Het ontvouwen van de dag

We gaan eten bij vriend F. Als ik aankom staat hij al in de keuken. De meisjes duiken de achterkamer in en ik ga met een glas wijn op het aanrecht zitten. F. schilt ondertussen pastinaak, grilt wat courgette. Lekkere luchtjes verspreiden zich. Hij kookt graag en goed. Het moet ook wel. F. is alleenstaande vader van twee meiden, dus niemand anders zal het voor hem doen. Daar hebben we het over, dat ouderschap en hoe we ons dat ooit anders hadden voorgesteld. Niet alleen bijvoorbeeld, maar samen met de andere ouder. Het leven loopt meestal anders dan je van te voren bedenkt. Je kunt beter niet te veel plannen maken. Maar het is best te doen alleen: je werkt iets harder, zorgt iets meer, hebt twee of drie agenda’s in je hoofd in plaats van een.

Als ik dagelijkse bezigheden heb, loop ik er nauwelijks tegenaan. Dan is het juist fijn dat mijn dochter er altijd is als ik thuiskom. Bij het maken van vrij werk loop ik geregeld vast. Het lijkt noodzaak te zijn dat ik eerst de totale stilte bereik voor ik iets nieuws kan maken. Een lege dag. Een leeg hoofd. Een leeg vel. Met kinderen in huis is het vel nooit leeg.

Aan tafel hebben we het met de meiden over drank en drugs. Puberteit heeft haar intrede gedaan en de nieuwsgierigheid naar wat het leven allemaal te bieden heeft, hangt geregeld bij de dames voor de neus. Na de koffie en de chocola verdwijnen ze weer giechelend naar de grote bank in de achterkamer. Wij blijven nog even zitten. F. drinkt langzaam de fles rode wijn leeg. Ik sip een beetje mee want moet nog rijden.

‘Het moeilijkste is dat het nooit ophoudt,’ zegt hij, ‘nooit. Er staat er altijd wel weer eentje te roepen aan de trap.’

En dat herken ik. Sinds een aantal maanden woont mijn dochter fulltime bij mij. We hebben het fantastisch samen. Ze zit goed in haar vel en het is warm in huis, gezellig. Sinds kort lijkt ze een bondje te hebben gesloten met mijn lief. Dat is vertederend en het stelt me gerust. Maar wat ik mis, in tegenstelling tot de tijd waarin zij nog regelmatig bij haar vader verbleef, zijn de dagen dat het stil is in huis. Dat de dag zich kan voltrekken zonder dat je van te voren een plan hoeft te maken. Dat je kunt gaan eten wanneer je honger hebt, kunt gaan slapen als je moe bent, kunt doorwerken tot je bent uitgeput. Als alles er kan zijn zoals het zich aandient, ontstaan er dingen die ik zelf niet had kunnen bedenken en toch (kennelijk) zélf heb bedacht.

De meisjes staan vragend naast de eettafel. Of er gelogeerd kan worden. F. draait zijn hand niet om voor een meer of minder.

Als ik ’s nachts naar huis rijd in het donker bel ik nog even naar mijn lief die honderd kilometer verderop zit. Als het dichterbij zou zijn, zou ik doorrijden, want dat kan dus niet meer spontaan nu het meisje fulltime bij mij woont. Maar het is laat en thuis wacht ook nog een hond die ik aanlijn en met wie ik het park inloop. Het is stil in de wereld. Nu wacht er thuis niemand meer op me. Ik neem de hond mee naar boven, ze mag op het voeteneind omdat ze de hele avond alleen heeft moeten zitten. In mijn slaap kruipt ze tegen me aan. Als ik wakker word, liggen we lepeltje lepeltje. Ik vraag me af hoeveel honden dat doen. Het is nog vroeg, voor zevenen. Het huis is stil. Ik blijf even liggen luisteren naar die stilte. Om twee uur moet ik mijn dochter weer ophalen en gaan we naar de tandarts maar tot die tijd is er niets.

We lopen nog voor zonsopgang naar de rivier om daar te kijken hoe de dag zich ontvouwt, hoe de schepen voorbij varen, hoe de zon hoger klimt, hoe ik nog niet weet hoe ik de volgende roman precies wil componeren, hoe ik nadenk over een nieuwe opdracht, hoe er een regel vast zit in mijn hoofd waarvan ik niet weet waarin hij thuis hoort.

Ik weet het pas als ik in bad ga liggen, midden op de dag.

Hier.

Vaker gaat het goed

Precies een jaar geleden trok ik in een leegstaand boshuisje. Kort tevoren had ik mijn baan bij de boekwinkel, waar ik negen jaar had gewerkt, opgezegd en mijn huis aan vrienden geleend. Ik had mijn dochter niet verteld dat we geen internetverbinding in de boshut hadden, dat de geiser het exact een minuut dertien deed, dat er geen CV aanwezig was, maar wel twee houtkachels: één binnen en één in de bostuin.

De behoefte om mijn aandacht vól te kunnen richten op het boek waaraan ik werkte was zo groot, dat ik niet anders kon, of dácht te kunnen-wat hetzelfde is.

