De #after-me-too-man

Ik zit in de bieb te werken. Het is warm en druk. Vroeger was het hier muisstil, dat is allang niet meer zo. Tegenwoordig klinkt er van alle kanten getik, gekras en geklak maar ook gepraat, gelach en geroep. Als ik mijn oortjes uitdoe hoor ik drie verschillende talen om me heen. Ik kan geen drie verschillende talen gebruiken en prop ze snel weer terug op hun plek. Ik luister naar Simeon ten Holts Canto Ostinato. Het repetitieve van het stuk brengt me heel makkelijk in een diepe concentratie.

Als ik uit die hyperfocus stap om koffie te gaan halen, glijd ik zo hopsakee over mijn eigen schoenen de bieb in. Gelukkig draag ik een zomerjurkje zodat ik op mijn allercharmantst wijdbeens de gladde vloer af kan zeilen. Een beetje beduusd blijf ik zitten. Snel opstaan en net doen of het de bedoeling was, heeft geen zin; de hele bieb kijkt me met open mond aan. Het is nu ineens wel erg stil. Ik trek onhandig mijn jurkje naar beneden.

Er staat een man voor me. Hij kijkt op me neer, maar glimlacht vriendelijk. Gaat t? vraagt ie. Ik knik. Mijn wangen kleuren. Ik wou dat ik iets minder vaak publiekelijk onderuit ging, of dat ik charmanter kon vallen óf dat ik zoals andere vrouwen, normaal op hakken kon lopen zonder daarbij om de zoveel meter door mijn enkel te knikken om daarbij de koffie in mijn decolleté te gieten. Maar goed, dat is een zorg voor later. Ik stuntel overeind. De lelijke spatader op mijn bovenbeen is daarbij goed zichtbaar. De meneer steekt zijn hand uit om me overeind te trekken en laat hem onmiddellijk weer los als ik recht ben. Hij doet een stap naar achteren. Ik herken het gedrag onmiddellijk. Het is het #metoo-effect van de lieve, zorgzame, ietwat laffige man. De man die zich sinds metoo bij iedere beweging die hij in de buurt van een vrouw maakt, afvraagt of hij het nog goed doet, of hij niet te dichtbij komt, of hem niets kan worden aangerekend. Hij zal het niet in zijn hoofd hebben gehaald over de grenzen van een vrouw te gaan, ook niet voor metoo, en nu net zo min. Maar nu durft hij ook niet meer te vertrouwen op zijn eigen gezonde inschattingsvermogen en dus houdt hij afstand. Jammer. Ik ben net publiekelijk onderuit gegaan en heb daarbij zowel mijn ego als mijn knie bezeerd. Ik had het heerlijk gevonden als iemand even een arm om me heen had geslagen, iets liefs tegen me had gezegd en me op koffie had getrakteerd. Ik zou me niet aangevallen, bedreigd, geïntimideerd of respectloos behandeld hebben gevoeld, waarschijnlijker is dat het me zo vrolijk zou hebben gemaakt dat ik in een schaterlach mijn koffie zou hebben omgestoten. Die zou ongetwijfeld over de hand van de meneer zijn gegaan. Waarschijnlijk had hij dan een tweedegraads verbranding. Hij zou me hebben aangeklaagd voor mishandeling; ieders dag weer naar de klote. Ik kan beter alleen gaan inderdaad. Mmm lekker, koffie.

Privé

De laatste maanden word ik in toenemende mate door vreemden aangesproken op mijn privé leven. Zo kwam er bijvoorbeeld een klant in de boekhandel waar ik werk, naar me toe om me te vragen hoe het met mij en de minnaar gaat. Een ander legde bemoedigend een arm om mijn schouder: jij hebt het toch ook maar zwaar, zei hij. Het duurde even voor ik in de gaten had dat hij refereerde aan mijn laatste blog en niet aan mijn door hooikoorts bloeddoorlopen ogen. Of wellicht dacht hij dat het één verband hield met het ander. Regelmatig krijg ik appjes van een vaste klant uit dezelfde boekhandel die me laat weten dat hij het gevoel heeft me volledig te kennen. Ik heb dan geen idee wat ik daarop moet antwoorden en blijf meestal stil.

