Vertrouwen

Met vriendin J. ben ik bij Wende. Wende schreeuwt. Wende zingt. Wende ís. De nood is hoog. Mijn hart scheurt een beetje open bij de vaatjes.

Als ik naar huis fiets door het donker probeer ik zonder handen. Het lukt nog. Bij de boshut gooi ik mijn fiets in de struiken en ga even op een stronk zitten wensen dat er per ongeluk een pakje sigaretten in mijn zak is gevallen, maar dat is niet het geval. Melancholisch, dronken en verdrietig zijn, werkt nóg beter als je erbij rookt, dat is nu eenmaal zo. Maar zonder lukt ‘t ook. Ik ben melancholisch over het leven in het algemeen maar in het bijzonder over de kunst en over de liefde. Van beiden vind ik dat het to-taal noodzakelijk dient te zijn. Op het moment op de stronk vind ik het allemaal ook nog eens íntens van belang. Ik zet daar hele bomen over op zo met mijzelf in het donkere bos. Ik snáp het ook allemaal erg goed ja.

Als ik de volgende dag wakker word, is daar nog maar een klein beetje van over. Mijn fiets is kwijt. Ik heb hoofdpijn, de douche gaat niet aan en er staan me vijf hele uren lesgeven te wachten. Ook blijk ik de liefde weer eens een bijzonder noodzakelijk appje te hebben gestuurd, waar hij niet erg geamuseerd op reageert. Hij vraagt of de bomen een beetje naar mijn kop zijn gestegen. Daar reageer ik maar beter even niet op, want ja dat zijn ze ja. Ze doen dat regelmatig tegenwoordig. De bomen en de zuurstof maar in dit geval is het toch meer de schuld van Wende met haar noodzakelijke boodschappen. Soms weet ik gewoon niet hóe het allemaal in mij moet passen; dat hele gedoe dat leven heet en dan loop ik dus over.

Als je overloopt, zoals ik dat met enige regelmaat doe, zijn er maar twee dingen die helpen: het eerste is een overloopvat. Daar kun je zelf voor zorgen mits je er op tijd aan denkt. Een overloopvat kan zijn: het schrijven van een goed gedicht, een bíjzonder goed gesprek voeren (de meeste gesprekken voldoen dus niet) een half uur keihard dansen, geweldig de liefde bedrijven (met iemand die je waanzinnig lief hebt en die jou dat ook heeft en dat ook kan laten zien, anders werkt’ t dus niet) Dat zijn de belangrijksten. De rest helpt niet écht.

Het tweede is vertrouwen. Het vertrouwen dat je over mág lopen en dat er dan niets ergs gebeurt; dat je niet stikt of verdwaalt, dat niemand je afdankt of in de steek laat, dát vertrouwen zorgt er doorgaans vreemd genoeg voor dat je niet overloopt. Je loopt dus niet over als je weet dat je over mág lopen. Dan hoeft het overlopen niet meer. Ik loop nog steeds zo nu en dan over.

De dag na het overlopen geef ik mezelf daar eerst eens even flink over op de kop, als niet iemand anders me voor is, of nadat iemand anders me voor is geweest. Zo ook dit keer. Daar moet ik dan ook weer over huilen. Wat een gedoe is het weer met mij. Eerst overlopen en dan weer dweilen en dan weer overlopen omdat je weer staat te dweilen. Houdt het dan nooit op? Nee natuurlijk, bedenk ik me ineens, het houdt niet op, niet vanzelf.

Ik ben uitgedweild. De koppijn is allang verdwenen. Mijn fiets is weer thuis gekomen.

Ik heb mijzelf al van een wekelijks-terugkerende-tsunami tot een af-en-toe-buiten-haar-oevers-tredend-riviertje weten te brengen. Hoe knap is dat? Dat laatste restje mag gewoon blijven. Dat is nu eenmaal zo. Ik noem dat vertrouwen.

He gatver, ga ik nu dan nooit meer overlopen?

Niets

Na de presentatie van een avondvullend programma word ik benaderd door een woordvoerder van een non-profit organisatie. Hij geeft me zijn visitekaartje samen met lovende woorden over mijn optreden. Vervolgens vraagt hij me of ik een van hun feestjes wil presenteren. Het zal een acht-uur-durend programma zijn met verschillende optredens. Ik voel de bui al hangen maar zeg erop terug te komen.