De maanden oktober en november schreef ik aan de houten tuintafel met een winterjas aan terwijl vogels tjirpten en eekhoorntjes over mijn hoofd heen sprongen. Ik dronk sloten koffie, thee, bier en wijn en begon weer te roken, zoals ik wel vaker doe als het drama in mijn leven een hoogtepunt wenst te bereiken. Tot overmaat van ramp liet mijn minnaar niets meer van zich horen.

Half november stuurde ik het boek op naar de Schrijversvakschool. Half december was duidelijk dat ik vlak voor de kerstdagen zou afstuderen. Het werk was voltooid. Toen de feestdagen naderden, de geiser ontplofte, de toilet verstopt raakte, de minnaar zich volledig onnavolgbaar dan weer wel dan weer niet, meldde maar zich nooit liet zien, pakten dochter en ik onze spullen bijeen en sloten de koude boshut achter ons. In ons eigen huis woonden nog vier mensen, maar met een beetje proppen pasten we er wel bij.

Als mensen zeggen; wat goed dat jij altijd je hart zo volgt, vraag ik me iedere keer weer af hoe ik het ook níet zou kunnen doen. Sterker nog; ik heb mezelf vaker gewenst dat ik in staat zou zijn het níet te doen; mijn hart volgen. Het heeft mij al vaker in benarde situaties gebracht. Ik ben iemand die ontslag neemt, die gaat scheiden, die een therapeut zoekt, en weer een volgende, die vertrekt en weer opbelt, die niet los kan laten en móet uitpraten, die al honderd keer gedacht heeft; zou het niet veel eenvoudiger zijn als ik..? maar toch nooit lijkt te kiezen voor de makkelijke weg. Toegegeven; ik vervloek mijzelf daar wel eens om. Maar vaker houd ik van het avontuur waarheen mijn rusteloze hart mij leidt.

Op 22 december studeerde ik af aan de Schrijversvakschool. De minnaar liet zich niet zien. Hij stuurde ook geen kaartje, geen bos bloemen, kwam me niet vertellen hoe trots, hoe blij. Wel kwam daar iemand anders binnen lopen. Een bos krullen en een grote grijns. We aten die avond oesters bij Nam Kee, dan weet je wel hoe laat het is.

Dat hart van mij moest nog vanalles uitzoeken over de liefde en nam daar ruimschoots de tijd voor. Het boek dat ik geschreven had, vond zijn weg naar een fantastische uitgeverij. De vrienden vertrokken weer uit mijn huis, nog voor we gek werden van elkaar. Er diende zich weer werk aan. Ik blijk iedere maand opnieuw de huur te kunnen betalen. Vaker gaat het goed. Die gedachte houd mij overeind, of trékt mij soms overeind als ik toch per ongeluk onderuit ben gegaan.

De liefde die ik op 22 december leerde kennen, blijkt een mooiere te zijn dan ik had durven denken/kunnen weten/ voor mogelijk had gehouden. Hij liet mij spartelen, stribbelen, duwen en trekken tot ik vanzelf dichterbij kwam.

Het boek hield ik vandaag voor het eerst in mijn handen. Ik ga dat vieren. De liefde. De dromen. De plannen. Het onstuimige hart.

Vaker gaat het goed. Soms wordt het zelfs alleen maar beter.

Sorry

Mijn dochter van vijftien kreeg klappen op straat

Ik schreef erover op 6 juli. Hoe mijn dochter en haar vriendin naar huis fietsten, er voor hun iemand op de rem stond waardoor er moest worden uitgeweken. Hoe er werd gefoeterd en doorgefietst. Hoe ze merkten dat ze werden achtervolgd op de brug. Hoe de achtervolger ze staande kreeg door tegen de fiets van de vriendin aan te schoppen, mijn dochter aan haar haren van de fiets te trekken, hoe ze klappen kreeg.

Toen de politie, die reuzesnel bij ons op de bank zat maar de twee huilende meisjes ook reuzesnel wist te vertellen dat aangifte doen geen zin had en dat het hier een klein incident betrof.

Nadat er veel over was gesproken en gehuild, nadat ik mijn grootste frustratie had weten af te voeren middels een klacht tegen de agent en een blog online, nadat we aangifte hadden gedaan, belde de dochter op een middag vanuit de stad. ‘We hebben hem,’ zei ze. Er was door de politie in de voorgaande weken zoals beloofd, niets ondernomen om de klootzak te pakken te krijgen maar op een middag zag de dochter hem zelf doodleuk een zaak inlopen. Ze belde haar vader, die ondertussen de politie belde. Mijn meisje zat op de stoep voor de zaak waar haar belager naar binnen was gegaan en hoefde hem alleen maar te omschrijven toen de politie arriveerde.

Die avond werd ik gebeld door de agent. Hij vertelde me dat ze de dader hadden weten te identificeren. Het betrof een zeventien jarige jongen. Hij had onmiddellijk bekend. Hij had spijt.