Vrienden komen eten. Het is vrijdagavond, de zon schijnt nog volop. We zitten in de tuin met een zomerse salade en een fles vette Chardonnay. Sinds mijn scheiding drie jaar geleden, spreken we elkaar minder frequent. Vroeger gingen we erop uit, twee gezinnen met kinderen in dezelfde leeftijd. Huisje huren in Drenthe en een weekend lang wandelen, koken en wijn drinken. Met twee stationwagens naar Zuid Frankrijk rijden om daar exact hetzelfde te doen. Je kent het wel. Het waren goede tijden. Tegenwoordig werken we allemaal veel en hard om de stilte in huis, na het vertrek van de kinderen een beetje draaglijk te houden. Nu eten we weer eens samen, met zijn drieën.

Vind je het niet lastig dat iedereen nu voortdurend alles van je weet, vraagt hij. Ik slik de wijn weg en staar hem aan. Ik had de vraag van hem niet verwacht. Hij is muzikant, staat voortdurend teksten te brullen voor honderden mensen. Ik ben me nooit zorgen gaan maken over hun huwelijk als ik hem hoorde zingen over andere vrouwen of verlaten worden, omdat ik weet dat liedjes niet persé autobiografisch zijn.

Ik heb net Hallo Muur uit van Erik Jan Harmens (goed gespeld), een prachtig boek waarin de ik-persoon in rap tempo een behoorlijke alcoholist wordt, daartegen vecht en het overwint. De auteur heeft geen geheim gemaakt van het feit dat hijzelf alcoholist is die al geruime tijd droog staat. Toch staat voorop het boek niet het woord: autobiografie gedrukt en dat snap ik. Ik vermoed dat de auteur gebruik heeft gemaakt van de feiten die zich werkelijk in zijn leven af hebben gespeeld, maar dat hij zich tevens de vrijheid heeft gepermitteerd om er een goede roman van te maken en dus af te wijken van de letterlijke waarheid. Zo werkt dat. Schrijven is liegen, zeg ik regelmatig tegen mijn klasjes, daarom is het ook zo leuk.

Natuurlijk maak ik gebruik van alles wat zich in mijn echte leven aandient. Ik zou wel gek zijn als ik al dat materiaal terzijde zou schuiven, maar ik ben geen journalist die zo objectief mogelijk de feiten weergeeft. Ik ben schrijver. Ik mag liegen. Ik mag de boel verdraaien, ik mag vertellen dat er vrijdag vrienden kwamen eten terwijl dat in werkelijkheid twee maanden geleden was en dat doe ik ook.

Ik had een date. Of ik zou een date hebben. De date appte een uur voordat we het terras zouden opduiken af. Ik vermoed dat hij mijn blog had gelezen en al dacht me te kennen. Of geen zin had in de volgende blog tevoorschijn te komen. Misschien dacht hij mij betrapt te hebben; aha, ze heeft ook nog een minnaar! Maar je kent me niet. Je kent mijn blog. Wie me echt wil leren kennen moet daar iets meer moeite voor doen, en trouwens; dat mág niet zomaar iedereen!

Buiten spelen

We liggen in de hangmat, vriendin M. en ik. De zon stelt zich behoorlijk aan. De kinderen komen af en toe vertraagd voorbij, met elkaar, met de hond, met ijsjes. Vannacht hebben we het half vier zien worden, daar zijn we zelf nog van onder de indruk. We zwieren een beetje heen en weer in die hangmat, vragen ons af waarom niemand óns eigenlijk een ijsje komt brengen.  Maar dat soort vragen laten zich niet beantwoorden.

We zijn allebei zelfstandig ondernemers in de creatieve sector. Ik kan die zin op geen enkele manier creatief verwoorden.  Als iemand zichzelf creatief noemt, krijg ik meestal jeuk. Creatief wordt nogal eens geassocieerd met kunst, met kleurtjes, met lettertjes en dat is ook niet zo gek, maar wel bijzonder weinig creatief.

De directeur van een basisschool waar ik les geef, vroeg mij onlangs om op papier te zetten welke vaardigheden de kinderen tijdens mijn poëzieles ontwikkelen. Ik noem mijn lessen poëzielessen omdat scholen graag budget vrijmaken voor een beetje creativiteit. Eigenlijk geef ik les in creatief denken en gebruik daarbij poëzie als middel. Maar als ik de kinderen ga vertellen dat ik ze wil leren creatief te denken en hoe dat moet, heb ik meteen alle mogelijkheden tot creatief denken afgesloten, dus zeg ik dat niet. Ik zeg: we gaan dichten.