Na wat heen en weer gemail over de invulling van het programma vraagt hij me naar mijn kosten. De formulering van deze vraag doet me al huiveren, maar ik doe of mijn neus bloedt en stuur een zakelijke offerte. Daarna blijft het stil.

Een paar dagen later krijg ik een mailtje waarin hij uitweidt over het feit dat hij werkt voor een non-profitorganisatie en dat het door mij geoffreerde bedrag helaas niet kan worden gehonoreerd. Hij had meer gedacht aan een onkostenvergoeding van € 100,-  Ik bedank voor de eer. Een korte speurtocht op Google leert mij al snel de salarissen van menig werknemer bij deze non-profitorganisatie kennen. Kennelijk is er wel geld voor sommige functies en geen geld voor andere. De logica ontgaat mij.

Het is niet de eerste keer dat mij, zonder enige terughoudendheid, word gevraagd mijn werk voor niets te doen. Kun jij niet ff een stukje schrijven? Heb je niet nog een passend gedicht op de plank liggen? Maak jij daar ff een leuk blogje van? En dan heb ik het niet over mijn vrienden, mensen die ik ook zonder schroom vraag om de auto even te lenen, mijn kinderen even op te vangen of mij te helpen mijn schuurtje af te breken.

Niet alleen bevreemdt het me dat mijn werk door velen kennelijk wordt beschouwd als iets wat ik zo maar even uit mijn mouw schud, ook verbaas ik me over de brutaliteit van de vraag. Ik zie mij al binnenlopen bij de buurtsuper, mijn mandje volladen en vriendelijk bedanken bij de uitgang. Of nee, tóch even vragen wat de kósten zijn geweest zodat ik kan overwegen om die te vergoeden.

Zou de nette wijze niet zijn dat je bij aanvang al aangeeft dat je graag van iemands diensten gebruik zou willen maken maar niet kunt betalen? Waardoor je de vraag of iemand iets voor niets wil doen, volledig bij de ander neerlegt? En zou het dan, voor de volledigheid, niet netjes zijn om van te voren de afweging te maken of je niet kúnt of niet wílt betalen voor de dienst? Meestal is het namelijk een keuze. Mij is wel eens gezegd; we kunnen er niet voor betalen want we hebben al zo veel dure sprekers ingehuurd. Ik bleef verbluft achter; wat maakte nou in gódsnaam dat ze die dure sprekers allemaal klakkeloos inhuurden en dachten mij voor een boekenbon de boel aan elkaar te kunnen laten praten? Vreemd hè, als je erover nadenkt.

Sinds 1 oktober ben ik volledig zelfstandig. Ik werk al jaren als zzp-er maar nu heb ik ook mijn kleine baantje bij de boekwinkel aan de wilgen gehangen. Ik ga mijn geld verdienen met schrijven. Schrijven, schrijven, schrijven en alles wat daarmee verband houdt. Schrijven over schrijven. Maar ook praten over schrijven, of praten met schrijvers (op 4 november interview in Jan van Mersbergen in Dekker vd Vegt) en anderen leren schrijven (ik geef les op basis- en middelbare scholen en op de Unit Academie). Ik doe dat graag en veel en goed. En ik vraag daar geld voor.

 

Zondag

Het is zondag. Vriendin J. belt me om te vragen of ze langs kan komen in de middag. Ze heeft zin in een herfstbokje in mijn nieuwe bostuin. Nee, zeg ik, het kan niet, ik moet schrijven. Even later krijg ik een appje van vriendin H. die er ook even tussenuit wil. Sorry antwoord ik, ik moet schrijven.

Ik nestel me in de middagzon aan de buitentafel. Twee laptops open en de papieren versie van mijn boek voor me uitgespreid. Zo kan ik het commentaar van mijn redacteur verwerken, meelezen, overzicht houden en tegelijkertijd doorwerken. Heel handig. Maar de batterij van de ene laptop blijkt leeg en de ander defect en dus moet ik naar binnen om een verlengsnoer te zoeken. Die heb ik niet. In de boshut staan alleen hoogst noodzakelijke spullen. Een verlengsnoer had daar prima bij kunnen horen, maar daar dacht ik een paar weken geleden kennelijk anders over.