‘Het is wel goed om het een en ander te weten over de jongen,’ sprak de agent op kalme toon aan de telefoon. ‘Hij is een beetje bijzonder.’

Zo kwam ik erachter dat de jongen die mijn dochter rake klappen op haar hoofd had verkocht en haar had gedreigd te vermoorden, een jongen met problemen was. Er was iets mis met hem. Hij was niet helemaal goed.

We spraken af dat we om de tafel zouden gaan, ik met de meiden en de dader met zijn begeleider, zodat de dader zijn excuses kon aanbieden.

Dus daar zaten we dan, op een maandagavond, in een uitgestorven politiebureau. Ik had me nooit gerealiseerd dat de Politie ook kantoortijden aanhoudt. Dochter had eigenlijk niet zo veel zin maar was toch akkoord gegaan. Het was inmiddels al zes weken geleden. Het hele gebeuren was voor haar al aardig naar de achtergrond geschoven en daar was ik maar wat blij mee. Ik had me zorgen gemaakt over mogelijke angsten die zouden blijven hangen na zo’n (weliswaar klein) incident. We gingen toch. De vriendin kwam ook. We zaten met zijn drieën naast elkaar en hielden handen vast.

De jongen kwam binnen met zijn begeleider. De meisjes waren stil. Hij begon te vertellen over de rode doek die voor zijn ogen op was getrokken omdat een van de meiden had gescholden met kanker. Dat zijn vader pas was overleden aan de ziekte. Dat hij heel veel spijt had en wist dat hij nooit had mogen slaan. Dat hij soms niet helemaal begrijpt wat er in zijn hoofd gebeurt. Dat hij het zeker niet zo bedoelde.

We waren allemaal even stil. Daar zaten we dan. De meisjes wilden hem graag vergeven. We gaven elkaar allemaal een hand en liepen het bureau uit.

De dader van zinloos geweld die mijn meisje had geslagen en met de dood had bedreigd bleek een jongen van zeventien die een beetje moeite had zijn koppie op orde te houden. Hij was niet minder aangedaan dan de meiden. Even door het lint gegaan. Hoe vaak ben ik zelf in mijn leven door het lint gegaan, vroeg ik me af. Het had dan nooit geleid tot geweld maar inwendig had ik me zeker vaker in staat gevoeld de wereld af te breken. Is het niet iets wat we allemaal in ons hebben, de bad guy? Is niet iedereen tot wanhoop te drijven, en zouden we dan niet allemaal in staat zijn tot lelijkheid? Ik denk het wel.

We fietsen naar huis. Het is dezelfde route die ze toen fietsten. ‘Hier was het mam,’ zegt ze nog eens, alsof ze me de plek niet al vaker heeft aangewezen deze zomer. Ja, hier was het. Hier kregen twee meisjes dus klappen, en hier verloor één jongen dus even zijn beheersing. Dat was een kutdag voor alle drie. ‘Ik had eigenlijk vooral met hem te doen,’ zegt ze, en dat snap ik. Ik ook. Er gebeuren nare dingen in de wereld. We doen elkaar nare dingen aan. De ene keer ben je slachtoffer, een andere keer misschien wel dader. Als je het kunt oplossen met een handdruk en een sorry is dat eigenlijk prachtig, vind ik. Zoals je vroeger door de juf samen naar het midden van de klas werd geleid om elkaar, na een flinke vechtpartij op het schoolplein, een hand te geven en sorry te zeggen. Je moest elkaar wel in de ogen kijken.

Sorry. Ik wou dat iedereen het durfde.

Boek

Mijn liefje staat een paar gedichten uit zijn dertiende bundel te printen voor een optreden als ik via de mail de drukproef van mijn eerste roman binnenkrijg. Ik krijg het warm wanneer het PDF-bestand traag binnenkruipt. Onmiddellijk scrol ik door het bestand naar onderen. Het duurt even voor ik er ben en dat stelt me gerust.

In Drenthe op het platteland aan de bosrand staat een grote boerderij waar een fijne vrouw alleen woont. Zo nu en dan leent ze me een schrijfkamertje en een slaapplek om een paar dagen rustig te kunnen tikken. De dagen gaan er traag voorbij, naar het ritme van de dieren. Paarden voeren, stal uitmesten. Koffie. Schrijven. Hond uitlaten. Schrijven. Paarden in de wei zetten en stront ruimen, Schrijven.

Toen ik er vorig jaar januari kwam met het idee aan de roman te starten, zette ik de eerste zeven duizend woorden op papier. In de weken die volgden, maakte ik de eerste versie van het verhaal af. ’s Avonds na een dag werken in de boekhandel als mijn dochter lag te slapen en in de weekenden wanneer zij bij haar vader was en het huis stil. Na drie maanden was het verhaal verteld. Dat was het makkelijke gedeelte. Het gedeelte waarin ik mijn eigen redacteur was. Toen niemand nog met een rode pen door de tekst ging en opmerkingen in de kantlijn schreef zoals: ‘Wat bedoel je hiermee?’  ‘Dit woord gebruik je wel erg vaak.’ ‘Kun je dit niet anders formuleren?’

