, pakt zelfs zo nu en dan een stok op en gooit die dan zelf weg zodat ze erachteraan kan rennen. Als er wild zou zitten, al was het maar een klein haasje, zou ze daar geen tijd voor hebben. Dan zou ze met haar neus tegen de bosgrond aangedrukt het hele bos door zoeven. Nu heeft ze tijd voor andere zaken. Andere honden bijvoorbeeld. Haar eigen soort gunt ze anders geen blik waardig. Ik denk omdat ze ze niet op kan eten. Nu speelt ze.

Als een andere hond mijn kant op komt, gaat ze eerst tussen mij en de andere hond in staan. Hij mag zeker niet bij mij in de buurt komen. Ze beschermt me. Dat vind ik fijn. Ik ken mensen die daar minder moeite voor zouden doen, daarom waardeer ik haar zo. Als de andere hond begrepen heeft dat ie uit mijn buurt moet blijven, gaan ze aan elkaar snuffelen. Er wordt niet erg moeilijk gedaan over snuffelen. Niet zo’n beetje voorzichtig dichter bij elkaar in de buurt komen en stiekem inhaleren als de ander het niet ziet. Nee hoor. Gewoon de kont naar de ander toedraaien, staart omhoog en snuffelen maar. Als ze elkaar leuk vinden gaan ze spelen, beetje ravotten. Ze sparen elkaar niet. Bijten elkaar in de kop, springen op elkaar, rijden op en neer. Net zolang totdat duidelijk is wie de baas is en wie niet. Dan geeft een van beiden zich over, gewoon hopsakee op de rug en de benen wijd. Dan mag de baas doen wat ie wil; nog meer snuffelen bijvoorbeeld. Het komt doorgaans niet tot harde seks. Daar gaat het kennelijk niet om.

Ik sta iedere keer met interesse naar dit spel te kijken. Het is zo lekker duidelijk.

De honden laten elkaar op de meest eenvoudige wijze weten wat ze willen. En zolang er geen afleiding in de buurt is, gaat dit redelijk harmonisch: Ga liggen, ik wil erop. Blijf weg van de baas anders bijt ik je dood. Beide partijen reageren primair op wat de ander aangeeft. Niemand vult iets in of aan, of bedenkt er iets bij, of houdt zich in of achter of god weet wat er allemaal nog kan spelen.

Als ik het bos uitwandel, struikelen mijn gedachten over elkaar als ik me probeer voor te stellen wat het zou betekenen als ik hetzelfde zou doen. Ik ga dat eens uitproberen. Ik beloof niemand dood te bijten.

Vertrouwen

Met vriendin J. ben ik bij Wende. Wende schreeuwt. Wende zingt. Wende ís. De nood is hoog. Mijn hart scheurt een beetje open bij de vaatjes.

Als ik naar huis fiets door het donker probeer ik zonder handen. Het lukt nog. Bij de boshut gooi ik mijn fiets in de struiken en ga even op een stronk zitten wensen dat er per ongeluk een pakje sigaretten in mijn zak is gevallen, maar dat is niet het geval. Melancholisch, dronken en verdrietig zijn, werkt nóg beter als je erbij rookt, dat is nu eenmaal zo. Maar zonder lukt ‘t ook. Ik ben melancholisch over het leven in het algemeen maar in het bijzonder over de kunst en over de liefde. Van beiden vind ik dat het to-taal noodzakelijk dient te zijn. Op het moment op de stronk vind ik het allemaal ook nog eens íntens van belang. Ik zet daar hele bomen over op zo met mijzelf in het donkere bos. Ik snáp het ook allemaal erg goed ja.

Als ik de volgende dag wakker word, is daar nog maar een klein beetje van over. Mijn fiets is kwijt. Ik heb hoofdpijn, de douche gaat niet aan en er staan me vijf hele uren lesgeven te wachten. Ook blijk ik de liefde weer eens een bijzonder noodzakelijk appje te hebben gestuurd, waar hij niet erg geamuseerd op reageert. Hij vraagt of de bomen een beetje naar mijn kop zijn gestegen. Daar reageer ik maar beter even niet op, want ja dat zijn ze ja. Ze doen dat regelmatig tegenwoordig. De bomen en de zuurstof maar in dit geval is het toch meer de schuld van Wende met haar noodzakelijke boodschappen. Soms weet ik gewoon niet hóe het allemaal in mij moet passen; dat hele gedoe dat leven heet en dan loop ik dus over.

Als je overloopt, zoals ik dat met enige regelmaat doe, zijn er maar twee dingen die helpen: het eerste is een overloopvat. Daar kun je zelf voor zorgen mits je er op tijd aan denkt. Een overloopvat kan zijn: het schrijven van een goed gedicht, een bíjzonder goed gesprek voeren (de meeste gesprekken voldoen dus niet) een half uur keihard dansen, geweldig de liefde bedrijven (met iemand die je waanzinnig lief hebt en die jou dat ook heeft en dat ook kan laten zien, anders werkt’ t dus niet) Dat zijn de belangrijksten. De rest helpt niet écht.

