Wie is de baas?

Ik heb een hond. Ik ben haar baas. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Als ik zit zeg, gaat zij zitten. Zij wacht, haar blik op mij gericht, op haar eten en hapt pas toe als ik het commando geef: een knip met mijn vingers.

Als iemand anders dat probeert komt ze niet in beweging. Ik ben haar baas, haar énige baas.

Ik heb ook kinderen, twee stuks. Vroeger was het eenvoudig te geloven dat ik ook van hen de baas was. Ze lieten zich gewillig luiers en kleertjes aantrekken, die ik voor ze had uitgekozen, aten wat ik ze voorschotelde en gingen slapen nadat ik ze had ingestopt. Die periode duurde niet zo heel lang. Al snel ontwikkelden ze een eigen mening en gingen we, als vanzelf herhaaldelijk in overleg waarbij ik toch nog heel lang het beslissende laatste woord had. Inmiddels is de oudste achttien. Hij maakt plannen om op zichzelf te gaan wonen. Hij vraagt me nog wel regelmatig om advies maar van gezag is zeker geen sprake meer. Ik voel me daar prettig bij en hij, zoveel is zeker, ook.

Ik ben opgevoed door lieve maar conservatieve ouders. Ouders die CDA stemden, bij tijd en wijle heel fanatiek naar de kerk gingen (vooral als het niet zo lekker ging) die vonden dat een man de rekening behoorde te betalen en een vrouw er voor de kinderen moest zijn, dat je niet moest gaan studeren als dat niet nodig was, dat je normaal moest doen tegen iedereen en extra normaal tegen iedereen die wat te vertellen had. Dat laatste noemden we dan respect.

Dat respect voor de bazen van de wereld werd me dus met de paplepel ingegoten. Ik had dus respect voor mijn eerste baas, de eigenaar van de friettent op de hoek, en voor al mijn bazen daarna, ook de bazen van het dorp, de wethouders en de burgervader die ik alleen eens per jaar zag, naast Sinterklaas, ook een baas trouwens. Mijn respect was eigenlijk geen respect maar bewondering. Ik had bij voorbaat bewondering voor iedereen die iets te vertellen had.

Hoe ouder ik werd hoe vaker ik de bazen van het land stom begon te vinden. Ik was niet alleen niet meer voortdurend onder de indruk, ik was het zelfs regelmatig niet eens met wat ik hoorde op het journaal of las in de krant en tenslotte kwam het tot het punt dat ik de bazen van het land ronduit stompzinnig vond. Het duurde even voor ik in de gaten kreeg dat niet zij stompzinnig waren, maar ik zelf een stukje slimmer dan ik had gedacht. Ik bleek gewoon in staat mee te doen in de grote mensen wereld. Wat een geruststelling.

Baas is eigenlijk een stom woord. Ik denk dat we binnen nu en vijf jaar een #geenbaasmeer actie kunnen verwachten van mensen die vinden dat dat woord niet meer kan. Want kun je van iemand de báás zijn? Van een domein, een gemeente, een land, een wereld? En wie bepaald dat dan, wie is dan de baas van de baas en diens baas en diens baas en wat als de laatste baas ontslag neemt? Of is het eigenlijk ook wel fijn, als we het zelf niet meer weten, dat er een baas is? Als er moeilijke beslissingen genomen moeten worden bijvoorbeeld, dat we met z’n allen kunnen zeggen, ja dat weet ik niet hoor, vraag dat maar aan de baas, die gaat erover. Tja, ook weer waar.

Ik heb een hond. Ik ben haar baas. Daarover bestaat geen enkele twijfel. Als ik zit zeg, gaat zij zitten. Zij wacht, haar blik op mij gericht, op haar eten en hapt pas toe als ik het commando geef: een knip met mijn vingers. Dat komt omdat de hond zonder mij de zak brokken niet open krijgt. Zij is niet zo stóm dat ze een baas nodig heeft, maar slim genoeg om te weten dat ze het beste maar kan luisteren omdat ze anders niet te vreten heeft. Ik noem me overigens nooit haar baas. Ik noem de hond bij haar naam, Lucy, snap dat ze mij evenveel geeft, zo niet meer, als ik haar. We vertrouwen elkaar en gaan samen door het leven en doen daarbij allebei waarin we goed zijn. Ik scheur de zak brokken open en zij kruipt bij mij op de bank. Ik vlij me tegen haar aan en zij legt haar kop op mijn schoot.

Er zijn bazen in de wereld die baas zijn omdat zij het nodig hebben de baas te zijn, harder dan dat de ander het nodig heeft een baas te hebben, of déze baas te hebben. Daar zijn er best veel van momenteel. Ze zijn vergeten wat de bedoeling is van het baas zijn, namelijk het grotere belang dienen. Deze bazen beangstigen me.

Er zijn ook bazen in de wereld die baas zijn omdat de wereld ze nodig heeft en zij het aandurven die wereld (of een klein stukje daarvan) te vertegenwoordigen. Dat zijn doorgaans de goeie.