Gedurende de zomermaanden van 2018 raakte ik tamelijk gefrustreerd omdat het een dun boekje bleef dat niet goed genoeg was. Ik rende van klus naar kind naar winkel en in de tussenliggende vrije schrijfuren kostte het me te veel tijd om in de juiste modus te geraken. Als ik eindelijk weer wist waar mijn eigen verhaal naartoe moest, was het tijd om te vertrekken, om de hond uit te laten, om eten te koken, om aan het werk te gaan. Betááld werk wel te verstaan, want schrijven doe je voor de lol.

Na de zomer zegde ik mijn baan in de boekhandel op, leende mijn huis uit aan vrienden en trok in een aftandse boshut zonder warm water en CV maar met een diepe stilte in de enorme tuin. Ik tikte verder aan de tuintafel en was dankbaar voor de mooie, warme maanden oktober en november.

Ik scrol door het bestand naar onderen om bij de laatste pagina aan te komen. Pagina 176. Hoewel ik tot op het woord nauwkeurig weet hoeveel woorden het boek telt, blijf ik maar bang dat het niet dik genoeg is. Zoals een gedicht van mijn hand nooit wérkelijke poëzie is, een bundel niet het échte werk was, een voordracht altijd maar geklungel blijft. Maar nu komt er een boek. Het is een roman van 176 pagina’s. Hij heeft een prachtige kaft en verschijnt bij een geweldige Uitgeverij. Over de inhoud mogen jullie zelf oordelen. Vanaf 4 oktober ligt ie in de winkel.

Kapper

‘Tja, niet iedereen kan mazzel hebben,’ zegt de kapster zodra ik plaats neem in de stoel. In een poging het nog iets minder dramatisch te laten lijken, strijk ik een lok naar achteren. Vroeger had ik glanzend lang blond haar, maar na iedere worp leverde ik niet alleen een cupmaat maar ook minstens tien centimeter van mijn maximale haarlengte in. Nu de oudste twintig is, is het voorlopige eindresultaat een asblond, droog, pluizig warboeltje dat nog het meeste van een vogelnestje wegheeft. Zelf heeft de kapster een bos tot op haar billen. Ze kan het ook nog probleemloos verven aan het gitzwarte kleurtje te zien, het boet er in elk geval niet aan glans op in. Ze houdt een paar van mijn sprietjes omhoog. In de spiegel zie ik hoe een zorgfrons verschijnt op haar voorhoofd.

‘Ja, ik heb het net gewassen,’ probeer ik nog.

‘Kijk, hier breekt het gewoon vanzélf af,’ zegt ze verwonderd terwijl ze een strengeltje splijtende punten ombuigt. Er dwarrelen wat haartjes op mijn donkere kappersschort. Ik knik en vouw de krant open.

‘Doe er maar iets mee,’ zeg ik en ik denk aan de tondeuse die nog in het badkamerkastje ligt. Het stond me verdomd goed, gemillimeterd haar, maar sinds mijn dochter van vijftien met zo’n koppie rondloopt, heb ik daarop een verbod. Ik zit dat volop en volkomen mindful, te begrijpen. Als moeder kies je voor het geluk van je kinderen. Gelukkig krijg je er héél veel voor terug.

Humor om te lachen

Op een bushaltehokje lees ik de reclameleus van een nieuw alcoholvrij biertje: net zoveel alcohol als Duitsers humor hebben. De brouwerij is van Duitse oorsprong en doet het goed in Nederland. Kennelijk heeft ze het noodzakelijk gevonden met deze boodschap de Nederlandse consument te paaien.

De zin blijft me in de kop zitten als ik doorfiets naar een vriend die net terugkomt van de Zwarte Cross. Als ik aankom zit hij met koffie in de tuin. We zijn beide een beetje brak. Hij van de Cross en ik van het weer, of nee van het feit dat ik door het warme weer pas na tweeën ging slapen en ondertussen geen alcoholvrij bier dronk, daarvan. Eerlijkheid duurt het langst.

We hebben het over Allah’s Afbakbar, de snackbar die werd weggehaald op de Zwarte Cross, nadat iemand zijn onvrede uitte over de naam van het eettentje. Een naam waar ik persoonlijk bijzonder hard om moet lachen. De persoon die zich en zijn religie beledigd voelde was, voor zover ik begrepen heb, niet aanwezig op de Zwarte Cross, maar kwam de naam van de snackbar online tegen, gaf er vervolgens ruchtbaarheid aan, kreeg aanzienlijk bijval en binnen no-time voelde de organisatie zich genoodzaakt Allah’s Afbakbar weg te halen. Jammer, als je het mij vraagt. Het was een goeie vondst, grappig ook. Humor is om te lachen.

Maar mensen voelden zich en hun religie beledigd. Ik geloof niet dat het de intentie van de organisatie is geweest om mensen te beledigen, maar om mensen te laten lachen.