Als ik terug kom in de tuin ligt de papieren versie verspreid over alle achthondervijftig vierkante meters bos die ik hier heb. Een paar drijven er in de modderpoel die ooit een vijver was, dat zal dat klotehoofdstuk dan wel zijn. Als ik alle pagina’s weer heb verzameld en besluit de boel naar binnen te verhuizen, breekt de zon door. Ze doet zo hard haar best dat ik niet anders kan dan mijn kop er even inhouden, in dat licht. Ik schuif er een bankje bij. Ik moet ook even nadenken over dat klote hoofdstuk en dat kan immers het beste met mijn snoet in de zon. Ik ga zo wel beginnen.

Juist als ik op wil staan om me aan de keukentafel te nestelen voor een tweede start van mijn werkdag, komt een kabaal mijn tuinpad op. Het blijkt R. te zijn die naast zijn twee kleuters ook een buitenkachel mee mijn grondgebied op sleurt. Ik heb iets voor je, roept hij al van ver. De jongens hangen sneller omstekop in de grote kastanjeboom dan ik kak kan zeggen.

Gaan we de tamme tukkels poffen? Roept de oudste van achteruit de tuin. Hij kijkt me met grote ogen aan, de krullen springen enthousiast mee op zijn koppie. In zijn knuistjes glimmende kastanjes. Ik ben daar niet tegen bestand. R. ook niet. Hij heeft de fik al in de kachel.

Mijn dochter ontwaakt uit haar 4g-bubbel en komt ook naar buiten. Er wordt gespeeld. Ik besluit het boek te sluiten. Het is ook zondag. Wie werkt er nou op zondag? Beter haal ik twee herfstbokjes uit de koelkast. Je hebt ze immers niet voor niets koud staan.

Moeder van de kleuters heeft geroken waar haar man en kroost uithangen en fietst het tuinpad op, een fles rode wijn onder haar oksel en vriendin T. in haar kielzog. We dachten al dat ze hier zouden zijn, gillen ze uitgelaten. Ze komen van een feestje, dan weet je het wel. Ze schuiven de bank uit de voortuin bij en maken een rondje om het vuur. We hebben allemaal een plekje. Mijn dochter houdt de kleuters in het gareel, de herfstbok gaat rond. We trekken er een zak chips bij open. Wie wil er ook schrijven op zo’n dag als vandaag? Zullen we pizza’s laten komen, roept er een. Jaaa, gillen de kleuters in koor. Pizza, met silamo. Juist als H. de bestelling opneemt, stopt er nog een auto. Vriend P. komt aanlopen. We zouden even brainstormen vandaag over een filmpje, dat wordt nu niks meer. Hij lust wel pizza, geeft zijn bestelling door en gaat zitten. Er moet nog een bank bij. Met een beetje zoeken vinden we er nog een. Als we er straks doorzakken, kan ie altijd nog op het vuur.

De pizzakoerier komt tegelijk met vriendin J. het pad oplopen. Jezus, zeg ze als ze het buitenfeestje aanschouwt, en ik mocht niet komen? Ik haal mijn schouders op en probeer het gezicht te vinden dat hoort bij: ik kan er niks aan doen, het overkomt me allemaal.

Ze snapt het, trekt de rode wijn open, gaat op mijn plek zitten en neemt het grootste stuk pizza uit de doos.

Vraag en antwoord

 

Ik vraag het regelmatig aan mensen met een kleurtje; waar komen je ouders vandaan? Maar het mag niet meer hoor ik net van theatermaker Nazmiye Oral in het programma De nieuwe maan. Wat ik daarmee bedoel, leer ik zojuist, is namelijk dat de ander er niet helemaal bij hoort en dat is kwetsend. Dáárvan was ik me niet bewust.

Zelf ben ik ook een halfbloedje, maar wel een met blond haar en blauwe ogen dus niemand vraagt ooit naar mijn achtergrond. Mijn achternaam kun je prima op zijn Nederlands uitspreken. Vroeger zette mijn broer een tijdlang opzettelijk een streepje op de e zodat het niet meer Nederlands leek. Dan moesten de mensen wel vragen; waar komt je vader vandaan? Hèhè, konden we het eindelijk vertellen.

Natuurlijk begrijp ik het verschil. Daarover wil ik het niet eens hebben.