Hoe dan? Vragen ze me.

Bedenk dat zelf maar, roep ik dan. En dat doen ze dan. Heel creatief.

Bij het uitschrijven van de leerdoelen van mijn poëzielessen, kan ik zo alle 21-eeuwse vaardigheden aftikken. Dat is geen verrassing voor mij; ik heb erover nagedacht. Voor ik het stuk door mail naar de directeur schrijf ik er wel onder: willen jullie de kinderen niet vertellen dat we dit aan het doen zijn, want dan ben ik ze onmiddellijk kwijt. De directeur belooft het.

Ik vertel erover aan M. terwijl we steeds dichter tegen elkaar aan schuiven en niet de moeite nemen de hangmat eerlijk te verdelen. Ze heeft een werkplaats, vriendin M. zo eentje waar je waanzinnig uit je plaat in kunt gaan, omdat je er nagenoeg alles kunt doen: timmeren, schrijven, stempelen, drukken, knippen, plakken, lezen, je bek een beetje houden, dansen, koken en wat al niet meer. Als ze het in haar hoofd zou halen, vaardigheden en competenties toe te gaan schrijven aan wat je in die werkplaats van haar allemaal kunt leren, zou ik er onmiddellijk nul komma nul zin in hebben mij die eigen te maken. Dat snapt zij maar al te goed. Daarom trekt ze me uit die hangmat en zegt alleen maar; kom we gaan spelen. En dat doen we, lekker creatief.

 

 

Hoor en wederhoor (art. 19 Wetboek van Burgerlijke Rechtsverordening)

Op de app doe ik een pijnlijke constatering. Mijn minnaar blokkeert me onmiddellijk. Na een liefdesverklaring van mijn kant op Wordfeud, belt hij op om te zeggen dat we klaar zijn. Hij wil het er niet over hebben. Er rest mij niets dan zijn conclusie aan te horen en af te sluiten. Na dat gesprek, van één minuut vierentwintig, zit ik doelloos op de bank en realiseer me dat we sinds we elkaar kennen, al bezig zijn van elkaar weg te rennen. Als het niet zo verdrietig zou zijn, was het grappig.

Vandaag was de rechtszitting waarin de kantonrechter besloot mijn broertje uit bewind te halen. Ik zat daar als bewindvoerder. Mijn broertje keek mij niet aan. Hij had mij, en zijn hele familie al lang duidelijk gemaakt dat hij ons niet nodig had. Ondanks zijn verslaving. Ondanks zijn hersenletsel. Ondanks het feit dat we er voortdurend voor hem proberen te zijn. Voor de rechter zijn uitspraak deed, kregen we beiden de kans ons verhaal te doen. We waren het eens, bevestigden elkaars verhaal. De zitting duurde zeven minuten en drieënvijftig seconden. Er werd naar hém geluisterd. Er werd naar míj geluisterd. Er werd een conclusie getrokken. Zo hoort dat.

De boosheid die ik voelde toen we achter elkaar het gebouw uitliepen had niets met de uitspraak te maken. Op dat moment wilde ik dat ik iemand was, die klappen uit kon delen. Ik overwoog die persoon te worden, en ook of dit het juiste moment was daarvoor. Dan zou ik graag, hier op de stoep van het rechtsgebouw, mijn broertje een serieuze muilpeer verkopen. Het zou een terechte klap zijn. Hij heeft zich de afgelopen weken als een idioot gedragen. Maar ik bén die persoon niet. Ik ben iemand die door haar knietjes zakt en huilend haar andere broer belt. Ik weet allang dat boosheid doorgaans de vervanger is van verdriet en frustratie.

Mijn kleine broertje heeft mij uit zijn leven gedeletet, zonder een gesprek aan te gaan, zonder mij te horen, zonder te zien dat wat ik had gedaan in zíjn belang was. Het was een eenzijdige beslissing. Ik realiseerde me dat ik binnen vierentwintig uur door twee mannen uit hun leven was verwijderd. Wat zegt dit over mij?

Het zegt dat ik niet erg goed ben in meebewegen, in naar de mond praten of mijn mond houden. Het zegt dat ik niet alleen maar goed ben voor funtimes. Het zegt dat, wanneer er iets gaande is, bij iemand van wie ik houd, ik hem dat zeg. Mijn ongezouten constateringen uitspreek. Ik heb misschien niet altijd gelijk, sterker nog; de kans is groot dat ik vaak ongelijk heb, maar ik zeg het om het gesprek te ópenen. Het is aan de ander om in die opening te stappen. Of niet.