We wonen met een hoop mensen bij elkaar. Niet alleen in Nederland, op de wereld bedoel ik. Mensen van allerlei kleuren, soorten en maten. Mensen die allerlei geloofsovertuigingen, zienswijzen en religies aanhangen. Het lijkt me van belang dat we een beetje rekening houden met de verschillen die er tussen ons heersen, en dat we een beetje lief zijn voor elkaar. Dat we elkaar in elk geval niet moedwillig beschadigen. Dat klinkt kinderlijk eenvoudig. Als een grapje voor een hele groep als belediging wordt ervaren, kun je je afvragen of het wel een grapje is. Maar wanneer mag een grapje nou eigenlijk wel en wanneer niet? Zijn we zo slecht geworden in het aanvoelen van de grens van fatsoen dat we daar geregeld overheen gaan, dat er ophef ontstaat, die angst veroorzaakt waardoor de grappenmaker zich excuserend terugtrekt in zijn holletje, met zijn grapje tussen zijn benen, vraag ik me af.

Voor mij persoonlijk geldt dat het bewust negatief neerzetten van iemand, of een groep mensen, de grens van humor overschrijdt. Dat doet de Zwarte Cross met Allahs afbakbar volgens mij niet. Die maken een grapje waarbij geen enkele negatieve toon hoorbaar is. Er wordt niet geïmpliceerd dat Allah alleen maar patat kan bakken, noch wordt de grootsheid van Allah ter discussie gesteld. Er wordt een woordgrapje gemaakt en dat is alles.

Er zijn ook situaties te bedenken waarbij je je mening wellicht moet herzien. Zwarte Piet bijvoorbeeld; nooit bedacht om iemand of een groep mensen doelbewust in een negatief daglicht te zetten. Inmiddels is echter duidelijk dat het voor zó veel mensen toch als negatief wordt ervaren dat we ons terecht afvragen of dat het waard is. Ik denk: kap toch met die Zwarte Piet, geef hem een ander kleurtje en klaar zijn we. Ik denk overigens ook dat we allemaal wat meer geschiedenis zouden mogen krijgen zodat we wel een beetje weten waar we het eigenlijk over hebben en de boel niet nodeloos door elkaar gaan lopen smijten, maar dat terzijde.

Echt beledigen doet volgens mij het biermerk. Net zo veel alcohol als de Duitsers humor hebben. Een hele bevolking wordt in één zinnetje publiekelijk te kakken gezet. En het vreemde is: níemand valt erover. Ik vind het ronduit belachelijk en vraag me af wat er gebeurd zou zijn als er een ander woord in de plaats van Duitsers zou hebben gestaan. Wat zou er zijn gebeurd als er bijvoorbeeld Marokkanen had gestaan? Ik vermoed dat geen enkele fabrikant het in zijn hoofd had gehaald zó’n leus in de publieke ruimte te plaatsen. Had ie het wel geprobeerd, dan was de poster er dezelfde dag nog afgetrokken waarschijnlijk. En terecht ook. Daarna, ik speculeer even ins blaue hinein, hadden de overige Nederlanders zich waarschijnlijk al snel of vóór of tégen uitgesproken. Nu gebeurt er niets. Omdat geen Duitser het ziet misschien. Of omdat de Duitsers tegen een (misplaatst) grapje kunnen. Of omdat we het heel normaal vinden om elkaar te beledigen. Of, nouja, bedenk dat zelf maar.

Mishandeling

Het is vakantie. De dochter en haar vriendin zijn wezen zwemmen. Ze hebben zich ingesmeerd met factor 30. Ze fietsen langs het huis van de vriendin om te vragen of er gelogeerd mag worden. Het mag. Ze fietsen terug naar mij. Ze brengen een tandenborstel mee. Ze nemen het fietspad. Ze laten hun telefoons in hun tas zitten en houden minstens één hand aan het stuur. Veertien jaar. Veiligheid is vaak een totaal onzinnig begrip in hun beleving, maar ze kunnen wel luisteren naar ouders die ze wat hebben proberen bij te brengen. Soms doen ze dat braaf.

Voor hen wordt ook gefietst. Plotseling staat iemand op de rem waardoor er moet worden uitgeweken. In hun schrik roepen de meisjes boze dingen. Dan fietsen ze door. Ze merken vrij snel dat ze achterna worden gezeten. Als ze omkijken fietst een grote jongen tussen hen in. Ze zullen hem later in de signalementsomschrijving ongeveer zeventien schatten. Voor ze weten wat er gebeurt ligt één van hen op de grond. Er gaat een fiets kapot. Een meisje probeert hulp te zoeken. Er zijn mensen in de buurt, grote mensen, maar niemand schiet te hulp terwijl het andere meisje, dat mijn dochter is, aan haar haren van haar fiets wordt gesleurd. Ze krijgt een vuist tegen haar hoofd. Ze ligt op straat. Als ze overeind komt, pakt de jongen haar opnieuw vast. Hij brengt zijn gezicht dicht bij het hare en belooft haar haar te vermoorden. Het is een belofte die hij niet zal houden. Zoveel weet ik zeker.