Het tweede is vertrouwen. Het vertrouwen dat je over mág lopen en dat er dan niets ergs gebeurt; dat je niet stikt of verdwaalt, dat niemand je afdankt of in de steek laat, dát vertrouwen zorgt er doorgaans vreemd genoeg voor dat je niet overloopt. Je loopt dus niet over als je weet dat je over mág lopen. Dan hoeft het overlopen niet meer. Ik loop nog steeds zo nu en dan over.

De dag na het overlopen geef ik mezelf daar eerst eens even flink over op de kop, als niet iemand anders me voor is, of nadat iemand anders me voor is geweest. Zo ook dit keer. Daar moet ik dan ook weer over huilen. Wat een gedoe is het weer met mij. Eerst overlopen en dan weer dweilen en dan weer overlopen omdat je weer staat te dweilen. Houdt het dan nooit op? Nee natuurlijk, bedenk ik me ineens, het houdt niet op, niet vanzelf.

Ik ben uitgedweild. De koppijn is allang verdwenen. Mijn fiets is weer thuis gekomen.

Ik heb mijzelf al van een wekelijks-terugkerende-tsunami tot een af-en-toe-buiten-haar-oevers-tredend-riviertje weten te brengen. Hoe knap is dat? Dat laatste restje mag gewoon blijven. Dat is nu eenmaal zo. Ik noem dat vertrouwen.

He gatver, ga ik nu dan nooit meer overlopen?

Niets

Na de presentatie van een avondvullend programma word ik benaderd door een woordvoerder van een non-profit organisatie. Hij geeft me zijn visitekaartje samen met lovende woorden over mijn optreden. Vervolgens vraagt hij me of ik een van hun feestjes wil presenteren. Het zal een acht-uur-durend programma zijn met verschillende optredens. Ik voel de bui al hangen maar zeg erop terug te komen.

Na wat heen en weer gemail over de invulling van het programma vraagt hij me naar mijn kosten. De formulering van deze vraag doet me al huiveren, maar ik doe of mijn neus bloedt en stuur een zakelijke offerte. Daarna blijft het stil.

Een paar dagen later krijg ik een mailtje waarin hij uitweidt over het feit dat hij werkt voor een non-profitorganisatie en dat het door mij geoffreerde bedrag helaas niet kan worden gehonoreerd. Hij had meer gedacht aan een onkostenvergoeding van € 100,-  Ik bedank voor de eer. Een korte speurtocht op Google leert mij al snel de salarissen van menig werknemer bij deze non-profitorganisatie kennen. Kennelijk is er wel geld voor sommige functies en geen geld voor andere. De logica ontgaat mij.

Het is niet de eerste keer dat mij, zonder enige terughoudendheid, word gevraagd mijn werk voor niets te doen. Kun jij niet ff een stukje schrijven? Heb je niet nog een passend gedicht op de plank liggen? Maak jij daar ff een leuk blogje van? En dan heb ik het niet over mijn vrienden, mensen die ik ook zonder schroom vraag om de auto even te lenen, mijn kinderen even op te vangen of mij te helpen mijn schuurtje af te breken.

Niet alleen bevreemdt het me dat mijn werk door velen kennelijk wordt beschouwd als iets wat ik zo maar even uit mijn mouw schud, ook verbaas ik me over de brutaliteit van de vraag. Ik zie mij al binnenlopen bij de buurtsuper, mijn mandje volladen en vriendelijk bedanken bij de uitgang. Of nee, tóch even vragen wat de kósten zijn geweest zodat ik kan overwegen om die te vergoeden.

Zou de nette wijze niet zijn dat je bij aanvang al aangeeft dat je graag van iemands diensten gebruik zou willen maken maar niet kunt betalen? Waardoor je de vraag of iemand iets voor niets wil doen, volledig bij de ander neerlegt? En zou het dan, voor de volledigheid, niet netjes zijn om van te voren de afweging te maken of je niet kúnt of niet wílt betalen voor de dienst? Meestal is het namelijk een keuze. Mij is wel eens gezegd; we kunnen er niet voor betalen want we hebben al zo veel dure sprekers ingehuurd. Ik bleef verbluft achter; wat maakte nou in gódsnaam dat ze die dure sprekers allemaal klakkeloos inhuurden en dachten mij voor een boekenbon de boel aan elkaar te kunnen laten praten? Vreemd hè, als je erover nadenkt.