Of niet dus.

Niet gek

We zaten in de auto, de dochter en ik, en brulden keihard met Skyradio mee. De zon scheen hard. De raampjes waren opengedraaid. Ineens zet ze hem uit en slaat me op mijn knie. Doe normaal, sist ze. Langs de auto fietsen twee jongens uit haar klas. We zijn in het stadium dat we nog wel samen gesignaleerd kunnen worden, maar alleen als ik normaal doe. Ik weet niet altijd hoe dat moet. Oh jezus, zegt ze, haar handen voor haar gezicht slaand, ze zíen ons! Ik weet dat ik het nu niet moet aanzetten, dan praat ze een uur niet meer met me, en rijd rustig door. De jongens zijn veel te druk met elkaar.

Vind je hem leuk? vraag ik .

Hem? Nee, ben niet gek! Natuurlijk is ze niet gek, dat was me allang opgevallen.

Ik zou niet willen dat jij en papa weer  bij elkaar komen, merkte ze op nadat het een tijdje stil was.  Het kwam uit het niets. Ik was blij dat we het daarover eens waren. Het had even geduurd. Haar vader en ik zijn nu drie jaar uit elkaar. De overgrote meerderheid van het gezin is gelukkiger sinds de scheiding.

Oh nee? zei ik, ik hield de opluchting een beetje voor me. De tijd dat ze er anders over dacht en me dat met enige regelmaat voor de voeten had geworpen, lag me nog vers in het geheugen. Het was ook allemaal mijn schuld geweest natuurlijk.

Maar ik wil nu dat er niks meer verandert zo lang ik thuis woon. Aha, dát was het punt.  Dat snapte ik wel. Ik had zelf ook een beetje de buik vol van de heftigheid aan gebeurtenissen van de laatste jaren. Soms moest je even stilstaan.

Dus we gaan niet meer verhuizen? Ze schudde haar hoofd resoluut. Nee. Ik ben ook geen verhuizing van plan, al moet ik bekennen dat ik droom van een eigen huis, eentje dat ik werkelijk heb uítgezocht omdat ik er wíl wonen, niet omdat ik nergens anders naartoe kan. Eentje zonder buren. Eentje met voldoende muren om al mijn kunstwerken aan op te hangen. Natuurlijk ben ik niets dan dankbaar voor het huisje waar we nu wonen, maar dromen moet je houden.

Ik kon het niet nalaten haar even te testen: Dus ook niet als ik een mooi huis kan kopen in het bos, met ruimte voor een hangschuurtje en een zwembadje in de tuin, begrijp ik? Ze is even stil. Die mondhoeken van haar krullen zo leuk. Ze krijgt dan twee kuiltjes in haar wangen. Ze blijft bij haar standpunt.

We zijn onderweg naar vriend F. F. is de moeder van zijn twee dochters ook kwijtgeraakt, zoals ik de vader van dochter kwijtraakte. Alsof je een fietstochtje gaat maken en halverwege ineens merkt dat de jongste haar beer is verloren. Je fietst het fietspad af en nog eens, maar komt de beer niet meer tegen. Gewoon verloren en je hebt het te laat ontdekt.

Als we met z’n allen bij elkaar zijn, vriend F, zijn meiden en de dochter en ik, stellen de meiden minstens één keer voor dat we gaan trouwen, vriend F en ik.

En als ik nou met F trouw en we gaan met z’n allen wonen? Ze grijnst me aan.

Het gezin van F. en het mijne zouden probleemloos in elkaar kunnen schuiven. We zouden zelfs in zijn huis passen. We kunnen tegen elkaar aan hangend op de bank een film kijken, samen koken, wandelen, een duik nemen, goeie gesprekken voeren, onze kop houden, zijn het eens over de opvoeding van de kinderen. Alle ingrediënten om samen een gezin te runnen zeg maar, maar we zijn niet verliefd, of dan toch tenminste niet op elkaar. Ze schudt haar hoofd, nee niet met F. zegt ze, jullie zijn niet verliefd. Ze kent het belang van verliefdheid natuurlijk allang. Ze is niet gek.