Als ze de tuin in komen kijken ze bedrukt. Ik sta te koken. Ik maak gehaktballetjes met veel knofloof. Er is brood. Er zijn boontjes. Er liggen maiskolven in het water. We hebben een fles bubbels opengetrokken. Ik maak een grapje over de bedrukte snoetjes die ik door de ramen zie. Ik denk dat ze woorden hebben gehad, die twee, dat kunnen ze goed. Dan zijn ze elkaar priecies drie minuten helemaal zat totdat ze weer verder lachen. Maar ze hebben geen woorden gehad. Ze komen via de achterdeur binnen. Mijn meisje valt in mijn armen. Ze huilt onmiddelijk. Haar lieve vriendin staat naast haar. Tranen zitten vast in ooghoeken. Handen trillen. Het zijn bijna vrouwen, deze meisjes. Soms zijn het al vrouwen. Nu zijn het meisjes. Kleine meisjes. Die zijn mishandeld op straat.

De politieagent geeft herhaaldelijk aan dat we geen aangifte hoeven te doen, dat we vrij zijn in de keuze maar dat er ook melding van gemaakt kan worden omdat er niets met de zaak zal worden gedaan. Ik vraag hem wat we onze kinderen moeten leren. Ik vraag het mijzelf ook af. Wat moet ik onze kinderen leren? Dat ze geen boze dingen mogen roepen als ze schrikken? Dat ze om brand moeten roepen en niet om hulp? Dat ze terug moeten slaan of in elkaar moeten duiken? Dat ze de politie moeten bellen of het zo snel mogelijk moeten vergeten?

Er wordt niets opgeschreven. De meisjes geven een heel duidelijk signalement van de dader. Als de agent voor de derde keer tegen de meisjes zegt dat het een klein incident is, vraag ik hem zijn woorden wat zorgvuldiger te wegen. Ik begrijp best dat het voor de agent een klein incident is. Hij zal alleen vandaag al ergere dingen hebben gezien. Mijn meisjes hoeven echter niet te horen dat dit een klein incident is. Ze zouden het gevoel kunnen krijgen dat ze zich aanstellen. Dat ze niet zo moeten zeuren. Ik wil dat ze wél zeuren. Ik wil dat ze keíhard gaan zeuren. Sterker nog, ik ga er zelf ook een beetje over zeuren. Nee, keíhard ga ik erover zeuren terwíjl we áángifte doen van mishandeling.

De Waterval

Ik ben goed in véél dingen. Laat ik eens wat van mijn kwaliteiten opnoemen: ik kan goed lachen. Ik kan goed lol maken. Ik kan best aardig koken. Ik kan prima dansen. Ik kan goed wandelen, op mijn hoofd staan, schrijven, nadenken en slapen. Ik ben ook níet goed in dingen. Danspasjes leren bijvoorbeeld, lukt me nooit. Ik kan geen recept volgen. Ik kan niet zo best rekenen. Ik kan niet zo goed rustig nadenken voordat ik iets groots ga doen (bijvoorbeeld een oven kopen die niet in mijn keuken past en daarom nu in de schuur staat wat op zich prima werkt). Zaken waar ik niet goed in ben en die anderen je kunnen leren, kun je je laten leren. Tegen betaling. Dat vind ik een prima concept.

Ik ga naar mijn nieuwe therapeut. Een nieuwe omdat ik soms aan vervanging toe ben, bovendien is mijn oude van baan veranderd.. Soms heb ik ook even geen therapeut nodig, dat komt voor, gedurende jaren zelfs, maar altijd kom ik weer op een punt dat ik denk; ik moet naar een therapeut. Dan zoek ik er weer een

Mijn nieuwe therapeut is een lichaamsgerichte therapeut. Dat woordje lichaamsgerichte zorgde ervoor dat ik de eerste afspraak maanden uitstelde. Het leek me behoorlijk veel gedoe en als er één ding is waar ik niet warm voor loop,  is het wel gedoe.

Als ik binnenkom, concludeert deze lichaamsgerichte therapeut al vrij snel dat ik waarschijnlijk veel gedoe veroorzaak in mijn leven. Dat heeft ze scherp gezien. Ik ben niet altijd gediend van dit soort scherpe analyses die mij in een tamelijk vervelend daglicht zetten, maar van haar kan ik het hebben. Ik denk dat dat komt omdat ze zelf overkomt als iemand met bijzonder weínig gedoe. Geen moeilijke toestanden, geen zweverige analyses die ik niet kan volgen, geen nauwe ruimtes waar ik alleen maar kan kijken naar een ikea-tafeltje waarop drie glazen water staan zodat ik mij voortdurend moet afvragen wie ik er nog meer wordt verwacht. In plaats daarvan ontvangt ze me in een soort gymzaal waar een judomat op de grond ligt. Ik mag vrij door de ruimte bewegen. Ze legt me kort en bondig uit hoe mijn hersenen werken en wat er bij die van mij waarschijnlijk gebeurt. Ik heb ze iets aangeleerd, die hersenen van mij. Ik heb ze aangeleerd wat ze moeten doen als de nood aan de man in. Ze zijn daar bijzonder goed in geworden. Dat verdient applaus. Als de nood aan de man is, ga  ík sowieso overleven, zo veel is duidelijk. Ik ben namelijk bijzonder goed in: alle overbodige shit, zoals de liefde en ander gedoe, op de reservebank zetten, mijn vleugels om mijn kinderen slaan en hard werken. Dat  is mooi te weten. Alleen er ís geen noodsituatie, all is clear verdomme. En hoe moet dat dan?