Nazmiye houdt een pleidooi over erbij willen horen en continu de bevestiging krijgen dat dat nooit helemaal zal lukken. Ze komt uit Hengelo en heeft er genoeg van dat ze steeds moet uitleggen waar haar ouders vandaan komen, alleen om het simpele feit dat haar uiterlijk haar Turkse komaf verraadt. Ik twijfel er niet aan dat ze uit Hengelo komt. Ook niet aan het feit dat ze Nederlandse is, en dat ze erbij wil horen. Waarbij? Vraag ik mij wel af.

Als ik met haar in gesprek zou zijn geweest, zou ik het ook kunnen hebben gevraagd; waar komen je ouders vandaan? Echter niet om haar het gevoel te geven dat ze er niet bij hoort, niet om haar uit te sluiten, niet om een afstand te scheppen, niet om haar duidelijk te maken dat ze anders is dan ik. Mijn uítgangspunt is dat een ieder anders is dan ik en dus probeer ik de ander te begrijpen door vragen te stellen. Je achtergrond is een bepalende factor in wie we zijn, dus ben ik daar benieuwd naar. Het níet stellen van die vraag zou alleen maar kunnen als het me geen zak zou interesseren wie ik tegenover me heb of als ik bang zou zijn dat ik het verkeerd doe. Dat laatste wordt gevoed door dit soort uitgesprokenheid.

Wat Nazmiye niet in de gaten lijkt te hebben namelijk is dat de vragensteller in dit geval niet diegene is met een oordeel, maar zijzelf. Zoals ze het verhaal vertelt, lijkt het alsof haar een open vraag wordt gesteld. De intentie van die vraag, het achterliggende gevoel en de hele context wordt echter moeiteloos door Nazmiye ingevuld, zónder een wedervraag te stellen. En dát is pijnlijk. De wedervraag had namelijk ook kunnen zijn; waarom vraag je dat, waarom wil je dat weten, wat doet het ertoe? Dan had de vragensteller weer de gelegenheid gekregen daarop te antwoorden, wat geleid had tot een gesprek, wat geleid had tot begrip, wat geleid had tot nabijheid. En was dat niet juist het doel?

Ik begrijp Nazmiye haar pleidooi wel. Ik begrijp het pijnlijke, maar ik denk ook dat in de pijn het gevaar ligt van de invulling: omdat je de ervaring hebt buiten gesloten te worden, bevestigt iedere ervaring dit gevoel. Het is, voor iederéén, verdomde moeilijk de ander – iedere keer opnieuw – met open vizier tegemoet te treden.

De enige manier is volgens mij in gesprek te blijven. Niet te denken te weten hoe de ander iets bedoelt en het gesprek te sluiten, maar een wedervraag te stellen. Laten we eens ophouden ons te wapenen. Laten we eens snappen dat we er geen van allen bij horen omdat er niet zoiets bestaat als één. En laten we eens snappen dat we daarin, in die eenzaamheid, dus samen zijn.

 

 

In het diepe

Ik hoor het mijzelf zeggen: ‘ik neem ontslag’, en begrijp meteen dat het nu echt menens is.

Even later fiets ik naar huis met mijn telefoon in mijn hand. De zon schijnt, mijn jas hangt over mijn stuur. Ik bel de liefde.

‘Ik heb net mijn ontslag ingediend,’ zeg ik.

‘Hè hè,’ zeg hij. Hij lacht. Ik houd van zijn lach.

‘Het is wel een risico,’ zeg ik, ‘ik heb geen idee hoe dat nu verder moet.’

‘Het risico is inderdaad behoorlijk,’ zegt hij. Ik hoor hoe hij ondertussen rondloopt in zijn werkplaats en her en der wat spullen verplaatst. ‘Het risico is vooral dat we straks íedere dag uiteten moeten gaan, omdat dan bij jou ook het geld tegen de plinten opklotst.’ Hij heeft aardig wat vertrouwen in dat zelfstandig ondernemerschap van mij, de liefde.

Ik neem de lange route naar huis, over de dijk langs de Waal. Het is eind augustus. Na de hete zomer is het vooruitzicht op de herfst alles behalve onaangenaam. Ik houd van de seizoenen, als ze zich tenminste ten volste tonen, anders krijg ik de pest in. Wat moet je met een herfstige herfst na een herfstige zomer immers? Nu verheug ik me op de kou, op de bladeren, op rode kool met wild en een glas rode wijn. Nouja, ook niet onbelangrijk toch?