Sinds 1 oktober ben ik volledig zelfstandig. Ik werk al jaren als zzp-er maar nu heb ik ook mijn kleine baantje bij de boekwinkel aan de wilgen gehangen. Ik ga mijn geld verdienen met schrijven. Schrijven, schrijven, schrijven en alles wat daarmee verband houdt. Schrijven over schrijven. Maar ook praten over schrijven, of praten met schrijvers (op 4 november interview in Jan van Mersbergen in Dekker vd Vegt) en anderen leren schrijven (ik geef les op basis- en middelbare scholen en op de Unit Academie). Ik doe dat graag en veel en goed. En ik vraag daar geld voor.

 

Zondag

Het is zondag. Vriendin J. belt me om te vragen of ze langs kan komen in de middag. Ze heeft zin in een herfstbokje in mijn nieuwe bostuin. Nee, zeg ik, het kan niet, ik moet schrijven. Even later krijg ik een appje van vriendin H. die er ook even tussenuit wil. Sorry antwoord ik, ik moet schrijven.

Ik nestel me in de middagzon aan de buitentafel. Twee laptops open en de papieren versie van mijn boek voor me uitgespreid. Zo kan ik het commentaar van mijn redacteur verwerken, meelezen, overzicht houden en tegelijkertijd doorwerken. Heel handig. Maar de batterij van de ene laptop blijkt leeg en de ander defect en dus moet ik naar binnen om een verlengsnoer te zoeken. Die heb ik niet. In de boshut staan alleen hoogst noodzakelijke spullen. Een verlengsnoer had daar prima bij kunnen horen, maar daar dacht ik een paar weken geleden kennelijk anders over.

Als ik terug kom in de tuin ligt de papieren versie verspreid over alle achthondervijftig vierkante meters bos die ik hier heb. Een paar drijven er in de modderpoel die ooit een vijver was, dat zal dat klotehoofdstuk dan wel zijn. Als ik alle pagina’s weer heb verzameld en besluit de boel naar binnen te verhuizen, breekt de zon door. Ze doet zo hard haar best dat ik niet anders kan dan mijn kop er even inhouden, in dat licht. Ik schuif er een bankje bij. Ik moet ook even nadenken over dat klote hoofdstuk en dat kan immers het beste met mijn snoet in de zon. Ik ga zo wel beginnen.

Juist als ik op wil staan om me aan de keukentafel te nestelen voor een tweede start van mijn werkdag, komt een kabaal mijn tuinpad op. Het blijkt R. te zijn die naast zijn twee kleuters ook een buitenkachel mee mijn grondgebied op sleurt. Ik heb iets voor je, roept hij al van ver. De jongens hangen sneller omstekop in de grote kastanjeboom dan ik kak kan zeggen.

Gaan we de tamme tukkels poffen? Roept de oudste van achteruit de tuin. Hij kijkt me met grote ogen aan, de krullen springen enthousiast mee op zijn koppie. In zijn knuistjes glimmende kastanjes. Ik ben daar niet tegen bestand. R. ook niet. Hij heeft de fik al in de kachel.

Mijn dochter ontwaakt uit haar 4g-bubbel en komt ook naar buiten. Er wordt gespeeld. Ik besluit het boek te sluiten. Het is ook zondag. Wie werkt er nou op zondag? Beter haal ik twee herfstbokjes uit de koelkast. Je hebt ze immers niet voor niets koud staan.

Moeder van de kleuters heeft geroken waar haar man en kroost uithangen en fietst het tuinpad op, een fles rode wijn onder haar oksel en vriendin T. in haar kielzog. We dachten al dat ze hier zouden zijn, gillen ze uitgelaten. Ze komen van een feestje, dan weet je het wel. Ze schuiven de bank uit de voortuin bij en maken een rondje om het vuur. We hebben allemaal een plekje. Mijn dochter houdt de kleuters in het gareel, de herfstbok gaat rond. We trekken er een zak chips bij open. Wie wil er ook schrijven op zo’n dag als vandaag? Zullen we pizza’s laten komen, roept er een. Jaaa, gillen de kleuters in koor. Pizza, met silamo. Juist als H. de bestelling opneemt, stopt er nog een auto. Vriend P. komt aanlopen. We zouden even brainstormen vandaag over een filmpje, dat wordt nu niks meer. Hij lust wel pizza, geeft zijn bestelling door en gaat zitten. Er moet nog een bank bij. Met een beetje zoeken vinden we er nog een. Als we er straks doorzakken, kan ie altijd nog op het vuur.

De pizzakoerier komt tegelijk met vriendin J. het pad oplopen. Jezus, zeg ze als ze het buitenfeestje aanschouwt, en ik mocht niet komen? Ik haal mijn schouders op en probeer het gezicht te vinden dat hoort bij: ik kan er niks aan doen, het overkomt me allemaal.

Ze snapt het, trekt de rode wijn open, gaat op mijn plek zitten en neemt het grootste stuk pizza uit de doos.