Ik geloof graag dat die bazen in de meerderheid zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Laat je raken

 

Soms heb ik een flink stuk hout nodig om even open te barsten. Zo gaf de grote eik waar ik tegenaan liep twee jaar geleden, het startschot van mijn burn-out. Deze week liet ik een houten plank op mijn hoofd vallen en kon ik eindelijk huilen. Nou ben ik een redelijk goede huiler, moet ik bescheiden toegeven. Ik laat mij graag en goed raken, zoveel wist ik al. Maar soms gebeurt er iets waar je toch alleen maar van kunt stilvallen.

De plank lag bovenop een boekenkast op me te wachten en twijfelde geen milliseconde toen ik een klein tikje tegen de kast gaf. Hij kwam met het stalen hoekje op mijn slaap terecht. Auw.

Ja inderdaad, het deed verdomde pijn en even zag ik sterretjes maar de tranen die voluit kwamen op de fiets naar huis hadden niets meer te maken met de bonzende koppijn. De tranen gingen heel ergens anders over. Ik wist zelf direct waar ze vandaan kwamen en was blij dat ze eruit kwamen. Ik was weer eens geraakt, niet alleen door de plank.

Een paar dagen later liep ik (de koppijn was inmiddels gezakt) in het Bonnefantenmuseum in Maastricht waar een expositie gaande is van Kahlil Joseph, een jonge, Amerikaanse filmmaker. De dame bij de infobalie gaf met een kritische blik te kennen dat zij het een bevreemdende tentoonstelling vond. Bevreemd te worden lijkt me nu precies de juiste reden om naar een museum te gaan. Dat wat ik begrijp, hoef ik niet meer zo nodig te onderzoeken.

De expositie New Suns krijgt volop de ruimte in het Bonnefanten. Dromerige films worden in de één na de andere zaal getoond, waarbij de ruimte, het licht (en vaker nog het donker) en muziek onderdeel is van de voorstelling. Dromerig ja, van prettig en opzwepend tot vaker nog verontrustend en (inderdaad) bevreemdend. Het is een trip als je in staat bent het begrijpen los te laten, wat volgens mij een voorwaarde is voor prettig museumbezoek. Liep ik het eerste moment nog onbevangen en vrolijk de ruimte binnen, na een paar minuten al merkte ik op dat ik mijn nagels hard in mijn handen drukte van spanning. In een volgende zaal liepen de koude rillingen over mijn rug, in de volgende slikte ik een restje verdriet weg, in de laatste deed ik een dutje in een stapel fatboys. New Suns is zeer de moeite waard, wil ik maar zeggen.

Maar wat me erna aan het denken zette, was het besef dat ik in staat ben mij te laten raken. Dat lijkt voor de hand liggend maar dat is het niet. Op mijn leeftijd (42) is niemand nog onbeschadigd. De meeste mensen die ik ken zeulen een aardige bagage met zich mee, al dan niet voor een groot deel verwerkt. Niet iedereen blíjft in staat zich te laten raken. Sommigen verharden, verzuren, bouwen muren of kruipen weg als je te dichtbij komt. Zo is het nu eenmaal. Om het feit dat ik me laat raken vervloekte ik mijzelf vorige week nog even. Maar toen ik het museum uitliep wist ik weer dat ik niet anders zou willen. Dat ik liever mijn kop stoot zo nu en dan, dan nooit meer tranen.

 

Je kunt er niet omheen

Ik heb een aantal keer in mijn leven de beslissing over leven en dood moeten nemen, of heb genomen. Want wat móet je nou werkelijk in je leven? Zo maande ik een arts mijn oma uit haar lijden te verlossen (wat natuurlijk niet gebeurde), vond mijzelf in twijfel over een vrucht in mijn schoot (waarover wellicht een andere keer meer), voerde het mereljong dood in een poging het te redden en liet eerder al een keer mijn oude, zieke hond inslapen.

Ooit op een mooie herfstdag werkte ik in de tuin. Toen ik de GFT-bak wegreed kwam daar een opengereten pad onder vandaan. Zijn buikje lag open, ingewanden zichtbaar. Kennelijk had hij een plekje gevonden in het wiel van de bak en met dat ik die wegreed, spleet ik hem open. Hij leefde nog. Er zat niets anders op, dan hem zo snel mogelijk uit zijn lijden verlossen, al was ik duizend keer liever omgedraaid en weggelopen. Ik bedekte hem met het kleurige herfstblad en liet een zware stoeptegel op hem neerkomen. Daarna moest ik zelf hard huilen.