 

Niet aangeboren hersenletsel

Sinds vandaag hebben we een crisis-app-groep. Het is de eerste keer sinds lang dat mijn vader, mijn moeder, mijn oudste broer en ik bij elkaar zijn, al is het digitaal. De vorige keer was twaalf jaar geleden, nadat we midden in de nacht waren wakker gebeld, elkaar hadden ontmoet in het ziekenhuis. Sindsdien weten we allemaal het verschil tussen een coma en een comateuze toestand. We weten hoeveel vocht er vrij kan komen bij een hersenkneuzing en dat dat ergens naartoe moet, ook wat er gebeurt als het geen kant uit kan. We weten van herstel, van wetgeving, van revalidatie en kennen de betekenis van de afkorting NAH.

Ik maakte de appgroep en gaf als instructie om kort en bondig te zijn, alleen feiten. Ik hoopte dat het ons allen zou verlossen van het voortdurend over en weer bellen om ervoor te zorgen dat iedereen op de hoogte is van het wel en wee van ons geliefde zwarte schaapje.

Het zwarte schaap is lief. Ik houd van hem. Ik zit vol met herinneringen aan hem. Herinneringen die terug gaan naar een tijd waarin niemand ooit had bedacht dat hij ooit het zwarte schaapje zou worden. Er is altijd íemand die het wordt. Hij werd het.

Ik was een meisje van zeven toen hij in mijn leven kwam. Een leeftijd waarop mijn vriendinnen met hun poppen speelden. Ik vond de poppen weinig aan; ze bewogen niet, ze krijsten niet, en je kon ze niet eens de borst geven. Zelf kreeg ik dus gewoon een broertje. Eentje die lekker rook, en keihard kon janken. Er zijn films bewaard gebleven waarop ik boven zijn wiegje hang als zevenjarig meisje, lijkbleek want ik kon nauwelijks overeind blijven van de bloedarmoede in die tijd- iets waar ik dankbaar voor was omdat ik zwakjes de halve kraamtijd van mijn zogende moeder en de kleine gup in bed mocht blijven, naast hen. Als ik mijn ogen sluit, lig ik daar zo weer, een blauwe nachtjapon dragend met een maantje en een sterretje bovenop mijn borst.

Het zwarte schaapje is boos. Nog steeds houd ik van hem, al moet ik er soms naar zoeken soms twijfel ik, dan weet ik het ineens niet meer zeker. Houd ik nog van hem, van déze hem? Van deze bóze hem, die alleen maar wegrent, mij wegduwt, van zich afslaat, de wereld haat? Pas als ik me de twijfel realiseer, slaat de paniek om mijn hart. Dat ik het niet altijd meer zeker weet, maakt me zó verdrietig. Dat kan dan toch alleen maar betekenen dat ik nog wél van hem houd? Of niet?

Nee soms dus niet. Soms sta ik uit. Zet ik mijn telefoon uit. Blokkeer het zwarte schaapje. Meldt in de crisis-app: geen nieuws is goed nieuws. Hij komt wel weer boven water. Later meer. Over en sluiten.

Tinder

Na een aantal dagen opgesloten te hebben gezeten in mijn schrijfhok om de eerste versie van mijn afstudeerwerk voor de Schrijversvakschool afgerond te krijgen, installeerde ik gisteravond Tinder op mijn telefoon. De schaamte overviel me direct, dus toen werd het pas echt interessant.

Ik schonk mezelf een groot glas witte wijn in en nestelde me op de bank. Ik had Tinder tot nog toe gemeden. Ok toegegeven, ooit een keer eerder geïnstalleerd, daar een vette date uitgehaald die meteen uitliep op een romance, die liefde bleek en eindig en verwijderbaar. Dat was al weer lang geleden. Ik beschouw mijzelf niet als iemand die op zoek is naar een nieuwe liefde in haar leven, dus waarom dan toch Heidi? Waarom?

Het instellen van mijn profiel op zich vond ik al een akelige bezigheid. Nu moest ik ineens bewust gaan nadenken wat ik dan zocht, als ik dan toch iets zocht. En hoe wilde ik mijzelf tentoonspreiden, nog vreselijker. Een mooie foto geeft me altijd de zenuwen omdat ik dan hoogstwaarschijnlijk ontzettend teleurstel in het echte leven. Maar er is geen goede reden te bedenken om een stomme foto van jezelf de wereld in te sturen. Als dat klusje is geklaard, krijg ik vanzelf te zien wie er allemaal beschikbaar is. De schaamte groeit me tot over de oren. Dat ik al die mannen zomaar zit te bekijken en ze één voor één het beeld uitveeg, geeft me een akelig gevoel. Ik ben me er ook nogal van bewust dat ikzelf dus ook zo in beeld ben. Alsof ik naakt door de stad loop met een bord boven mijn blote billen: wie wil mij?