Ondertussen vraag ik me af wat nu heeft gemaakt dat hij er ineens uitkwam vandaag, die zin. Ik neem ontslag. Ik heb géén plan, maar wel een dochter, een huis en een hond. Ik ben vorige maand drieënveertig geworden en mijn spaarrekening is binnen de termijn van mijn drie jaar geleden gestrande huwelijk tot nul geslonken. Ik voel me beter dan ooit.

 

 

Verwachtingen

We rijden langs de Duitse Noordzeekust. Het landschap is tijdloos.

De mensen hebben hier de Tweede Wereldoorlog niet eens gemerkt, merkt mijn lief op. Ik denk dat ze af en toe naar buiten keken en zich afvroegen wat die drukte was in de lucht. Ik denk het ook. De vooroorlogse boerderijen zijn intact, het land ligt er prachtig bij. Prachtig maar droog. Het is heet, maar met het zeewindje prima te doen. We toeren wat, brullen Hazes mee, kletsen bij en houden onze kop een beetje. Rechts van ons de dijk, waarachter de Noordzee zich schuil houdt. Ik rijd. Hij zit naast me. Meer is er niet nodig

Het is vroeg op de middag. De Noordzee heeft zich teruggetrokken. In Engeland hebben ze nu water, maar aan onze kant is de zee ver te zoeken. Een grote bak blubber zo ver het oog reikt. Iedere keer als er een pad naar zee gaat, sla ik hem in. Ik blijf het gevoel houden dat nu, als ik het nu doe, we de auto parkeren onderaan de dijk, de dijk oplopen, we toch zeker moeten kunnen uitkijken over een prachtig verlaten strand, met zee. We zullen plonzen en in het zand liggen. Ik doe het weer. Hij kijkt mij ongelovig aan, maar ik kan het niet laten, zolang we rijden in dit landschap en aankijken tegen die dijk blijf ik denken dat daarachter een blauwe zee en een wit strand op ons ligt te wachten.

Ik parkeer de auto naast twee Chinezen die met open portieren naar de radio zitten te luisteren. Toen had ik het al moeten weten natuurlijk. Nee echt, zeg ik nog, nú is er zee. Ik neem het strandlaken mee, een fles water en twee appels en sjouw voor hem uit de dijk op. Eenmaal boven blijven we naast elkaar staan. Blubber zo ver het oog reikt. Blubber links, rechts en voor me. Blubber tot halverwege Engeland. Op het plaatje zag het er anders uit. Ik zucht. Laat maar dan.

We toeren door Groningen terug. Er zit nog niemand op ons te wachten. Niemand weet waar we uithangen en de telefoons staan uit. We stoppen bij plaatsnaambordjes die onze nieuwsgierigheid wekken, plekken die zowaar op de Werelderfgoedlijst blijken te staan, en verwonderen ons. Nu we de zee zijn vergeten, blijken we weer prima in staat ons te laten verrassen. Beetje huisjes kijken, koffie drinken op een pleintje, we schakelen moeiteloos over op de wijn, plakken er nog een nachtje aan. Geen zee. Geen verwachtingen. Wat een feest.

Size does matter

 

Marthe Saelens schrijft in NRC een mooi stuk over de expositie van Ronald A. Westerhuis ‘Size does matter’ die momenteel te zien is in museum De Fundatie in Zwolle. Ik was er afgelopen zaterdag zelf. Toen ik naar binnen liep, huppelde ik een beetje; zin hebbend in een koel museumbezoekje. Toen ik naar buiten kwam, snakte ik naar een biertje en een goed gesprek. Want wat had ik net allemaal gezien? Ik dronk hem tegenover het museum (in een tentje waar ze zelfs een broodje Westerhuis serveren) met uitzicht op de waanzinnige Stepping Stones die Westerhuis daar brutaal neer plempte, kleine tien meter hoog. Beetje kunstenaar heeft lef.