Voor mij is het leven niet heilig. Ik geloof niet in God en wonderen, heb niets met religie behalve dat ik het mooi vind dat anderen er iets aan hebben. Ik denk dat het leven een mazzeltje is, een perfect sappige appel die je ziet hangen juist als je dorst hebt en je flesje water bent vergeten. Pak het, vreet het op tot het klokhuis en dat is het. Maar dat geldt voor het individu. Wat er allemaal gaande is tússen al dat levende organisme is wonderlijk in mijn ogen. Dat kan alleen maar gaan over grootste woorden; liefde, dankbaarheid, respect. Jezus man, je zou er bijna van gaan geloven en dat doe ik ook. In precies dat.

Vandaag liet ik een van mijn twee honden inslapen, na weken van aanmodderen, het beestje uit haar mandje tillen, toedekken en voeren, werd me langzaamaan duidelijk waar mijn behoefte stopte en het alleen nog ging om die van haar. Ze stierf in mijn schoot. Ik bedankte haar en zei me dat het me speet, omdat je nooit helemaal zeker kunt weten wat in deze de juiste beslissing is. Verdriet.

Nu zit ik alleen op de bank, met op mijn been de kop van de andere hond. Er branden kaarsjes in huis, de verwarming is aan. De kinderen zijn hun heil even bij vrienden gaan zoeken, straks zullen ze naast me kruipen. De klok van mijn dode oma tikt, dat stelt me gerust. Ik verheug me op kerst, waarin we ook hier zullen zijn, met de deuren dicht en de agenda’s leeg, met lekker eten en bokbier, Monopolie en Katan, met lieve mensen en liefde. Omdat je het maar beter beleven kunt, ook al houdt het ooit op.

Ik denk dus ik besta maar ben ik ook wat ik denk?

Eén van mijn twee honden is ernstig ziek. Het is de minst leuke van de twee. De hond waar ik het minst van houd. Ja, ik kan het ook niet helpen en dat is nu juist het probleem. Hier thuis grappen we erover; Lucy is de hond van Heidi, en Luna is de hond van Lucy. Zo voelt het ook ongeveer.

Ze was al ziek toen ik haar in huis nam en de ziekte manifesteert zich nu in ernstige mate. Ik sta aan de vooravond van een beslissing over haar leven. Behandelen of afronden. Wat is het waard? Wat is het mij waard en wat is het haar waard? Maar belangrijker nog; hoe houd ik die twee zaken uit elkaar? En waarop baseer ik vervolgens mijn besluit?

Regelmatig bevind ik mij in situaties waarin ik de dringende behoefte voel mijzelf eens ernstig aan de tand te voelen. Situaties waarin ik handel vanuit een verstandelijke overweging en mijn hart zich hevig verzet. Of omgekeerd. Vaak zijn het zaken waarin angst een grote rol speelt. Zo smijt ik de deur wel eens dicht als ik dreig gekwetst te worden, word ik boos op een ander terwijl ik feitelijk boos ben op mijzelf of loop weg uit een gesprek omdat ik het niet aan kan. Maar ook eigenbelang is er een die de boel aardig kan verstoren. Het duurt soms even voor me duidelijk word dat ik iets zeg te doen voor de ander maar in werkelijkheid doe voor mijzelf. Interne conflicten. Ik vergeef mijzelf dat onvergeeflijke gedrag op één voorwaarde; dat ik de tijd die ik gebruik mij terug te trekken, de monsters tevoorschijn laat komen om ze recht in de bek aan te kijken. Mijzèlf recht in de bek aan te kijken. Onder ogen durf te zien wat er werkelijk gaande is en erop kan terug komen. Als de ander, wie dan ook, bereid is dit onderzoek aan te gaan, komen we er altijd uit.

Het onderzoeken van mijzelf verloopt doorgaans op dezelfde wijze. Ik trek mijn kaplaarzen aan, verlaat de bewoonde wereld en luister alleen nog naar mijn voetstappen in de kleigrond. Gaandeweg word me duidelijk wat de onderliggende angst is. Bang om slecht te zijn is er één die regelmatig aan de oppervlakte verschijnt. Bang om verkeerd begrepen te worden. Bang om te verliezen. Bang dus.

Angst is een woord dat de laatste jaren volop circuleert als iets wat we de baas moeten zijn. We laten ons immers niet bang maken! Maar angst is voor mij de grootste graadmeter van mijn zielenleven. Is er geen angst, dan staat er doorgaans niets van waarde op het spel. Ofwel omdat er volop vertrouwen is, ofwel omdat dat wat op het spel staat, weinig waarde heeft. Is er wel angst, dan dóet het ertoe.

Eigenlijk gaat het er voor mij niet om wat de ander vindt van mijn conclusie. Ik wil in staat zijn zuiver te handelen in dat wat ik doe. Dat betekent dat mijn belang voorop mag staan zolang ik daar eerlijk over ben. Maar ook dat als ik in staat ben de anders belang voorop te laten staan, ik dat onvoorwaardelijk doe. Dat laatste is verdomde lastig maar gelukkig kun je het daar dan weer over hebben. Er is niets mis met aan jezelf te denken, sterker nog, ik vind mijzelf de belangrijkste persoon van mijn wereld. Zonder mij zou ik er niet zijn. Het gaat erom dat ik zuiver denk en handel naar mijzelf en vervolgens naar de ander. Is het niet in eerste instantie dan wel in tweede.