Uiteraard kom ik vrij snel mijn ex tegen. De man die ik zo lang mijn liefje noemde, met wie ik een leven heb gedeeld, die biedt zich hier dus ook aan. Ik weet dat het voyeurisme voor veel mensen een aantrekkelijke bezigheid is, maar ik voel me er uiterst ongemakkelijk bij. Heb bijna de neiging om alle bekenden die ik tegenkom op te bellen om sorry te zeggen: sorry lieve die en die dat ik je tegenkom, zullen we voor altijd doen alsof we elkaar niet hebben gezien?

Want nu weet ik dus iets van een ander wat ik eerder niet wist, namelijk dat diegene op zoek is naar iemand. Ik weet het nu van de man die in het filmhuis werkt, van een vaste klant in de winkel, van mijn ex man, van de directeur van een bouwbedrijf, van die gast die ik zo vaak zie fietsen. En wilde ik dat nou persé weten? Nee niet persé, of dan in elk geval niet doordat ze nu allemaal een bord om hebben hangen waarop beschikbaar staat. En erger nog, al die mannen denken nu ook van mij dat ik beschikbaar ben. Maar ik wil helemaal niet beschikbaar zijn! Alsof iemand ons nu zo bij elkaar zou kunnen zetten; zo dat ook weer geregeld. Ik krijg er jeuk van.

Aan het einde van de avond krijg ik een bericht van Tinder dat meer dan 99 mannen me leuk vinden, als ik nu upgrade kan ik meteen zien wie het allemaal zijn. Dan kan ik mijzelf een hoop tijd besparen en direct uitzoeken wie ik het liefst heb voor Pasen. Ik verwijder de app, maar niet voor ik die ene gast even mijn nummer heb gegeven. Dan ga ik nog even de tuin in om naar de sterren te kijken. De lente hangt in de lucht. Dat zal het wel zijn.

Ziek

Mijn therapeut zei een keer tegen me dat ik trekken van Borderline vertoon. Meteen daarop hield hij zijn vingertje waarschuwend in de lucht en zei: Ho ho Heidi, trékken, zei ik he, ik zei dus níet dat je Bordeline hèbt. Waar hij op doelde waren mijn snelle ups en downs: even is alles kut, dan zie ik de zon schijnen en hopsakee, ik zie het leven weer zitten.

Jammer genoeg werkt het omgekeerd soms ook zo.

Nu heel Nederland van de griep is genezen, ben ik aan de beurt. Ik lig in bed en staar naar het plafond. Soms lees ik in Rijnevelds debuutroman ‘De avond is ongemak’ en voel mij daarna mogelijkerwijs nog beroerder. Ik had de recensies natuurlijk al gelezen, want daar was geen ontkomen aan, de één nog jubelender dan de andere. Rijneveld trad een aantal jaar geleden het literaire veld binnen, werd stante pede van de Schrijversvakschool gestuurd omdat ze al klaar leek te zijn voor ze was begonnen, smeet een bundel de wereld in met haar vierentwintig jonge jaren en won daarmee alle haalbare literaire prijzen. Onlangs verscheen dus haar debuutroman die zo veel aandacht kreeg, dat ik er een beetje chagrijnig van werd. Ik was níet jaloers, want jaloezie is niet voor mij. Dacht ik dus, totdat ik begon aan de eerste pagina en mijzelf betrapte op de vernietigende gedachte; ik hoop dat het een kutboek is. Jaloers dus, ook dat nog. Juist nu ik helemaal volwassen ben en zen met mezelf en wat al niet meer van dat.

Tussen de hoofpijnen, de koortsaanvallen en de totale misère door verslind ik het boek, want het is dus prachtig, echt verdomde mooi.