Westerhuis creëert sculpturen van roestvrij staal. Glooiende, zachte vormen, die zowel strak en koud, maar ook lief en soms zelfs grappig zijn. Ik leerde zijn werk kennen toen ik vorig jaar met de Poëziebus zijn atelier in Zwolle aandeed. In de uren waarin we ons klaar maakten voor het avondoptreden vol muziek en poëzie, doolde ik vrij door de ruimtes. Westerhuis heeft een enorm atelier/ werkplaats/ terrein waar gewerkt wordt, nee gebikkeld. Ik bleef maar om het werk heen draaien, zonder te snappen wat ik er nou eigenlijk van vond. Voor mij is het groots, speels en een tikkeltje waanzinnig. In de Fundatie leerde ik ook andere werken van hem kennen; een zelfportret, een poëtisch beeldje, een steen der wijzen. Uitgeverij Waanders maakte er een prachtige catalogus bij; mooi gebonden, goed papier. Geen kattenpis, immers: Size does matter, volgens Westerhuis. Ik ben het daar mee eens, voor mij geldt doorgaans in het leven; hoe kleiner hoe beter, dus dat het “matters” vinden we beiden. Maar in dit geval snap ik Westerhuis wel. De grootsheid van de sculpturen maken mij als bezoeker klein en dus bedoelen we misschien wel hetzelfde.

Marthe Saelens vraagt zich in haar stuk (NRC) af waarom ze de expositie na verloop van tijd een beetje saai begint te vinden: [citaat] Zou het komen doordat de werken van Westerhuis niet volledig tot hun recht komen in de Fundatie? Zijn grenzeloze kunstwerken horen eerder op open vlaktes te staan, waar niet alleen de bezoekers reflecteren, maar ook de vrije omgeving. 

Er is geen kunstenaar op de wereld die zijn werken máákt om in een museum neer te zetten, toch? En Westerhuis zeker niet. De sculpturen hebben inderdaad de ruimte nodig. Maar om ze allemaal aan publiek te kunnen tonen, moet toch een museum het zien zitten om de hele keet vol te laten zetten met dat rvs-geweld. De Fundatie doet dat dus. Te gek. Laat je wegblazen, zou ik zeggen.

 

Bloed

Mijn dochter, de vegetariër, is op vakantie. Mijn zoon eet al maanden niet meer thuis. Koken schiet er vaak bij in, helemaal tijdens de zomermaanden, waarin ik kan leven op salades. Salade met linzen, met pasta, met couscous. Bij dertig graden mis ik de warme maaltijd niet. Vandaag is anders. Ik ben ongesteld.

Ik sta twee biefstukken voor mezelf te bakken als vriendin J. belt om te vragen of ik mee op stap ga. Ik zeg ja en hang op. Ik laat het gesprek nog net lang genoeg duren om haar een plek en een tijd te horen noemen en mijn vlees niet te laten garen. Ik wil bloed zien. De onnodige bijgerechten laat ik achterwege. Op mijn bord twee biefstukken die ik aan stukken scheur terwijl ik met mijn benen op de tafel naar een aflevering van Dag kijk op Netflix. Ik drink er bier bij uit het flesje. Als het allemaal is gedaan laat ik een boer, een scheet en zet het bord op de grond voor de hond, die de boel dankbaar begint schoon te likken. Het leven is goed, behalve dan die godverdomde buikpijn ja.

Ik kan me nog goed herinneren hoe de verloskundige die me hielp bij mijn eerste zwangerschap, me voorbereidde op de bevalling. Ik was drieëntwintig en maakte me zorgen over dat baren, dat brullen, dat werpen. Niet in de laatste plaats over wat dat zou doen met de vader van de kleine man. De verloskundige legde bemoedigend een arm om me heen en zei: luister, er komt een moment dat je op handen en knieën in de keuken zit, je buik raakt bijna de grond. Het is warm en het zweet gutst uit je lijf. Je kont is naar de deuropening gedraaid maar het zal je geen godverdomse moer interesseren wie daardoor naar binnen komt: je vriendje, de koningin of ik, want dat kind moet eruit, dát ben jij aan het doen. Ik geloofde haar niet zo direct maar ervoer het een maand later exact zo. Het oergevoel is het gevoel waar ik in thuis kom. Het zegt; dit is míjn lijf. Dit ben ík en ik neem exáct wat ik ervoor nodig heb.

Ongesteld zijn roept het altijd weer even op en dat is prettig, want het is toch al ellendig genoeg:  Ik kan niet te veel gedoe verdragen. Ik beheers mijn aangepast-mens-zijn ineens onvoldoende om te kunnen wachten op antwoord, om de ander aan te kijken en om te spreken met twee woorden. Ik wil bier, vlees, seks en met rust gelaten worden. Van ongesteld zijn word ik een boerenpummel en dat is ontzettend bevrijdend.