In het geval van de hond wordt het mij gemakkelijk gemaakt. Een goede boom met haar opzetten over het onderwerp heeft geen zin. Maar met dat ik dit tik, realiseer ik me dat ik de behandeling een kans wil geven. Omdat ik er liever een einde aan maak en dat dan net iets te veel voor mijzelf zou doen.

 

 

#Me too

Ik keek als tienermeisje naar de Amerikaanse comedyserie Who’s the Boss en was gefascineerd door de ogen van Alyssa Milano. Ik vond haar prachtig, wilde niets liever dan dat mijn helderblauwe ogen op slag zouden veranderen in die zwarte poelen van haar, mijn blonde krullen in die steile, donkere lokken van het tieneridooltje. Ik keek óók naar haar lijf, die blote schouders, die nek, ze gaf me de rillingen. De grappen in de serie lieten me koud. Ik keek naar die serie om háár te zien.

Dezelfde Alyssa Milano startte onlangs de #metoo campagne. De campagne die ‘viral gaat’ en vrouwen oproept zich uit te spreken als ze ooit te maken hebben gehad met ‘sexual assault or harrasment’. Het zijn er nogal wat, vrouwen die ooit in hun leven te maken hebben gehad met een seksuele aanval of seksueel zijn lastig gevallen. Dat verbaast me niet. Ik vraag me de hele week al af of ik mij moet uitspreken. Niet omdat ik moet nadenken of ik tot de juiste categorie behoor, maar of ik zin heb om me tot een groep te laten indelen. Voor dat laatste ben ik lichtelijk allergisch.

De berichten over verkrachtingen, aanrandingen, weigeringen en afwijzingen vullen het digitale luchtverkeer. Maar voor ik een besluit heb kunnen nemen over wat te doen met mijn eigen verhalen zie ik ook berichtjes voorbij komen als; ‘ik word regelmatig nagefloten, zóóó irritant’ en; ‘ik word regelmatig ongevraagd aangeraakt’, en dat plaatst alles in een nieuw daglicht. Het eerste wat ik denk is namelijk; gelúkkig word ik wel eens nagefloten, en; wat fíjn dat ik wel eens ongevraagd wordt aangeraakt! Is er nu iets mis met mij Dr. Corrie? Ik denk zelf van niet.

Nagefloten worden, bekeken worden of ongevraagd aangeraakt worden is voor mij niet per definitie ongewenst. Ik maak mijzelf daaraan ook met enige regelmaat schuldig. Sterker nog; ik vraag nóóit toestemming voor ik iemand aanraak, kijk iemand die mijn blik vangt met enige regelmaat langer aan dan strikt noodzakelijk en ik flirt ook nog eens zonder dat ik daarvoor toestemming vraag! Ik kan me niet voorstellen dat Alyssa dát bedoelde toen ze de tweet de wereld in stuurde. Ik vermoed dat ze het heeft over iets anders: (R.E.S.P.E.C.T?)

Mijn dochter was een jaar of acht toen ik met haar in haar kamer een gesprek voerde over wat je doet als iemand iets van je wil wat je níet wilt. Ik had het niet over mannen in het bijzonder maar over íemand, anybody. Ik wilde haar leren haar grenzen te voelen en zich op geen enkele manier te schamen voor het aangeven van deze. We probeerden het spelenderwijs uit. Stonden allebei aan een andere kant van de kamer en ik liet haar zich inbeelden dat ik iemand was, anders dan haar moeder bij wie ze in bed kruipt, met wie ze totaal zichzelf kan zijn en die ze vertrouwt boven alles en iedereen in de hele wereld. Ze was jong maar ik vond het van groot belang dat ze zich bewust was van het feit dat ze baas is van haar eigen zelf. Ik wil voor haar het voorbeeld zijn van een vrouw die met gespreide benen in de wereld staat. De spreidstand zorgt immers voor een bijzonder stevige stand, voeten goed geworteld in moeder aarde. Als iemand, wie dan ook, ook ik, over haar grenzen gaat, moet ze in staat zijn STOP te roepen. IK WIL DIT NIET. Ik leer haar dat je je als mens moet inzetten om te voorkomen dat iemand over je grenzen gaat. Dezelfde les, leer ik overigens mijn zoon ook.

Inmiddels is ze dertien, we herhalen dit spel met enige regelmaat. Ik kan haar nooit volledig behoeden voor de idioten op de wereld, daarvan ben ik mij terdege bewust, maar ik kan haar wel leren in haar kracht te staan.