Als ik niet lees, slaap of kots dan zit ik in bed met mijn telefoon te klungelen. Woordje leggen op Wordfeud (met mijn moeder), op Facebook ontdekken wie er allemaal succesvoller is dan ik (iedereen). Belangrijke zaken kopen op Marktplaats (schoenen). En zien wie mij appt en wie niet en waarom dan wel niet. Ziek laat ik mij van mijn meest pathetische kant zien. Ik constateer het zelf ook voortdurend en vraag mijzelf dan ook met enige regelmaat daarmee op te houden. Het is een aaneenschakeling van niet meer weten hoe te liggen, naar de wc strompelen, mijn teen stoten aan het verdomde badkamerdrempeltje, thee zetten, in bed kruipen, de doorligwonden ontwijken, mijn telefoon pakken, mezelf vervloeken, een slok thee nemen, mijn bek verbranden, vloeken, naar de badkamer strompelen voor een slokje koud water, over het verdomde badkamerdrempeltje struikelen, vloeken, terug naar bed gaan, mijn telefoon oppakken, mijzelf vervloeken, de telefoon naar het andere eind van de kamer smijten, omdraaien, de doorligwonden vermijden, en in slaap vallen.

Als ik wakker word, begint de ellende gewoon weer opnieuw.

Vanmiddag drong de constatering van mijn therapeut nog eens tot mij door. Ik dacht daarbij ook aan vriend R. met wie ik een fijne winterlange telefoonrelatie heb gehad en die een keer tussen neus en lippen door zei; als ik loop te zeuren, moet jij alleen maar lachen en dan ben je zo uit de put. Daar moest ik over nadenken nadat we hadden opgehangen en hij had gelijk. Het Bordeline-effect dus, hop erin (de put), maar ook hop eruit. Jammer genoeg maakte hij kort daarna een einde aan ons met de legendarische woorden: ik houd niet van gezeur. Ik bedenk me nu pas dat hij daarmee alleen zijn eigen gezeur kan hebben bedoeld. Ik ben zelf persoonlijk ook niet zo dol op gezeur, van een ander kan ik het wel verdragen maar dat van mijzelf komt me al snel de neus uit. Het werd dus wel tijd voor het Bordeline-effect.

Met dat voornemen hees ik mijzelf vanmiddag uit bed. Hondlief sprong een gat in de mand toen ze zag dat we er heus op uit gingen. Ik was vastberaden op zoek te gaan naar iets positiefs, iets lachwekkend, iets waardoor ik hop- uit de put zou komen. De lucht was grijs, daar moest ik het niet van hebben. Ik stalde mijn fiets bij de Waal, en klom over het hek de weilanden in. Hondlief rende er meteen vandoor. Ik probeerde te roepen maar bleef hangen in een hoestbui. Hond weg. Ik liep moedig door, ondanks de blubber waar ik tot mijn knieën in wegzakte. Halverwege begon het te regenen. Ik schuilde onder een boom, waar direct de bliksem in sloeg. Een grote tak viel naast me neer, dat was mazzel – dat moet ik toegeven, maar ik kon er toch niet om lachen. Een beetje aangedaan liep ik terug naar de fiets, die ik met lege achterband aantrof.

Thuis had ik net de pakketbezorger met mijn nieuwe schoenen gemist. Voor ik teleurgesteld mijn bed in kroop stootte ik nog even snoeihard mijn teen aan het badkamerdrempeltje. Ik kon het niet opbrengen de teen te verbinden en kroop bloedend mijn bed in.

Na twee uur werd ik wakker. De koorts was gezakt, de hond lag lief tegen me aan. Ik las verder in dat prachtige boek en liet de tijd verstrijken. Vanuit de hoek van mijn slaapkamer bromde mijn telefoon. De favoriete man in mijn leven appte dat hij thuis kwam eten, er zaten hartjes bij, wat ook kan betekenen dat de stufi al op is maar daar dacht ik nu mooi niet aan. Kort daarop kwam mijn dochter zingend het huis binnen, of ze haar haren even mocht verven, blauw dit keer. Ze zette de muziek aan en trok in één beweging mijn gordijnen open. Een bak zonlicht viel op mijn bed, gratis en voor niks. Mijn hoofdpijn was gezakt en iemand had een kopje thee naast me neergezet. Ik kon wel eens even een nieuw stukkie schrijven. De lucht was geklaard. Hop.