De lichaamsgerichte therapeute houdt mijn hand vast, ook als ik haar liever een mep wil verkopen. Vervolgens hangt ze me in de watervalhouding. Een yogahouding die ik van mijn yogajuf alleen maar ken als de staande vooroverbuiging. Volgens de lichaamsgerichte therapeute komt de pijn in mijn lage onderrug van de angst die ik daar heb vastgezet. Ik geloof haar onmiddellijk. Ik probeer al maanden met man en macht van de pijn af te komen en niks helpt. Ik probeer ook al maanden van de liefde af te komen en ook daar helpt niks. Volgens mijn cortex verkeren we in een noodsituatie en dus moet alle gedoe eruit, moeten de vleugels om de kinderen geslagen worden en moet ik aan het werk. Maar mijn lief ís helemaal geen gedoe, hij is vooral lief. Mijn kinderen zijn inmiddels tamelijk in de buurt van volwassenheid en vinden mijn vleugels een beetje goor en mijn boek is af en daarmee zou ik het werk best even kunnen neerleggen.

Ik moet in de watervalhouding zodat alle nood via mijn ruggengraat de ondergrond in kan stromen. All is clear. Mijn yogajuf weet precies hoe dat moet. Ik ga naar de les. Doei.

Kleigrond

Ik fiets door het dorp waarin ik ben opgegroeid. Ik verliet het op mijn zeventiende en wist niet hoe snél ik er weg moest komen: van het dorp, van mijn ouders, mijn ouderlijk huis, mijn leerkrachten, het platteland. Ik vertrok naar het buitenland. In de jaren die volgden kwam ik er alleen terug voor verplichte bezoekjes. Ook dat is inmiddels ook al weer jaren geleden; ik weet allang hoe mooi mijn geboortegrond is.

Nu fiets ik van de camping naar mijn ouderlijk huis. Ik volg een stuk van de route die ik als meisje liep met de hond. Het is prachtig. Vroeger was de Regge een lelijke plomp, nu slingert hij sierlijk door een weelderig landschap. Van mijn ouderlijk huis, waar al sinds een kleine eeuwigheid onbekenden in wonen, fiets ik naar het dorp, langs de tweedehands boekenwinkel waar ik vroeger zo graag kwam, langs de bieb. In gedachten ben ik bij mijn kleine broertje die ik vroeger wel eens achterop zette en meenam voor een tochtje. Ik moet hem hebben omgekocht met een ijsje. Ik was dol op hem. Zó dol. Mijn vriendinnen hadden een suffe babypop, maar ik kreeg een broertje toen ik zeven was. Toen hij wat ouder werd, was hij mijn getut snel zat. Hij veegde mijn kusjes af, liet me niet meer in zijn nek kroelen, maar wilde met onze grote broer mee op pad.

Het is vroeg. Het dorp is stil. Hoewel het zondag is, is er ook voor de kerk niemand te bekennen. In de pastorie huist een makelaarskantoor. Op de deur hangt een bordje waarop staat wanneer er de komende tijd nog een mis is. Vroeger zong ik in het jeugdkoor. Als er gevraagd werd wie er wilde voorzingen priemde mijn vinger bijkans tegen de kroonluchter.

Gisteren vierden we de zeventigste verjaardag van mijn vader. Het was een prachtige dag. Mijn vaders oudste twee kinderen waren er en zijn beide kleinkinderen. De kinderen van zijn vrouw met hún kinderen. Tijdens mijn fietstocht realiseer ik me hoeveel er is verschoven gedurende mijn leven: ik kreeg nieuwe kunstouders en nieuwe kunstbroers- en zussen, aan beide kanten. Ik nam de vader van mijn kind mee, verloor hem uit het oog, vond een nieuwe, liet hem achter en kwam nu alleen naar familiegelegenheden. Ik dacht aan de huizen waarin ik had gewoond, die ik had opgeknapt en waar ik had liefgehad. Die ik weer had verlaten. En ik dacht aan mijn broertje die steeds meer begint te lijken op een hoofdpersonage uit een film die je ooit hebt gezien. Die je ooit honderd keer hebt gezien omdat je er zo dol op was. Waarvan de videoband al jaren achterin een kast ligt. Hij is onbruikbaar. Als je hem aanzet, loopt ie geheid vast. Je probeert het niet meer.

Het leven is vol. Misschien geldt dat niet voor ieders leven. Míjn leven is vol. Vaak loop ik ervan over. Vaak hol ik erachteraan. Vaak denk ik: ‘stop de tijd, in godsnaam- stop de tijd!’