Het is naar dat we in een wereld leven waarin zo’n groot deel van de vrouwen zich aangesproken voelt als ze ingedeeld worden in de categorie ‘seksueel belaagde vrouw’. Daarover hoeven we het niet te hebben. Dat irritant in deze een understatement vanjewelste is, is nogal gênant te moeten tikken. We hebben het over slopend, kwetsend, kapotmakend. Je eigen zijn als mens moeten beschermen tegen een ander mens is voorbij alle waardigheid. Wie snapt dat niet? Het is een cultuur waar we láááng over hebben gedaan die zo op te bouwen. Dat het tijd is het tij te keren is zo logisch als het feit dat we moeten ademhalen. Daarover geen discussie. Hoe we dat gaan doen is een vraag waarop niet één antwoord mogelijk is. Nee. Ik moet zeggen; hoe we dat gaan doen is een vraag waarop gelúkkig niet slechts één antwoord mogelijk is. Het enige antwoord is níet dat mannen zich moeten realiseren dat ze respect moeten hebben voor een vrouw. Die les op zích is al belachelijk. Het onderwerp is zoveel groter dan dat. Het gaat natuurlijk over respect van ons allen ten opzichte van ons allen, wie dan ook ten opzichte van wie dan ook. Respect betekent dat je de ander ziet als een waardig persoon, hoe anders hij/zij ook is dan jijzelf bent, hoeveel slimmer of dommer, of knapper, of lekkerder dan jijzelf bent. Dat je, wat je met die persoon zou willen doen, bewaart in een hokje in je dromen totdat je merkt dat die persoon je uitnodigt een stap te zetten. Niet alléén omdat je de ander pijn wilt besparen maar vooral omdat je jezelf gunt iemand te zijn die in liefde in de wereld staat. Liefde voor elkaar, ongeacht geslacht of leeftijd. En, het allerbelangrijkste voor jezelf. Laten we daar eens mee beginnen.

 

 

 

Groot groter kleinst

Precies twee jaar geleden liep ik (op klaarlichte dag en zònder een druppel alcohol in mijn donder) met mijn hoofd frontáál tegen een boom. Het werd de oorzaak van een hersenschudding en het startschot van een burn-out.

Van de hersenschudding leek ik maar moeizaam te herstellen. Dat vond ik vreemd: dat moest ik toch binnen een week of wat onder de knie kunnen krijgen? Maar het tegendeel bleek waar: hoe meer ik dacht dat ik erbovenop zou komen, dat ik mijn eigen blije, energieke, immer-positieve-alles-aan-kunnende-zelf zou worden, des te verder raakte ik van die persoon verwijderd. En zo veranderde ik, in rap tempo, in een klein, bang muisje, dat niet meer sliep en niet meer at en dat bang, bang, bang in een hoekje op de bank zat. Na enkele weken werd mij, en ook de huisarts, duidelijk dat de hersenschudding slechts bijzaak was.

Die boom was toeval. Het feit dat ik ertegenaan liep onoplettendheid. Toch weet ik zeker dat, als het de klap tegen de boom niet was geweest, er iets anders was gebeurd. Iéts was er nodig om mij stil te zetten, om mij te stoppen. Ik stopte een half jaar.

Vanavond was ik eten met Wim. Wim was destijds mijn opdrachtgever. De opdrachtgever die ik moest bellen om te zeggen;   ‘Het gaat niet, Wim.’

‘Wat niet, meisje?’

‘Alles niet. Niets van wat ik gezegd heb dat ik zóu gaan doen, kan ik waarmaken.’

De angst die ik voelde om de mensen rondom mij teleur te stellen was, waar mogelijk, nog groter dan de angst die ik had om mijzelf teleur te stellen.

Het kwam kort ter sprake vanavond tijdens het etentje, waarin we nieuwe plannen smeedden. Dat ik eigenlijk nooit volledig ben hersteld al zijn er dus inmiddels twee jaar verstreken. Ik ben niet meer de oude geworden en realiseer mij inmiddels ook, dat ik dat nooit meer worden zal.

Is dat iets wat ik betreur, vroeg ik me af, toen ik naar huis fietste?

Twee jaar waarin ik eerst totaal bodem moest raken, tot op de graat afgekloven, teruggeworpen op mijn een-meter-vijf-en-zeventig-met niets meer dan dat. Waarin ik eerst opnieuw heb moeten leren rusten, slapen, herstellen, vergeven, stilstaan, nee zeggen, dat-kan-ik-niet-zeggen, dat-wíl-ik-niet-zeggen. Twee jaar waarin ik de balans heb opgemaakt, nieuwe balans heb gevonden, rustmomenten heb leren inlassen, meningen heb laten varen, meer ben gaan yogaën, zonder telefoon ben gaan wandelen, mij niet meer heb laten afleiden, mij wèl weer heb laten afleiden, appjes opnieuw op mijn telefoon heb geïnstalleerd, mijn telefoon weer meenam uit wandelen.