Het Boekenbal

Vriend F. kwam een paar weken geleden bij me op bezoek met broodjes en zijn dochter. We aten tussen de boeken in de winkel. Het was rustig. Misschien heb ik iets leuks voor je, zei hij tussen twee happen spinaziebrood van de Turk door. Ik houd van leuks en ook van misschien. Misschien biedt perspectieven. Ik houd van perspectieven. Ik humde met volle mond en plaatste daar een vraagteken achter. Misschien kunnen we naar het Boekenbal, zei hij.

De eerste keer dat ik op het Boekenbal was, moet in 1995 zijn geweest. Twintig jaar schoon aan de haak. Een spijkerrokje en kistjes. Een pakje halfzware Drum in mijn kontzak. Chic hing nog niet in mijn kast. Ik kon naar binnen omdat mijn vriendin met de vormgeversopleiding de aankleding van het feestje had verzorgd. Van het Boekenbal had ik tot die avond nog nooit gehoord maar ik las wel alles wat los en vast zat en schreef haar, diezelfde vriendin, eindeloze brieven als ik op reis was. Reden genoeg om mij mee te nemen naar het bal.

Een beetje kouwe kak vond ik het, maar er werd goed gedraaid en er was gratis bubbels en bier. We dansten de avond door. Een knul met een flinke bos krullen zat achter me aan, maar ik had een vriendje die thuis op me wachtte en was altijd al een trouwe hond, dus liet ik hem links liggen. Ergens in de wandelgangen raakten we toch in gesprek. Wat lees je? vroeg hij. Ik hing een beetje verveeld op de trap, wilde roken of dansen maar bleef toch ondertussen ook wel hangen bij die gast met die enorme bos krullen. Blauwe maandagen, zei ik. Ik was ongeveer halverwege en vond het een lekker boek. Ja daaag, zei de krullenbol en lachte me uit. De lol ontging me. Waar ben je dan? En hoewel ik niet begreep waarom hij wilde weten waar in het boek ik gebleven was, vertelde ik hem precies wat er net was gebeurd, wat ik er mooi aan vond, wat ik niet snapte en hoe ik dacht dat het zou verder gaan. Tot mijn stomme verbazing zei hij de volgende bladzijde uit zijn hoofd op en ik dacht alleen maar dat het toevallig was dat we nou net hetzelfde boek aan het lezen waren. Toen gingen we maar snel dansen en bier halen voor het allemaal alweer voorbij zou zijn. Ik had veel haast in die tijd.

Bij de garderobe was het leeg. De meeste dingen die je kwijt kunt raken, was ik ook kwijt geraakt. Mijn vriendin, mijn garderobekaartje en een sok. De krullenbol pakte mijn hand vast, fluisterde in mijn oor dat er een taxi klaarstond, dat die jas morgen wel zou komen. Maar ik schudde verlegen mijn hoofd, dacht aan mijn vriendje thuis op mijn studentenkamer en mijn vriendin ergens in de buurt en zwaaide de krullenbol uit om aan de eerste te blijven denken en de tweede te vinden.

We sliepen in Osdorp. Ik weet niet meer hoe we er zijn gekomen, wel dat deze vrienden de eersten waren die samenwoonden en dat ze een douchecabine op het aanrecht hadden, maar dat terzijde. Mijn vriendin en ik lagen op de bank met doorlopen make-up en pijnlijke voeten, te fluisteren over de nacht. Voor we het licht uitdeden las ik nog een bladzijde om tot rust te komen. Bij het wegleggen van het boek keek ik recht in de ogen van de krullenbol die ik de hele avond Arnold had genoemd.

Ieder jaar komt het Boekenbal wel even ter sprake, in de winkel, op school, met collega-schrijvers. Wie mag al gaan en wie nog niet? Op een dag ga ik, maar alleen met een uitnodiging op naam in mijn hand, liefst in een gouden wikkel. Tot die tijd moet ik nog even doorwerken.

Op woensdag voor het bal appte F. me. Ik zat op de hei te werken aan mijn nieuwe roman. De vorige is ongepubliceerd in een lade verdwenen. We moeten nu beslissen. Jij mag het zeggen. Gaan we of gaan we niet? Ik dacht aan dat bal, waar ik niets in te brengen zou hebben. Waar ik alleen maar zou kunnen denken aan het boek dat ik aan het schrijven ben en dat nog niet af is, nog niet goed genoeg. Nèh, appte ik terug, lama zitten. Kom je logeren met de kinderen? Ik kook, jij brengt wijn.