Omdat ik niet bij kan houden wat er allemaal gebeurt. Soms is het ineens allemaal goed. Dan blijf ik even staan. Zet de fiets tegen een lantaarnpaal, kijk uit over het landschap, stap met mijn voeten in de klei en realiseer me wat ik allemaal ben kwijt geraakt in de loop van de tijd en vooral, wat ik allemaal heb gekregen en misschien nog even mag houden.

Angst II

Met een 4-havo klas zouden we naar Keulen. Mijn wekker was die dag om kwart over zes afgegaan en ik had de uren ervoor liggen woelen in mijn veel te warme bed. Het was net na achten toen ik het klaslokaal binnenkwam, er stond koffie klaar. Docenten hadden rugtassen mee waarin lunchpakketjes zaten. De leerlingen hingen nog op de gang. Chagrijn was er ook. Best veel.

De leerlingen waren een aantal weken bezig geweest met de vraag wat het spannendste in de wereld zou zijn om te doen. Een onderzoeksvraag die ze zelf hadden. Aan de hand van een kunst-en cultuurroute gingen ze op zoek naar antwoorden. Voor vandaag stond het EL DE Haus in Keulen op het programma. Een voormalig Gestapo hoofdkwartier waar jongeren in de leeftijd van 13 tot 18 jaar tijdens WOII vast hadden gezeten. Toen één van de begeleiders met een goed en informatief verhaal de dag opende, wisten we nog niet dat deze jongeren, gewoon jongeren waren. Jongeren die bij een clubje zaten, een wandelclubje of een dansclubje dat langzaamaan Hitlerjugend werd. De Hitlerjugend waar de regels steeds meer werden aangescherpt en de consequenties steeds groter werden. We wisten nog niet dat ze soms maandenlang met z’n dertigen in een kleine cel zaten waarin geen toilet te vinden was, geen bed, geen water.

4havo was liever gaan skydiven om erachter te komen wat angst was, daar kregen we in de bus mooie gesprekken over. Het was een reis van bijna drie uur, we hadden alle tijd om verwachtingen te bespreken en hoe stom musea zijn. Van angst leek weinig sprake. We verbaasden ons om het schaamteloze meezingen dat ze deden op de muziek uit de draagbare boxen achterin de bus.

Afgesproken was dat ik na de lezing en de rondleiding in het EL DE Haus een schrijfworkshop zou geven. Ik had geen les voorbereid. Ik geef inmiddels lang genoeg les om te weten dat dat onmogelijk is; een les als deze voorbereiden. Je moet het doen met wat zich aandient immers, anders kun je het net zo goed op school zelf doen. Dat had me zes uur reistijd gescheeld.

Het EL DE Haus bevindt zich midden in de stad Keulen. De bus parkeerde voor de deur. We doken toiletten in om volle blazen te legen en verzamelden in een klein lokaal op de bovenste verdieping waar we een presentatie over de geschiedenis van het huis kregen. Bij sommige foto’s werden we vooraf gewaarschuwd; als we geen gruwelijke beelden wilden zien, was dit het moment onze gezichten in onze handen te verstoppen.

Na de lezing dwaalden we door het gebouw, trappen af naar de koude kelders waar de cellen waren, nog meer cellen, nog meer trappen, steeds minder buitenlucht en steeds meer inscripties op de muren: Wenn keiner an dich denkt deine Mutter denkt an dich. Hans Weinsheime 1944.

We komen buiten uit, op een binnenplaatsje waar de zon tegen alle bespiegelde muren aan knalt. Brutaal bijna. Hier hebben de galgen gestaan. We roepen 1944. Zeven galgen waar iedere week zeven kinderen aan werden opgehangen. Van twee kanten kijken vijf hoog appartementen uit op het binnenplaatsje, die waren er toen ook al. Daar hebben mensen gewoond die gedurende de WOII ongevraagd wekelijks getuige waren van ophangingen van kinderen. Kinderen die aangesloten waren bij de Hitlerjugend omdat dat verplicht was. Ze hadden verzet getoond. Misschien hadden ze stiekem een jazzmuziekje gedraaid of iemand gekust.

Het is daar dat we gaan schrijven.

Op de binnenplaats zitten zesentwintig jongeren op de grond met een blocnote en een pen. Ze schrijven een brief aan iemand die hier aan de galg eindigde. Een leeftijdsgenoot. In de gebouwen naast ons kijken opnieuw mensen naar beneden.

Als de brieven af zijn, vraag ik wie uit de groep wil voorlezen. De schroom is groot. Iemand vertelt me dat ze bang is dat het niet goed genoeg is wat ze heeft geschreven. Iemand zegt dat ze bang is dat ze wordt uitgelachen. Iemand zegt dat het onveilig voelt omdat de docenten niet hebben meegeschreven. Er is angst. Opnieuw. Op dit plein. Dat zingen we eruit, in de bus op de terugweg. Uit volle borst. Vals en zuiver. Jong en oud. Zwart en wit, roze, rood en blauw. Want we gaan veilig naar huis.