Het voordeel van rock bottom raken is dat je weet waar rock bottom ligt, niet persé dat het je geen tweede keer overkomt. Sterker nog, uit onderzoek is allang gebleken dat wie eenmaal rock bottom raakt, het een tweede keer ook gemakkelijk weet te halen. Ik ben daarop geen uitzondering, maar dat is niet voor nu. Soms zijn het kleine dingen die mij even doen herinneren. Een hoofdpijntje, een snauw, een onderbuik-gevoel. Altijd is er iets dat mij terug leidt naar mij en naar dat wat ik werkelijk wil voor mijzelf. En dat is zo godsgruwelijk eenvoudig dat ik, als ik er eenmaal naar kijk, zelf niet snap waar ik zo moeilijk over doe. Ik wil eigenlijk alleen maar schrijven. Ik wil met mijn geliefden zijn. Ik wil er voor mijn geliefden kúnnen zijn. Ik wil goed doen in mijn kleine wereldje, want ik geloof dat als we dat allen doen, het zo eenvoudig mooi is. Ik wil klein, kleiner, kleinst en daarin alom groot zijn. Niet groter dan een ander, júist níets groter dan een ander. Dat vergeet ik nog wel eens, maar niet voor lang. Nooit meer voor lang.

 

 

Man

Er is een man in het vizier. Net nu ik me voorgenomen had alleen nog maar op vrouwen te vallen, godverdomme. Ik denk de hele week al aan hem en dat slaat nogál nergens op, vooral omdat ik hem op het eerste oog niet eens bijzonder aantrekkelijk vond ofzo. Die eerste keer was afgelopen zomer. Dat hij mij wel bijzonder aantrekkelijk vond, had ik wel in de gaten en dat maakte hem toch weer een stuk aantrekkelijker. Of vond ik hem nou wèl aantrekkelijk? Ik weet het goddomme niet meer.

Ik ben ziek thuis. Al honderd jaar en het gaat maar niet over, de griep. Of de tering dat kan ook. Iedere dag word ik een stukje lelijker. Als de man me nu zou zien, zou hij zich omkeren, zoveel is zeker. Misschien moet ik hem even opzoeken. Het kan maar afgelopen zijn. De griep duurt al tien dagen. Ik vind het voldoende om morgen weer naar mijn werk te gaan. Er komt een punt in ieders griep dat je het einde moet afdwingen. Het waren tien lamlendige dagen met een prettige onderbreking op de Hoge Veluwe, waar ik wonderwel aardig kon doen alsof ik géén griep had. Bij thuiskomst viel ik jammer genoeg meteen door de mand, met koorts en de hele santenkraam. Ik houd er niet bepaald veel van, wanneer de controle over mijn eigen zelf mij wordt ontnomen. De griep en die man hebben iets gemeen.

Ik kijk op mijn telefoon. Nog eens en nog eens. Tijdens mijn uitgebreide middagwandeling, waarin de honden mij langs de Waal sleuren, laat ik mijn telefoon thuis zodat ik kan nadenken over mijn nieuw op te zetten verhaal. Al dagen denk ik echter níet na over mijn verhaal, maar probeer ik uit te pluizen waaróm ik nou toch de hele tijd aan die man denk. En wat dénk ik dan helemaal? Ik bedoel; hoevéél kun je over iemand denken? Het gaat ongeveer zo: hoe ziet hij er ook al weer uit? Oja, zo ongeveer. Zal hij nog iets laten horen? Even checken, Oh nee mijn telefoon ligt thuis. Godverdomme.

Het zijn bepaald geen verlichtende gedachtes. Misschien komt het door de griep. Maar waarom ben ik geen eigen baas over mijn hoofd? Dát wil ik wel eens weten. Ik ben goddomme een nieuw verhaal aan het schrijven! Er ligt werk zát klaar voor twéé bundels en komend jaar ga ik afstuderen! Er is méér te doen dan in cirkeltjes te denken over een man!

Ik mail mijn therapeut. De therapeut die ik anderhalf jaar geleden verliet (hoho als cliënt) omdat ik vond dat ik klaar was. Ik herinner me nog goed zijn geruststellende woorden; “als er ooit weer een man ten tonele verschijnt, dan kom je eerst even met mij praten.” Dat lijkt me nu een goed idee. Ik mail hem om een afspraak te maken. Ik ga ervan uit dat hij mij binnen afzienbare tijd weer tot mijn betrekkelijk normale toestand kan brengen en die gedachte alleen al stelt me gerust. Hij mailt me vrij snel terug, binnen kantoortijd zeg maar. Ik moet een “intake” doen waar een “bijzitter” bij aanwezig zal zijn, mijn “casus” zal dan besproken worden met het “team” waarnaar een “behandelplan” zal worden opgesteld.

Ik bedank.

Ik vraag die man gewoon mee uit. Het kan maar gebeurd zijn.