Voor ik de stad in fiets voor meer bier en dansen met mijn vrouwen, spoel ik mijzelf schoon onder de koude douche. Mijn buik heeft haar normale vorm weer gevonden. De dagen voor het grote bloeden begint, zwel ik altijd een beetje op. Het is fijn als ik weer slink. Mijn onbewoonde kraamkamer ontdoet zich weer van alle voorzorgsmaatregels. Mijn lijf blijft maar bedacht op een nieuwe bewoner, maar ik ben voldoende bewoond geweest. Ik blijf even kijken naar het bloed dat tussen mijn benen het putje instroomt en wacht tot het stopt. Dan spoel ik twee paracetamols weg met een groot glas water, trek een jurkje aan en ga. Ik ga de dansvloer opeisen. Morgen doe ik heus wel weer normaal.

 

Mijmeren

Ineens is het zomer. Ik keek naar haar uit, verlangde naar haar en ze was er al zonder dat ik het in de gaten had. Nu dus.

Het is warm. Iedere avond na mijn werk neem ik een duik in de nevengeul van de Waal. Hond eerst, dan ik. Hond blijft naast mijn handdoek zitten wachten tot ik ben uitgepoedeld. Als ik veilig weer op de kant sta, gaat zij op jacht. Ik doe een dutje in de zon tot ze terug komt. Het kán.

Het is de eerste zomer in honderd jaar dat ik voortdurend mijn eigen agenda lijk te kunnen bepalen. Nu de oudste op kamers woont en de jongste zich alleen nog maar wil omringen met leeftijdsgenoten, is het veelal stil in huis, als het niet stil is omdat er een dozijn veertienjarigen komt eten/logeren/barbequeen, hoef ik evengoed niet zo veel want ze maken zich druk zat met elkaar. Ik maak de boel er doorgaans alleen maar awkward op.

Ik geniet ervan. En ook maakt het me onrustig. Soms ineens raast het door mijn lijf: moet ik niet iets? Ik móest toch iets? Maar nee, ik hoef dus niets. Een boek lezen ja, een boek schrijven ja, bedenken waarheen ik op vakantie wil, de planten in de tuin water geven, maar alles kan ineens ook mórgen.

Ik was verreweg de eerste in mijn vriendenkring die een kind kreeg, nog net drieëntwintig. Niet per ongeluk. Er was nu eenmaal niets anders dat ik liever wilde dan een kind, dus kreeg ik er een. Hoe eenvoudig. Mijn redenatie was waar mogelijk nog simpeler; ik wist niet wat ik wilde worden behalve schrijver en daarmee zou ik zeker nooit mijn geld verdienen was me geleerd. Iets anders wilde ik niet, behalve dus moeder worden. Ik dacht: ik doe het gewoon omgekeerd; eerst word ik moeder en tegen de tijd dat ik weet waarmee ik dan wel mijn geld wil verdienen, is die kleine waarschijnlijk wel de deur uit. Een paar kleinigheden had ik niet voorzien. Dat de vader van de kleine jongen zou afhaken bijvoorbeeld, dat ik allerlei te gekke baantjes kreeg en dat ik verder evengoed gewoon schrijver werd, dat ook niet.

Nu, zoveel jaar later, vermaken mijn kinderen zich dus het liefst zonder mij. Ik vind dat heerlijk. Met grote regelmaat realiseer ik mij dat er niemand dood gaat, als ik niet thuis kom. Niemand zal zomaar stikken in zijn slaapje als hij niet geboerd heeft, van de trap af flikkeren als ik een hekje vergeet te sluiten, uit zijn bed klimmen en de fontanel aan diggelen stoten, verzuipen, verhongeren, uitdrogen of kwijtraken. Ik snap heus wel dat er nog andere gevaren zijn voor de jonge mensen die mijn kinderen zijn, maar ik heb bijzonder weinig ruimte om mij daar nu mee bezig te houden en nog minder geloof ik dat het hen wat brengt als ik dat zou doen. Dus doen we het niet. Zij spelen, gamen, kletsen, ontdekken en wat al niet meer. En ik mijmer zo’n beetje voor me uit, over hoe en wat en waar het is gebleven, en wat er komt en wanneer en hoe en dat het zulk heerlijk weer is en de frambozen maar blíjven komen iedere ochtend als ik met mijn schaaltje yoghurt de tuin in loop, en dat het nu tijd is voor een boek en een glaasje Chardonnay en dat er morgen gewoon weer zo’n dag komt. Zoiets.