 

 

 

 

Bepaald geen Pussy Riot

Soms word ik tijdens het schrijven ineens gestopt door mijn verstand en ontstaat er een innerlijke monoloog die als gevolg heeft dat het schrijfsel slechts half af komt. Ik had het er van de week nog over met vrienden die kwamen eten. We namen in rap tempo alle belevenissen van het afgelopen half jaar door en spoelden die weg maar een aardig flesje wit. Ook deze blog kwam ter sprake. Grof van Koren doet toch een beetje vermoeden dat ik helemaal los ga, ongeremd schrijven over alles wat er op mijn pad komt. Dat is ook wat ik wil, maar soms word ik dus tijdens het schrijven ineens gestopt door mijn verstand.

Zo wilde ik een tijdje geleden een stukje schrijven over mijn ervaring met een grote uitgever. Ik had een verhaal ingezonden en werd naar aanleiding daarvan uitgenodigd om te komen praten. Het was leuk. Je zou kunnen zeggen dat er wederzijdse interesse was. Ik liet een grote stapel werk achter en vertrok huppelend. In het jaar daarop werkte ik het verhaal dat hij had gelezen en waarover hij enthousiast was geweest, uit tot een roman. De redacteur las mee, hield zich nooit aan zijn afspraken maar dan toch uiteindelijk wel en ik nam daar genoegen mee. Ik kreeg louter positieve feedback, hoewel nooit langer dan drie regels. Er was van zijn kant kennelijk geen ruimte om te investeren en ik was me daarvan bewust. Toen het boek af was ontving ik een afwijzing per email. Het boek was, ondanks mijn goede schrijfstijl niet opzienbarend genoeg. Ondanks mijn herhaalde verzoeken mijn werk te retourneren wat ik erg gemakkelijk maakte door een gefrankeerde doos naar de uitgeverij te zenden, kreeg ik mijn werk niet terug.

Ik had graag een stukje willen schrijven over hoe boos het me maakt dat een uitgeverij met zo min mogelijk tijdsinvestering probeert een nieuwe schrijver binnen te hengelen. Vooral gebaseerd op het feit dat de potentiele schrijver al lang blij is als ie door een uitgeverij serieus wordt genomen. Dus kan hij zich ook permitteren niet op e-mails te reageren, afspraken te laten verlopen, feedback te geven in een enkele regel en vervolgens je werk af te wijzen (een nieuw boek is welkom, veel succes!) Het mag natuurlijk, maar het is niet netjes. Het overschrijdt de grenzen van respectvol met elkaar omgaan. Althans dat vind ik. Maar goed, toen ik er een stukje over ging schrijven, stagneerde ik dus halverwege. Ik vroeg me af welke boodschap ik zou sturen naar een mogelijke nieuwe uitgever. Zou iedere uitgever nu denken; laten we vooral nooit met Heidi Koren gaan samenwerken want die is zo fucking veeleisend? Ja en hoewel ik dat eigenlijk een compliment vind, is het stukje er evengoed niet gekomen. Verdomme voor mij dus. Bepaald geen Pussy Riot mentaliteit Heidi Koren.

Nu overkomt mij vandaag een soortgelijke toestand waar ik niet helemaal uitkom. Gisteravond was ik op de bekendmaking van de nieuwe stadstekenaar van Nijmegen. Elske Berndes won. Ik houd van Elske en van haar werk en was dus blij voor haar. Een fijne opdracht lijkt me, maar tijdrovend en doorgaans zitten er maar weinig levende kunstenaars iedere avond aan de bubbeltjeswijn van al die royalty’s. Dus ik vroeg de wethouder van cultuur, naast wie ik toevalligerwijs bleek te staan, of Elske hier nou es even lekker voor zou worden betaald. Toen de wethouder antwoordde dat Elske toch gewoon een baan had, zakte mijn broek af. Thuis besloot ik er een stukje over te schrijven, maar het was laat, mijn vingers waren vergeten waar alle toetsen zaten en dus bleef ik steken in een korte uiting van frustratie op Facebook. Toegegeven; totaal schrijversonwaardig.

Vanmorgen werd ik wakker van een bliepje op mijn telefoon. Het kwam van een van de organisatoren van het fenomeen Stadstekenaar Nijmegen. Ze verzocht me het stukje van Facebook te verwijderen omdat het verkeerde informatie bevatte en omdat het het mooie nieuwe initiatief een negatieve klank gaf. Dat vond ik zelf ook vervelend en fijn vond ik het te horen dat de nieuwe stadstekenaar wel degelijk betaald werd voor haar werk. Maar moest ik mijn stukje van Facebook halen of moest de wethouder eigenlijk verzocht worden om zich iets beter te verdiepen in zijn materie, juiste informatie te verspreiden en leren dat de baan van de kunstenaar dus nu juist het maken van kunst is? Dat laatste dus vind ik. Ik zou daar een stukje over willen schrijven. Over wat ik ervan vind dat een wethouder cultuur in zijn portefeuille heeft maar de mening heeft dat de kunstenaar een baan moet hebben en zijn kunst maar in zijn eigen tijd moet maken. Maar ja, ik stagneer. Wat als de gemeente Nijmegen straks denkt; die Heidi Koren die moeten we maar nooit meer een opdracht geven want die doet zo moeilijk? En dus doe ik het maar niet. Verdomme voor mij dus. Bepaald geen Pussy Riot mentaliteit Heidi Koren.

 

 

Alles hat ein Ende (nur ein Wurst hat zwei)

Mijn vader zei het vroeger al met enige regelmaat. Als ik bijvoorbeeld weer eens liep te sippen over mijn boek dat uit was of de vakantie voorbij, maar het hielp niets. Ieder einde doet me pijn.

Ik kan me nog goed herinneren dat ik voor het eerst op het woord nostalgie stuitte. Ik moet een jaar of veertien zijn geweest. Nostalgie: een romantisch heimwee naar vroeger, zo noemde van Dale destijds mijn van-muziek-doordrongen-tranendalen waarbij ik mistroostig uit het raam hing en stiekem peukjes in de regenpijp wierp, en ik was blij te ontdekken dat mijn ziekte een naam had. Ik leed aan een behoorlijke ernstige vorm van continue nostalgie; een pijnlijke en vrijwel voortdurende kwaal vol worsteling met iedere vorm van afscheid nemen die zich uit in pijnlijk hartezeer máár met geen enkel risico op vroegtijdig sterven. Dat laatste is natuurlijk geruststellend.

Vandaag is de laatste dag van mijn vakantie. Ik mis mijn poëzievriendjes van de Poëziebus en ik mís de Poëziebus. Ik mis de tijd dat ik nog naar de Poëziebus moest gaan en ik mis de tijd dat ik nog nooit van de Poëziebus had gehoord. Ik mis mijn vakantie. Ik mis Berlijn en ik mis dat ik nog nooit in Berlijn was geweest. Ik mis Oost Duitsland en ik mis dat Oost Duitsland nog in het verschiet lag, geschreven in mijn agenda waar ik soms in vooruit blader om te zien wat me nog allemaal te wachten staat, maar wat er nog niet is. Ik houd van dingen in het verschiet meer dan van de dingen in een fotoalbum, van de laatste moet ik huilen.

De tijd gaat me te snel. Het is een gedachte die me rond diezelfde levensfase voor het eerst overviel. Voor mij gaat de tijd te snel. Ik heb voortdurend pauzetijd nodig, tijd waarin ik de wereld in pauzestand kan drukken zodat ik mijn hoofd om al dat is gebeurd kan krijgen. Het is niet dat ik niet wil dat mijn kinderen groot worden en het huis uit gaan, geloof me; ik wíl dat ze groot worden en het huis uitgaan en ik moet er niet aan denken dat ze opnieuw klein worden. Ik houd van ontwikkeling, spring van het ene avontuur in het volgende wat alleen maar kan betekenen dat ik volledig opensta voor verandering. Ik voel dus niet de behoefte om de boel te bevriezen. Maar toch, nostalgie voortdurende nostalgie, romantisch heimwee naar al dat is geweest, dat me is ontglipt, wie ik ben verloren, of wat ik heb gedaan, afgerond en ingekopt en de verdomde wetenschap dat wat is geweest, is geweest.

Morgen weer een dag. Ik heb er zin in.

1-2-3-4-5-6-7-8-9-10

Zondagmorgen. Normaal gesproken maak ik een vroege wandeling met de honden en drink koffie in de tuin, komen de kinderen met slaperige hoofden pas naar beneden als ik mijn tweede kop allang leeg heb. Vanmorgen at ik met weet-ik-veel-hoeveel-dichters in een jeugdherberg. Er werd gevoetbald op het plein, terwijl ik met wat zielige yoga-oefeningen mijn lijf enigszins soepel probeerde te krijgen.

Vandaag is Antwerpen. Met een beetje mazzel is het mooi weer, loopt de stad uit om naar ons te luisteren. In de bus wordt gezocht naar een gezamenlijk moment om de tour te kunnen afsluiten. We hebben de mogelijkheid nog een nachtje te blijven, maar de meesten willen zo snel mogelijk terug naar huis. Het is gedaan. Tien dagen weg zijn van je liefdes is lang. Tien dagen met een groep dichters en een fantastische crew op pad zijn, was fantastisch. We hebben naar elkaar geluisterd en voor elkaar gejuicht. Ik werd meer dan eens recht in mijn hart geraakt door schoonheid. We hebben gelachen, gedronken, gedeeld. We hebben gedanst, geleerd, omarmd. We zijn gegroeid. We gaan naar huis, maar nemen elkaar mee. Laat ik even voor mijzelf spreken. Ik neem een ieder van jullie mee, in mijn hart of in mijn hoofd.

Lieve mensen. Lieve, lieve mensen, dánk voor een grandioze tour! Leve de Poëziebus!